Court dismisses appeal against planning permit revocation due to procedural errors and lack of substantive review by lower court.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the cassation appeal filed against a ruling that annulled a planning permit for a religious center. The lower court's decision was flawed because it failed to conduct a thorough examination of parking adequacy and misapplied the motivation law, which does not apply to the relevant administrative body. Consequently, the appeal was dismissed, and the appellant was ordered to pay the legal costs incurred by the respondent.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 4.3.1, § 2 VCRO; The Council of State lacks jurisdiction to review the merits of a case when the lower court's decision is limited to a regularity check and contains procedural defects or fails to substantiate its findings on essential issues like parking capacity.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 241.070 van 22 maart 2018
in de zaak A. 221.952/VII-39.957.
In zake : de VZW SRI GURU HAR RAI SAHIB CULTURE CENTRE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Maenhout en tevens door advocaat Ria Hens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 191
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
Jan VAN WESEMBEECK
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 12 april 2017, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1617/0608 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 28 februari 2017 in de zaak 1314/0744/A/2/0710.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Een beschikking van 15 mei 2017 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.
VII-39.957-1/12
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit).
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 maart 2018.
Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Ria Hens, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Gert Op De Beeck, die loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Met een besluit van 26 juni 2014 verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) aan de verzoekende partij een stedenbouwkundige vergunning “voor het bouwen van een ontmoetingscentrum -
gebedshuis en drie woongelegenheden en het slopen van bestaande constructies”.
VII-39.957-2/12
3.2. Het bestreden arrest verklaart het enige middel van de heer Van Wesembeeck gegrond en vernietigt de vergunningsbeslissing van 26 juni 2014.
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
4. De verzoekende partij heeft een “verzoek tot voortzetting”
ingediend waarin een repliek wordt gegeven op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de verzoekende partij. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord.
V. Ontvankelijkheid van het beroep
Exceptie
5. De heer Van Wesembeeck voert aan dat de deputatie in uitvoering van het bestreden arrest inmiddels een nieuwe vergunningsbeslissing heeft genomen. De vernietiging van het bestreden arrest kan de verzoekende partij bijgevolg geen enkel voordeel meer opleveren.
6. De verzoekende partij betwist de exceptie.
VII-39.957-3/12
Beoordeling
7. Het bestreden arrest vernietigt de stedenbouwkundige vergunning die aan de verzoekende partij werd verleend. De verzoekende partij, die in de procedure voor de RvVb is tussengekomen, heeft belang bij het instellen van haar cassatieberoep tegen het bestreden arrest.
8. Ofschoon de deputatie na de betekening van het bestreden arrest, op 29 juni 2017 een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend aan de verzoekende partij, behoudt zij haar belang bij het ingestelde cassatieberoep. De vernietiging van het bestreden arrest omvat immers de vernietiging van het bevel in het bestreden arrest aan de deputatie om een nieuwe beslissing te nemen over het administratief beroep van de heer Van Wesembeeck.
9. De exceptie wordt verworpen. Het cassatieberoep is ontvankelijk.
VI. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
10. De verzoekende partij voert de schending aan van het destijds toepasselijke artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), het destijds toepasselijke artikel 11, tweede lid, 5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2012 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: procedurereglement RvVb), “het motiveringsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel” en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), “de rechten van verdediging als algemeen rechtsbeginsel van een behoorlijke rechtsbedeling” en artikel 6 van het
VII-39.957-4/12
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM):
“Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het inleidend verzoekschrift geoordeeld heeft dat de heer Jan Van Wesembeeck, als buurtbewoner, over het rechtens vereiste belang zou beschikken;
Terwijl (i) het inleidend verzoekschrift, dat als enige aangemerkt kan worden als uitgangspunt voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van een beroep, geen voldoende concrete omschrijving bevat van het persoonlijk belang dat de heer Jan Van Wesembeeck meent te hebben en terwijl (ii) de heer Jan Van Wesembeeck niet over het rechtens vereiste belang beschikt”.
In een eerste onderdeel licht de verzoekende partij toe dat de RvVb het belang van de heer Van Wesembeeck niet afdoende heeft onderzocht en “noodzakelijk de onontvankelijkheid [diende] vast te stellen van het inleidend verzoekschrift” van laatstgenoemde “omdat het rechtens vereiste en persoonlijk belang in casu onvoldoende concreet omschreven was” en “onvoldoende feitelijk verifieerbaar”. De RvVb heeft “geen, alleszins onvoldoende, rekening gehouden met de ruime afstand 600 à 700 m van waarop hij van de gebedsruimte woont”
door “te oordelen dat de vermeende parkeerhinder [in de buurt] de [heer Van Wesembeeck] onrechtstreeks zou treffen”. De RvVb “gaat ook volledig voorbij aan het feit dat het inleidend verzoekschrift geen gegevens naar voren brengt waaruit zou moeten blijken dat [de heer Van Wesembeeck], ondanks deze grote afstand, hinder zou kunnen ondervinden welke te onderscheiden is van hinder voor de buurt”. De RvVb gaat eraan voorbij dat de heer Van Wesembeeck in zijn verzoekschrift niet “concreet” maakt “dat een ingeroepen verhoogde parkeerdruk in de buurt (wat niet gestaafd noch aannemelijk wordt gemaakt) voor hem individueel rechtstreeks of onrechtstreeks hinder of nadelen zou teweegbrengen, […] het inleidend verzoekschrift spreekt in casu zeer summier enkel over een vermeende stijging van ‘parkeerdruk in de buurt’ en ‘een nadeel voor de buurtbewoners’, zonder dat een voldoende concrete omschrijving wordt gegeven hoe de [de heer Van Wesembeeck] hierdoor persoonlijk hinder zou kunnen ondervinden”.
VII-39.957-5/12
De verzoekende partij licht in een tweede middelonderdeel toe dat de RvVb “bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het inleidend verzoekschrift ten onrechte rekening” heeft gehouden met de voor het eerst door de heer Van Wesembeeck in zijn toelichtende memorie aangevoerde “verkeershinder zoals filevorming en geluidsoverlast” terwijl “[e]nkel het inleidend verzoekschrift kan worden aangemerkt als uitgangspunt voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoekschrift”.
Beoordeling
11. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van de exceptie van de verzoekende partij waarin zij aanvoert dat “gezien de woning van de [heer Van Wesembeeck] op zeer ruime afstand (zo’n 600 à 700 meter) gelegen is van het aangevraagde project, de hinder en nadelen aangehaald ter staving van het […] rechtens vereiste belang zeer nauwkeurig moeten worden omschreven”, dat de heer Van Wesembeeck “niet op concrete wijze aangeeft hoe [hij]
persoonlijk hinder of nadelen kan ondervinden van de bestreden beslissing”, en dat door in zijn verzoekschrift “te wijzen op ‘een rechtstreeks en aanzienlijk nadeel’ voor de buurtbewoners, waaronder [h]ijzelf, […] geen enkel onderscheid [wordt]
gemaakt tussen het algemeen belang en het individueel belang van de [heer Van Wesembeeck]”.
12. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen.
Luidens artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet) treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.
In zoverre het middel noopt tot het overdoen van de feitelijke beoordeling door de RvVb van de hinder en nadelen bedoeld in het aangehaalde artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO is de Raad van State niet bevoegd.
VII-39.957-6/12
13. De aangevoerde motiveringswet is toepasselijk op bestuurshandelingen van administratieve overheden als bedoeld in artikel 14, § 1, van de RvS-wet.
De RvVb is een administratief rechtscollege als bedoeld in artikel 14, § 2, van de RvS-wet.
De aangevoerde motiveringswet is niet van toepassing op de RvVb.
In zoverre faalt het middel naar recht.
14. Een omschrijving in het verzoekschrift van het belang van verzoeker is overeenkomstig de artikelen 4.8.11, § 3, en 4.8.12 VCRO gelezen in samenhang met de artikelen 11 en 12 van het procedurereglement RvVb, in hun toepasselijke versies, een vormvereiste die niet regulariseerbaar is.
De zin van de door het artikel 11 van het procedurereglement RvVb voorgeschreven omschrijving van het belang van verzoeker ten aanzien van de verwerende partij bestaat erin haar recht van verdediging te vrijwaren.
Door de vormvereisten van het verzoekschrift te bepalen heeft de decreetgever de uitoefening van het in artikel 6 van het EVRM erkende recht van verdediging wat deze aspecten betreft, zelf geregeld.
15. Het voormelde artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO vereist niet dat verzoeker hinder of nadelen die het gevolg zijn van de bestreden vergunningsbeslissing moet ondervinden. Het volstaat dat verzoeker redelijkerwijze aannemelijk maakt dat er een risico bestaat dat hij de aangevoerde rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen van de bestreden vergunningsbeslissing kan ondervinden.
VII-39.957-7/12
Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.
16. Het bestreden arrest concludeert dat de heer Van Wesembeeck “voldoende aannemelijk [maakt] dat er een risico bestaat op parkeerproblemen” en dat deze hinder “[g]elet op de afstand van de woning” van de heer Van Wesembeeck “als onrechtstreeks kan beschouwd worden” op basis van de vaststelling dat laatstgenoemde in zijn verzoekschrift heeft uiteengezet “dat [hij]
vreest voor parkeerproblemen” omdat “[d]e omgeving van het gebedshuis […] nu reeds een tekort aan parkeerplaatsen [zou] hebben en voor het toekomstige project, dat volgens de [heer Van Wesembeeck] plaats biedt aan 300 personen, […] er slechts 19 extra parkeerplaatsen voorzien [zouden] worden”.
Door aldus op gemotiveerde wijze te beslissen schendt de RvVb niet de voormelde artikelen 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO en 11, tweede lid, 5°, van het procedurereglement RvVb.
Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
17. Het tweede middelonderdeel, in zoverre ontvankelijk, kan niet tot cassatie leiden gelet op de in het vorig randnummer aangehaalde zelfstandige reden van de verwerping door de RvVb van de exceptie van de verzoekende partij.
Het eerste middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
18. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 4.3.1, § 2, VCRO, het “verbod op machtsoverschrijding” en “het motiveringsbeginsel als
VII-39.957-8/12
algemeen rechtsbeginsel en zoals vervat in artikel 2 en 3 van de [motiveringswet]”:
“Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich bij diens wettigheidscontrole in de plaats heeft gesteld van de deputatie bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening;
Terwijl het de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet toekomt zijn beoordeling van de eisen van een goede ruimtelijke ordening in de plaats te stellen van die van het vergunningsverlenend bestuursorgaan”.
Zij licht toe:
“Zo stelt zij vooreerst ten onrechte dat de mogelijkheden op het vlak van het openbaar vervoer in het weekend beperkt zouden kunnen zijn. De Raad voor Vergunningsbetwistingen houdt geen rekening met de correcte en redelijke discretionaire beoordeling van de deputatie dat de Bisschoppenhoflaan een belangrijke weg is voor het openbaar vervoer en mede hierdoor de parkeerbehoeften worden opgevangen.
Daarnaast stelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat een gebedsruimte op vlak van verkeersintensiteit en voor de berekening van het aantal parkeerplaatsen niet vergelijkbaar zou zijn met bv. een restaurant.
Net zoals bij een restaurant wordt ook bij een gebedsruimte uitgegaan van gemiddelden gebaseerd op het te verwachten gebruikspatroon, in casu een gemiddelde van 20 tot 80 bezoekers per dag. Het is immers niet zo dat iedere dag 80 bezoekers aanwezig zullen zijn, net zoals bv. een restaurant niet iedere dag maximaal bezet zal zijn. Een restaurant kan eveneens occasioneel een plotse piek in aanwezigheid hebben”.
Beoordeling
19. Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het enige middel van de heer Van Wesembeeck waarin hij de schending aanvoert van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel dat gegrond wordt verklaard omdat de deputatie “niet afdoende [weerlegt] dat ‘de ingebruikname van het ontmoetingscentrum-gebedshuis (…) de parkeerdruk in de buurt aanzienlijk [zal]
doen stijgen’, zoals de [heer Van Wesembeeck] stelde in [zijn] administratief beroepschrift”.
Het bestreden arrest komt tot deze beoordeling op grond van de overwegingen:
VII-39.957-9/12
“De Raad stelt vast dat het eigen onderzoek van de mobiliteitsproblematiek door de verwerende partij beperkt is, ondanks het feit dat zowel een bezwaarschrift als een administratief beroep geheel gebaseerd is op deze problematiek.
De verwerende partij komt enerzijds tot het besluit dat het voorzien van 16 parkings in functie van de gebedsruimte en drie parkings in functie van de wooneenheden op het eigen terrein voldoende zijn, doch aanvaardt anderzijds de schatting van de tussenkomende partij van 20 tot 80 bezoekers per dag. De verwerende partij stelt tevens dat de meeste bezoekers, gelet op de erediensten, hoofdzakelijk in het weekend, met de klemtoon op zondag, aanwezig zijn.
De Raad leidt hieruit af dat op zondag, gedurende een eredienst, 80 bezoekers verwacht worden. Aangezien het een eredienst betreft zullen deze bezoekers op hetzelfde moment aanwezig zijn.
De verwerende partij vermeldt dat de Bisschoppenhoflaan een belangrijke weg is voor het openbaar vervoer, zonder bijkomende toelichting. Nochtans worden zoals gezegd de meeste bezoekers verwacht in het weekend, wat de mogelijkheden op het vlak van openbaar vervoer danig kan beperken. Uit de motivering van de bestreden beslissing kan niet afgeleid worden dat dit het voorwerp is geweest van een zorgvuldig onderzoek. Het is tenslotte niet ernstig om te verwachten dat het merendeel van de bezoekers per fiets zou komen.
Met betrekking tot de berekening van het aantal stallingsplaatsen in het BPA in de categorie kantoor/restaurant/winkel, is een gebedsruimte niet vergelijkbaar met de vermelde functies. Een gebedsruimte zorgt voor een plotse piek in aanwezigheid, terwijl voor de andere functies uitgegaan wordt van gemiddelden.
Tenslotte betekent het vermeende feit dat de bezoekers niet of nauwelijks in conflict zullen komen met de klanten/bezoekers van de overige zaken in de omgeving, op zich niet dat er voldoende mogelijkheid tot parkeren aanwezig is, dat wordt ook niet op ernstige wijze onderzocht.
Klaarblijkelijk is ook enige twijfel in hoofde van de verwerende, daar zij stelt dat indien in de praktijk zal blijken dat de achterliggende parkeerplaatsen ruim onvoldoende zouden zijn, dit zou resulteren in een stedenbouwkundige overtreding en er maatregelen dienen genomen te worden op dit vlak”.
20. In zoverre het middel noopt tot een beoordeling van de zaak zelf, is de Raad van State niet bevoegd.
21. De motiveringswet is niet toepasselijk op de RvVb.
Het middel faalt in zoverre naar recht.
VII-39.957-10/12
22. De verzoekende partij laat na uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest artikel 4.3.1, § 2, VCRO schendt.
Het middel is in zoverre onontvankelijk.
23. Het bestreden arrest is gelet op de hiervoor aangehaalde overwegingen en de daaraan verbonden conclusie tot het gegrond verklaren van het enige middel, naar recht gemotiveerd.
24. Uit de aangehaalde overwegingen en de daaraan verbonden conclusie in het bestreden arrest, blijkt dat de RvVb zich beperkt tot de hem opgedragen regelmatigheidscontrole van de bestreden vergunningsbeslissing.
Het tweede middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
VII-39.957-11/12
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig maart tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-39.957-12/12
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.070