Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.044 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.044 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request against driving school due to lack of concrete financial evidence proving acute necessity.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.044
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the driving school's request to suspend the enforcement of the minister's decision to halt its license and director's authorization. The applicant failed to provide precise, verifiable financial data demonstrating an acute threat to its ability to meet obligations for one month. Consequently, the court found the cumulative conditions for granting an urgent suspension under the Council of State laws were not met.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State laws; An urgent suspension order requires the simultaneous fulfillment of specific conditions, including the demonstration of an acute necessity backed by concrete and verifiable factual data.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension acute necessity financial solvency administrative enforcement Council of State laws driving school license procedural requirements monopole d'une caisse d'assurance-accidents scolaire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State laws
Article 67, § 2 of the Decree of the Regent of 23 August 1948
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 241.044 van 20 maart 2018

in de zaak A. 224.748/IX-9260

In zake: de BVBA RIJSCHOOL MAASEIK

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sanne Stockbroeckx kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 119

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters kantoor houdend te 8210 Zedelgem Spoorwegstraat 11

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 12 maart 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn van 2 maart 2018 houdende de schorsing van de erkenning van de bvba Rijschool Maaseik gedurende een termijn van 1 maand met ingang van 1 april 2018 alsmede houdende de schorsing van de instructie- en directietoelating van A.M.M. gedurende een termijn van 1 maand met ingang van 1 april 2018.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

IX-9260-1/9

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 maart 2018, om 11 uur.

Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Sanne Stockbroeckx, die verschijnt voor de verzoe-

kende partij en advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De verzoekende partij is sinds 29 oktober 2013 erkend als rij-

school onder het nummer RS2707 overeenkomstig het koninklijk besluit van 11

mei 2004 „betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het be-

sturen van motorvoertuigen‟. M.M.A. is directeur van deze rijschool.

3.2. Op 11 december 2015 wordt door de inspectiedienst van het Vlaams Huis voor de Verkeersveiligheid een controle uitgevoerd bij de verzoe-

kende partij en worden verschillende inbreuken vastgesteld in verband met be-

kwaamheidsattesten. Zo kan van meerdere leerlingen geen inschrijvingskaart en evenmin een dagelijkse praktijkfiche worden voorgelegd.

3.3. Op 22 november 2016 beslist de Vlaamse minister van Mobili-

teit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn de erkenning van de verzoekende partij als rijschool en de directietoelating van de rijschooldi-

IX-9260-2/9

recteur te schorsen op grond van de artikelen 41 en 42 van het voornoemde ko-

ninklijk besluit van 11 mei 2004 en dit voor twee weken met ingang van 28 no-

vember 2016.

3.4. Op 9 juli 2017 en op 6 september 2017 wordt door de inspec-

tiedienst van het Vlaams Huis voor de Verkeersveiligheid opnieuw een controle uitgevoerd, respectievelijk op de oefenterreinen van de verzoekende partij en in het kantoor van de maatschappelijke zetel van de verzoekende partij. Tijdens die controles wordt vastgesteld dat de verzoekende partij op meerdere vlakken niet voldoet aan de eisen die worden voorgeschreven door het voornoemde koninklijk besluit van 11 mei 2004. Zo wordt vastgesteld dat twee instructeurs in de rijschool praktijkles geven aan kandidaten zonder evenwel als lesgever te zijn ingeschreven bij de verzoekende partij, dat door de rijschooldirecteur praktijkles wordt gegeven aan zes leerlingen op hetzelfde moment, dat het oefenterrein niet is afgesloten voor derden, dat de beginnende motorrijders geen beschermende kledij dragen en dat de kilometerstand van de voertuigen voor categorie A niet altijd zijn ingevuld.

3.5. Op 28 februari 2018 beslist de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn de erkenning van de verzoekende partij als rijschool en de instructie- en directietoelating van de rijschooldirecteur te schorsen voor één maand op grond van de artikelen 41 en 42

van het voornoemde koninklijk besluit van 11 mei 2004. De schorsing gaat in op 1 april 2018 en eindigt op 30 april 2018.

Dat is de bestreden beslissing.

IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-

stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of

IX-9260-3/9

het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-

zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

V. Uiterst dringende noodzakelijkheid

Uiteenzetting

5. De verzoekende partij motiveert de uiterst dringende noodzake-

lijkheid van haar vordering als volgt:

“Dat verzoeker echter de bestreden beslissing slechts ontving op datum van maandag 05.03.2018, Dat de bestreden beslissing inhoudt dat vanaf 01.04.2018 de erkenning van de rijschool van verzoeker wordt geschorst voor een periode van 1 maand alsmede wordt de instructie- en directietoelating van verzoeker geschorst voor een periode van 1 maand.

Dat het voorgaande volgens verzoeker duidelijk het beroep op deze uit-

zonderingsprocedure rechtvaardigt, te meer daar er ook geen twijfel kan bestaan wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel.

Aangezien verzoeker voldoende snel heeft gehandeld. De bestreden be-

slissing werd haar op datum van maandag 5 maart 2018 ter kennis gebracht. Vijf werkdagen later wordt onderhavig verzoekschrift neergelegd.

Aangezien er ook geen twijfel kan bestaan dat de uitvoering van de be-

streden beslissing op datum van 01.04.2018 (dus m.a.w. 25 dagen na ontvangst van de bestreden beslissing) een moeilijk te herstellen nadeel berokkent aan verzoeker, daar verzoeker vanaf 01.04.2018 geen enkele theoretische of prak-

tische lessenreeks mag geven, waardoor verzoeker geen inkomsten meer kan genereren wat gelet [haar] financiële verplichtingen tot het faillissement zal leiden.

Dat het in casu duidelijk is dat met een gewone schorsingsprocedure (met een uitspraak binnen 2 á 5 maanden) het moeilijk te herstellen nadeel niet kan worden vermeden.

Dat het de rechtspraak is van de Raad van State dat de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt gerechtvaardigd als de schade, zoals in casu, op een zeer korte termijn, onomkeerbaar wordt (R. v. St., nr. 45.768, 26 januari 1994).

Dat verzoeker op dit ogenblik niet over voldoende kapitaal beschikt om te wachten op een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure. De Raad van State heeft in dergelijke gevallen geoordeeld dat het beroep op de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dan gerechtvaardigd is (R. v. St., nr. 85.106, 3 februari 2000).

Dat, gelet het voorgaande, voldaan is aan de derde cumulatieve en succes-

sieve voorwaarde.

IX-9260-4/9

Het is dan ook gepast om de bestreden beslissing te schorsen bij uiterst dringende noodzakelijkheid.”

Daarnaast beroept de verzoekende partij zich nog op het moeilijk te herstellen ernstig nadeel – als één van de schorsingsvoorwaarden – dat door de bestreden beslissing wordt teweeggebracht. Zij licht dit toe als volgt:

“Het staat vast dat het nadeel dat voor verzoeker ontstaat door de bestreden beslissing ernstig is en een moeilijk te herstellen nadeel veroorzaakt, nl. dat verzoeker haar exploitatie dient te staken vanaf 01.04.2018.

Dat het voorgaande dan ook inhoudt dat verzoeker vanaf 01.04.2018 geen inkomsten meer kan verwerven.

Dat in dat geval verzoeker in zware financiële problemen dreigt terecht te komen, hetgeen tevens blijkt uit de verklaring, dd. 09.03.2018 van de heer Rik Monnens, zaakvoerder van Monnens en Partners BVBA, Erkend Boekhou-

der-fiscalist BIBF 70239215:

De impact van de onmiddellijke sluiting van Rijschool Maaseik BVBA

voornoemd, met als zaakvoerder Mouloud Abraïk, voor een langere pe-

riode, zal ernstige continuïteitsproblemen veroorzaken, gelet op de lopende afspraken en verplichtingen van de vennootschap.

Dat het voorgaande duidelijk maakt dat het wegvallen van de inkomsten ingevolge de beide schorsingen, zoals bepaald in de bestreden beslissing, tot gevolg zal hebben dat verzoeker geen inkomsten meer zal genereren en ver-

zoeker als dusdanig niet meer aan haar financiële verplichtingen zal kunnen voldoen met o[n]vermijdelijkerwijze het faillissement tot gevolg.

Dat in geval het voortbestaan van een onderneming op het spel blijkt te staan, er geen twijfel kan beslaan over het feit dat er sprake is van een moeilijk te herstellen nadeel (R.v.St., nr. 47.051, 28 april 1994. Arr. R. v. St., 1994), alsook wanneer de bestreden beslissing het zekere einde betekent van de ge-

plande economische activiteit (R.v.St., nr. 39.158, 3 april 1992; R.v.St., nr. 37.526, 12 augustus 1991).

Dat verzoekster tevens wenst te verwijzen naar de rechtspraak van de Raad van State waarin het feit dat de uitvoering van een bestreden administratieve beslissing of een in vereffeningstelling als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt erkend (R.v.St., nr. 57.028, 14 december 1995; R.v.St., nr. 59.245, 25 april 1996; R.v.St., nr. 59.846, 4 juni 1996).

Aangezien dat er ook rekening dient te worden gehouden met het nadeel dat wordt berokkend door het gedwongen ontslag van het personeel in geval van een faillissement van verzoeker.”

IX-9260-5/9

Beoordeling

6. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven.

Op de verzoekende partij die aldus meent een beroep te kunnen doen op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, rust te dezen de bewijslast dat zij bij het instellen van de vordering met de vereiste spoed en diligentie is opgetreden. Zij moet tevens aan de hand van precieze, pertinente en concrete gegevens aannemelijk maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen.

7. De voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is echter als schorsingsvoorwaarde verlaten sinds de hervorming van de schorsings-

procedure bij de wet van 20 januari 2014, die in werking is getreden op 1 maart 2014. Thans staan ter beoordeling van de Raad van State volkomen andere wette-

lijke voorwaarden, met name de uiterst dringende noodzakelijkheid bij de proce-

dure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De wettelijke draagwijdte van dit begrip is niet gelijk te stellen met de vereiste van “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” in de vroegere regelgeving. Door gewag te maken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, gaat de in dit verband aangehaalde uiteenzetting voorbij aan de hervorming, ondertussen reeds meer dan drie jaar geleden, van de schor-

singsprocedure.

8. De verzoekende partij heeft de vereiste spoed en diligentie aan de dag gelegd om de voorliggende vordering binnen een zo kort mogelijke termijn bij de Raad van State in te stellen.

IX-9260-6/9

9.1. Ter staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid voert de verzoekende partij aan dat zij ingevolge de schorsing van één maand, “geen enkele theoretische of praktische lessenreeks mag geven, waardoor [zij] geen inkomsten meer kan genereren wat gelet op haar financiële verplichtingen tot het faillissement zal leiden”.

Ter ondersteuning hiervan voegt zij een verklaring bij van R.M., erkend boekhouder-fiscalist en boekhouder van de verzoekende partij, luidende dat de “impact van de onmiddellijke sluiting van Rijschool Maaseik BVBA voor-

noemd, met als zaakvoerder [M.M.A.], voor een langere periode […] ernstige continuïteitsproblemen [zal] veroorzaken, gelet op de lopende afspraken en ver-

plichtingen van de vennootschap”. Daarnaast legt zij de rapporteringsbalans voor van het boekjaar 2016.

9.2. Het volstaat op zich niet om een financieel nadeel in te roepen om de uiterst dringende noodzakelijkheid van een zaak te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financiële nadeel een zodanige impact heeft dat een uit-

spraak volgens de gewone schorsingsprocedure niet kan worden afgewacht. Als bijzondere reden kan dan worden aangevoerd, de vaststelling dat de tenuitvoer-

legging van de bestreden beslissing het financieel evenwicht van de rechtspersoon ernstig in gevaar brengt met een risico op faillissement. Hierbij zij nogmaals op-

gemerkt dat dan van een verzoekende partij een concreet op haar situatie toege-

schreven uiteenzetting wordt verwacht.

9.3. In casu laat de verzoekende partij na om in haar verzoekschrift precieze, concrete en eenvoudig verifieerbare feitelijke gegevens aan te voeren die de beweerde acute dreiging aannemelijk maken. Zij zegt immers niets over haar inkomsten, noch over haar financiële verplichtingen. Zij toont niet met concrete gegevens aan dat zij niet de financiële middelen heeft om haar financiële ver-

plichtingen gedurende een maand te overbruggen. Het volstaat niet om ter onder-

steuning van haar betoog een rapporteringsbalans van het boekjaar 2016 voor te

IX-9260-7/9

leggen zonder dat in het verzoekschrift zelf een omstandige toelichting wordt gegeven. Evenmin volstaat in dat verband de voornoemde verklaring van de boekhouder van de verzoekende partij waarin geen enkel concreet zicht wordt gegeven op de financiële situatie van de verzoekende partij en die bovendien uit-

blinkt in vaagheid.

10. Uit wat voorafgaat volgt dat de uiterst dringende noodzakelijk-

heid niet kan worden aanvaard.

11. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn om de vordering tot schorsing van de tenuitvoer-

legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen.

VI. Kosten

12. In fine van haar nota vraagt de verwerende partij om de ver-

zoekende partij te veroordelen onder meer tot het betalen van de rechtsplegings-

vergoeding begroot op het basisbedrag van 700 euro te verhogen met 20% van dit bedrag “ingevolge de vordering van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid”.

13. In zoverre de verwerende partij vraagt om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verhogen met 20%, dient erop te worden gewezen dat de verhoging van de rechtsplegingsvergoeding met 20% overeenkomstig arti-

kel 67, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ slechts geldt als de vordering tot schorsing volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend wordt en gepaard gaat met een beroep tot nietigver-

klaring. Ze geldt niet bij een afzonderlijke vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid, zoals in casu.

IX-9260-8/9

Er kan dan ook niet worden ingegaan op de vraag van de ver-

werende partij om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding met 20% te ver-

hogen.

14. Uit het voorgaande volgt dat aan de verwerende partij de basis-

rechtsplegingsvergoeding van 700 euro dient te worden toegekend.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700

euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 20 maart 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Bruno Seutin

IX-9260-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.044