Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.043 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.043 Généré par l'IA

Belgian court dismisses appeal against court costs ruling while reopening debate on procedural standing issues.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.043
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Partiellement admis (Partially Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the portion of the annulment appeal targeting the investigating judge's refusal to accept specific expenses as court costs. The applicant argued that the appeal also covered the inability to proceed due to an unseated costs commission, but the court found this claim insufficiently substantiated. Consequently, the appeal was rejected regarding the costs ruling while the debate was reopened for the procedural standing issue.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 14 § 1 of the Council of State Rules; Article 93 of the Regent's Decision of 23 August 1948: An annulment appeal must clearly identify the specific administrative act challenged; if the appeal conflates distinct issues like a costs ruling with procedural impediments, the court may dismiss the specific claim while reopening the debate on the remaining procedural questions.

Mots-clés

Généré par l'IA
annulment appeal court costs ruling procedural standing investigating judge Council of State Rules frais bancaires frais de véhicule à moteur frais de poursuite

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 14 § 1 of the Council of State Rules
Article 93 of the Regent's Decision of 23 August 1948
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 241.043 van 20 maart 2018

in de zaak A. 223.494/IX-9151

In zake : de BVBA ’T LOZERHOF

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris De Tollenaere kantoor houdend te 8500 Kortrijk Gentsesteenweg 214

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep tot nietigverklaring, ingesteld op 21 september 2017, is gericht tegen “een beschikking overeenkomstig K.B. 28 december 1950 van […]

de Onderzoeksrechter [V.W.], met standplaats te Gent, waarbij een verzoek tot betaling van gerechtskosten aan derden werd afgewezen en tegen het feit dat de ingestelde beroepsprocedure geen doorgang kan vinden gelet op de onmogelijkheid van de beroepscommissie om te zetelen bij gebreke aan verkozen leden van de zetel”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.

IX-9151-1/7

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december 2017.

Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Joris De Tollenaere, die verschijnt voor de verzoekende partij en attaché Anja Billooye die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De verzoekende partij is eigenaar van een manege waar paarden worden gestald door een klant, namelijk Performaxx LLP.

De eigenaars van deze paarden zouden verwikkeld zijn in een gerechtelijk onderzoek geleid door de onderzoeksrechter te Gent. Omwille van die procedure wordt op de paarden bij de verzoekende partij “strafrechtelijk beslag”

gelegd.

3.2. De verzoekende partij stuurt aan de onderzoeksrechter een factuur van 25 april 2017 ten bedrage van 32.570,78 euro voor kosten van stalling en onderhoud van de paarden voor het jaar 2016, voor de huur van de zadelkamer en voor de huur van de staanplaats van een vrachtwagen.

3.3. Bij een “beschikking overeenkomstig K.B. 28 december 1950

(Gerechtskosten)” van 30 juni 2017 weigert de onderzoeksrechter te Gent om de

IX-9151-2/7

gevraagde kosten als gerechtskosten te aanvaarden. Deze beschikking luidt als volgt:

“[…]

Overwegende dat in voormeld dossier aan ons ambt de factuur nr. d.d.

25 april 2017 (als bijlage aan de brief van Mr. De Tollenaere dd. 10 mei)

uitgaande van BVBA ’t Lozerhof tot beloop van 32.570,78 EUR werd overgemaakt, voor kosten van stalling en onderhoud paarden 2016, huur zadelkamer en huur staanplaats camion.

Overwegende dat de aangerekende kosten geen gerechtskosten uitmaken.

Dat immers door mijn ambt drie paarden onder mobiel beslag werden gesteld. Deze dieren bevonden zich bovendien reeds voordien bij de BVBA

’t Lozerhof, dewelke reeds geruime tijd instond voor hun onderhoud, op vraag van de vermeende eigenaars. Aan de eigenaars – zowel als aan de stalhouder –

werd destijds meegedeeld dat deze paarden onder mobiel beslag stonden, dat er derhalve nog mocht mee gereden worden, en dergelijke meer, met dien verstande dat er wel een vervreemdingsverbod op rustte.

Gelet op dit mobiele beslag, meent mijn ambt dat er geen sprake is van gerechtskosten, doch dat deze kosten ten laste vallen/vielen van de vermeende eigenaars, die deze paarden daar initieel ook onderbrachten.

Op datum van 23 februari 2017 werd door mijn ambt een beschikking gemaakt, met de toelating de paarden te vervreemden, en werden deze – in samenwerking met het COIV – overgebracht naar een andere stalling. Op dit moment werd het mobiele beslag omgezet in een effectief beslag en van dan af konden de stallingskosten – bij een andere stalhouder op vraag van mijn ambt, in samenwerking met het COIV, als gerechtskosten worden beschouwd.

Hetzelfde geldt ten aanzien van de vrachtwagen, die eveneens onder mobiel beslag stond – en nog steeds staat, en er enkel en alleen gestald is op vraag van de vermeende eigenaars.

Ten overvloede dient gesteld te worden dat de zadels, hoofdstellen en dergelijke meer door mijn ambt nooit onder beslag werden gesteld, zodat ook deze kosten in geen geval gerechtskosten kunnen uitmaken.

Gelet op deze elementen meent mijn ambt dat de gevraagde kosten geen gerechtskosten uitmaken.

OM DEZE REDENEN, Wij, [M.V.W.], onderzoeksrechter te Gent, Wijst de vraag om deze kosten als gerechtskosten te beschouwen af als ongegrond.”

3.4. Op 29 augustus 2017 stelt de verzoekende partij een beroep in bij de Commissie voor de Gerechtskosten tegen de beslissing van de onderzoeksrechter te Gent van 30 juni 2017.

IX-9151-3/7

3.5. Met een brief van 5 september 2017 deelt de dienst Gerechtskosten van de federale overheidsdienst Justitie het volgende mee:

“Ik verwijs naar uw brief van 29/8 jl. waarmee u beroep bij de Commissie voor de gerechtskosten wenst aan te tekenen tegen de beschikking van […] de onderzoeksrechter [V.W.], met standplaats te Gent, inzake het beslag op en de kosten voor stalling en onderhoud van paarden toebehorend aan de Engelse rechtspersoon [P.] LLP.

Hoewel de programmawet van 22/12/06 inderdaad voorziet in de mogelijkheid beroep in te stellen tegen de beslissing van de vorderende magistraat om een ingediende staat van kosten en erelonen al dan niet te begroten of het gevraagde bedrag te verminderen, is deze mogelijkheid sinds een jaar de facto niet meer beschikbaar voor de belanghebbenden.

De wet bepaalt dat de voorzitter en de leden van de Commissie voor de gerechtskosten door de Koning worden benoemd voor een hernieuwbare periode van twee jaar. Het mandaat van de voorzitter en alle leden was ten einde in september 2016 en er is geen nieuwe Commissie benoemd. De voorbereidende stappen daartoe van de administratie hebben geen verder gevolg gekend.

Het is niet langer de intentie van de minister en de regering om nog een nieuwe Commissie samen te stellen. Integendeel, de intentie bestaat om de wet op dit punt te wijzigen. Dit betekent dat u in de praktijk geen gebruik meer kunt maken van het door de wet ingestelde rechtsmiddel. Omdat er in het administratief recht geen fundamenteel recht op hoger beroep bestaat, hebt u geen andere mogelijkheid dan een gewoon administratief beroep bij de Raad van State in te stellen tegen de bestreden beschikking.

Mocht u verkiezen dit niet te doen, of mocht er nog geen uitspraak zijn over een eventueel beroep bij de Raad van State, dan komt u wel in aanmerking voor de nieuwe procedure, wanneer die zal zijn ingevoerd.”

IV. Korte debattenprocedure

Exceptie

4. Het auditoraat is van oordeel dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om als annulatierechter kennis te nemen van het beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de onderzoeksrechter te Gent van 30 juni 2017. Eventuele problemen bij de samenstelling van de Commissie voor de Gerechtskosten kunnen volgens de auditeur-verslaggever, er niet toe leiden dat tegen een beschikking van de onderzoeksrechter omtrent de gerechtskosten een annulatieberoep openstaat in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde

IX-9151-4/7

wetten op de Raad van State. Er wordt dan ook voorgesteld om het beroep te verwerpen.

Beoordeling

5.1. Bij artikel 5, § 1, van de Programmawet (II) van 27 december 2006 heeft de wetgever de Commissie voor de Gerechtskosten ingesteld als een administratief rechtscollege in de zin van de artikelen 146 en 161 van de Grondwet, dat “kennis neemt van de beroepen ingesteld tegen de beslissingen van de taxerende magistraat en de minister van Justitie inzake het bedrag van de gerechtskosten”.

Tegen een beslissing van een taxerende magistraat dient dan ook beroep te worden ingesteld bij de Commissie voor de Gerechtskosten.

5.2. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling Bestuursrechtspraak uitspraak, bij wijze van arresten, over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Zij treedt daarbij niet in de beoordeling van de zaken zelf.

De Raad van State neemt derhalve enkel als administratieve cassatierechter kennis van een cassatieberoep ingesteld tegen een beslissing van de Commissie voor de Gerechtskosten. De Raad van State kan dan ook geen kennis nemen van een annulatieberoep dat is ingesteld tegen een beslissing van een taxerende magistraat en waartegen de wetgever in een jurisdictioneel beroep heeft voorzien bij de voormelde Commissie voor de Gerechtskosten.

5.3. In de mate dat het beroep gericht is tegen de “beschikking overeenkomstig K.B. 28 december 1950 (Gerechtskosten)” van 30 juni 2017 van

IX-9151-5/7

de onderzoeksrechter te Gent waarbij geweigerd wordt om de “gevraagde kosten”

als gerechtskosten te aanvaarden, valt de Raad van State het standpunt van het auditoraat bij dat het beroep onontvankelijk is en met korte debatten kan worden afgedaan.

6.1. Evenwel, luidens de bewoordingen van het verzoekschrift is het annulatieberoep gericht tegen “een beschikking overeenkomstig K.B. 28 december 1950 van mevrouw de Onderzoeksrechter [V.W.], met standplaats te Gent, waarbij een verzoek tot betaling van gerechtskosten aan derden werd afgewezen en tegen het feit dat de ingestelde beroepsprocedure geen doorgang kan vinden gelet op de onmogelijkheid van de beroepscommissie om te zetelen bij gebreke aan verkozen leden van de zetel”.

De verzoekende partij verantwoordt haar keuze om een beroep tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in te stellen als volgt:

“Dat verzoekster tegen deze beslissing hoger beroep aantekende bij de commissie gerechtskosten, commissie opgericht onder FOD JUSTITIE, specifiek bedoeld om deze beroepen te behandelen.

Dat de ambtenaar, de heer [F.I.], evenwel meldde dat de commissie niet meer is samengesteld en dat aldus de beroepsprocedure bij de nochtans bevoegde commissie niet kan worden behandeld bij gebreke aan samenstelling van de zetel;

Dat anderzijds tegen de bestreden administratieve rechtshandeling beroep voor de Raad van State openstaat;

Dat de termijn van 60 dagen voor het instellen van een annulatieberoep in acht is genomen, startende op het ogenblik dat de beroepscommissie meldde dat zij niet kon zetelen bij gebreke aan verkozen rechters;”

6.2. Deze omschrijving van het voorwerp van het beroep en de voormelde verantwoording ervan, doen twijfel rijzen of het annulatieberoep ook geacht moet worden gericht te zijn tegen de weigering van de minister van Justitie om de Commissie voor de Gerechtskosten samen te stellen.

IX-9151-6/7

Deze vraag heeft in het auditoraatsverslag geen aandacht gekregen.

6.3. Hieruit volgt dat de zaak in zoverre niet kan worden afgedaan met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Regent van 23 augustus 1948.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep in de mate dat het is gericht tegen de “beschikking overeenkomstig K.B. 28 december 1950 (Gerechtskosten)”

van 30 juni 2017 van de onderzoeksrechter te Gent waarbij geweigerd wordt om de “gevraagde kosten” als gerechtskosten te aanvaarden.

2. De Raad van State heropent het debat voor het overige.

3. De zaak wordt verwezen naar de gewone rechtspleging.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 20 maart 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Bruno Seutin

IX-9151-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.043