ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.010 · Conseil d'État
Synthèse Legislator
Généré par l'IAHet beroep, ingesteld op 22 december 2015, strekt tot de nietigverklaring van: (3) het besluit van de gemeenteraad houdende goedkeuring van de ontwerp-overeenkomst (GR/2015/183).”
Regeste Legislator
Généré par l'IAECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.010 · Conseil d'État: Verzoekers betogen dat het college van burgemeester en schepenen zich, in strijd met het bepaalde in artikel 4.2.25 VCRO, voorafgaandelijk aan de bestreden beslissingen van de gemeenteraad niet principieel heeft uitgesproken over de verkavelingsvergunning, minstens dat dit niet valt af te leiden uit de bestreden gemeenteraadsbeslissingen, hetgeen strijdig is met de motiveringsplicht. Zij benadrukken de volgorde van bevoegdheden, waarbij er eerst een principieel akkoord over de (mogelijkheid tot) goedkeuring dient te bestaan vanwege het college van burgemeester en schepenen alvorens de gemeenteraad zijn bevoegdheid op het vlak van de wegen kan uitoefenen. De gemeenteraad heeft aldus, in strijd met artikel 4.2.25 VCRO, buiten zijn bevoegdheid gehandeld.
Mots-clés
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 241.010 van 13 maart 2018
in de zaak A. 217.919/X-16.456.
In zake : 1. Herman KEYAERTS
2. Ann VAN DEN BOSSCHE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat John Toury kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Jean Baptiste Nowélei 13
bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
de GEMEENTE ZAVENTEM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Leo Goovaerts kantoor houdend te 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe Kerselarenlaan 118
Tussenkomende partij :
de NV MATEXI VLAAMS-BRABANT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 22 december 2015, strekt tot de nietigverklaring van:
“(1) het besluit van de gemeenteraad van Zaventem dd 26 oktober 2015
houdende de goedkeuring van het tracé der wegenis/rooilijnplan in de verkaveling zoals ingediend door Matexi Vlaams-Brabant (GR/2015/182), (2) het besluit van de gemeenteraad van Zaventem dd 26 oktober 2015
houdende de goedkeuring van het technisch dossier tot het uitvoeren van straat en rioolwerken in de verkaveling ‘Matexi’ (GR/2015/184) en
X-16.456-1/16
(3) het besluit van de gemeenteraad houdende goedkeuring van de ontwerp-overeenkomst (GR/2015/183).”
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
De nv Matexi Vlaams-Brabant heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 7 maart 2016. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld.
Verzoekers, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2017.
Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.
Advocaat John Toury, die verschijnt voor verzoekers, advocaat Dries Beckers, die loco advocaat Leo Goovaerts verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Bert Van Herreweghe, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
X-16.456-2/16
III. Feiten
3. Verzoekers zijn bewoners en eigenaar van een woning met tuin, gelegen te Zaventem, Voskapelstraat 46, kadastraal bekend sectie C, nr. 41/h2.
4. Op 13 maart 2015 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zaventem een verkavelingsaanvraag in met het oog op de ontwikkeling van het binnengebied gelegen achter het perceel van verzoekers, Voskapelstraat zn, kadastraal bekend sectie C, perceelnummers 40/f, 40/e, 43/f, 41/c2, 23, 22/a en 42/k2.
Na het openbaar onderzoek met betrekking tot deze aanvraag, ter gelegenheid waarvan verzoekers een bezwaarschrift indienen, trekt de tussenkomende partij deze aanvraag in.
5. Op 12 augustus 2015 dient de tussenkomende partij met betrekking tot het binnengebied een gewijzigde verkavelingsaanvraag in voor 50 loten of 73 wooneenheden met de bijhorende infrastructuur tot ontsluiting van deze loten.
De verkaveling is opgevat als een woonerf, bestaande uit 43 eengezinswoningen en drie meergezinswoningen met 30 wooneenheden, waarbij enkel bestemmingsverkeer mogelijk is via de Voskapelstraat.
Enkel voetgangers, fietsers en eventueel de hulpdiensten kunnen de verkaveling bereiken via een fietspad dat aansluit op de Mechelsesteenweg (N227).
Ter verduidelijking volgt hierna een schematisch overzicht van de toestand ter plaatse.
X-16.456-3/16
6. Omtrent de laatstgenoemde aanvraag worden meerdere adviezen uitgebracht, waaronder een voorwaardelijk gunstig advies van het agentschap Wegen en Verkeer. In dit advies, verleend op 14 augustus 2015, wordt onder meer de volgende bijzondere voorwaarde gesteld:
“Het fietspad richting de N227 moet fysisch ontoegankelijk zijn voor motorvoertuigen”.
7. Omtrent de laatstgenoemde aanvraag wordt een openbaar onderzoek gehouden van 18 augustus 2015 tot 16 september 2015.
Naar aanleiding van dit openbaar onderzoek dienen verzoekers een bezwaarschrift in waarin zij onder meer stellen dat “een ontsluiting langs de Mechelsesteenweg een veel logischer alternatief vormt”.
8. Op 26 oktober 2015 keurt de gemeenteraad van de gemeente Zaventem met twee afzonderlijke besluiten, enerzijds, het tracé van de wegenis in de verkaveling en, anderzijds, het technisch dossier tot het uitvoeren van de straat- en rioolwerken, goed. Dit zijn respectievelijk het eerste en het tweede bestreden besluit.
X-16.456-4/16
In dezelfde zitting van de gemeenteraad wordt eveneens de ontwerpovereenkomst goedgekeurd die gesloten zal worden met de tussenkomende partij. Dit is het derde bestreden besluit.
9. Op 4 januari 2016 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zaventem de gevraagde verkavelingsvergunning.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
10. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid op wegens het ontbreken van het vereiste belang. De verwerende partij stelt dat het gebied, waarbinnen de verkaveling “Matexi” gelegen is, door het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Vlaams Strategisch Gebied rond Brussel” werd herbestemd van agrarisch gebied naar een gebied bestemd voor wonen en aan wonen verwante activiteiten en voorzieningen. De wijziging van de landelijke rust ten gevolge van een ontsluitingsweg kan dan ook niet als een rechtmatig belang worden aangewend.
Verder werpt de verwerende partij op dat verzoekers wel stellen dat het tracé der wegen een grotere toename van de dagdagelijkse files zal teweeg brengen, maar dit niet aantonen. Het tegendeel blijkt volgens haar uit de mobiliteitsstudie, waaruit ook blijkt dat heden ten dage er zich geen kennelijk onredelijk fileprobleem vormt. De grootste mobiliteitsimpact is te wijten aan het doorgaand verkeer en niet aan het bestemmingsverkeer van de nieuw te ontwikkelen verkaveling. Verder blijkt uit de mobiliteitsstudie dat het genereren van verkeer ten gevolge van de woonontwikkeling op de verkaveling “Matexi” niet tot capaciteitsproblemen zal leiden en dat er geen problemen verwacht worden, zelfs niet indien het smalle gabariet van de Voskapelstraat in rekening wordt gebracht.
De bestreden beslissingen kunnen dan ook “geen invloed […] hebben op de nadelen die verzoekende partijen vermeend zouden ondervinden” en de vernietiging zal hen evenmin voordeel bijbrengen.
11. Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord onder meer dat hun woning slechts enkele meters verwijderd is van het punt waarop de
X-16.456-5/16
wegenis aansluit op de Voskapelstraat, zodat niet redelijk betwist kan worden dat ze door deze aansluiting – die quasi langsheen hun woning loopt – evenals door de wegenis zelf hinder zullen ondervinden. De reeds bestaande verkeersdrukte zal door de ontsluiting van de verkaveling toenemen. De verkaveling die de tussenkomende partij ter plaatse wil realiseren, betekent het einde van de landelijke rust in het gebied. Verder werpen verzoekers nog op dat de mobiliteitsstudie zoals die door de tussenkomende partij in het dossier werd uitgevoerd, bezwaarlijk als objectief beschouwd kan worden. De cijfers daarvan zijn onrealistisch en hebben in grote mate betrekking op de Mechelsesteenweg en niet op de Voskapelstraat.
Beoordeling
12. Verzoekers zijn eigenaar en bewoner van een huis in de onmiddellijke nabijheid van het bestreden wegtracé, dat de enige ontsluiting vormt van een verkavelingsproject met 50 loten of 73 wooneenheden. Gelet op de mogelijke mobiliteitsimpact op de woon- en leefomgeving van verzoekers, doen zij blijken van het vereiste belang bij de nietigverklaring.
13. De exceptie wordt verworpen.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
14. Verzoekers leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 4.2.25 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), van artikel 42, § 1, juncto 2, van het gemeentedecreet van 15 juli 2005, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 ‘betreffende de openbare onderzoeken over
X-16.456-6/16
aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsaanvragen en aanvragen tot verkavelingswijziging’ (hierna: het besluit van 5 mei 2000), alsook uit de schending van het legaliteitsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Verzoekers betogen dat het college van burgemeester en schepenen zich, in strijd met het bepaalde in artikel 4.2.25 VCRO, voorafgaandelijk aan de bestreden beslissingen van de gemeenteraad niet principieel heeft uitgesproken over de verkavelingsvergunning, minstens dat dit niet valt af te leiden uit de bestreden gemeenteraadsbeslissingen, hetgeen strijdig is met de motiveringsplicht. Zij benadrukken de volgorde van bevoegdheden, waarbij er eerst een principieel akkoord over de (mogelijkheid tot) goedkeuring dient te bestaan vanwege het college van burgemeester en schepenen alvorens de gemeenteraad zijn bevoegdheid op het vlak van de wegen kan uitoefenen. De gemeenteraad heeft aldus, in strijd met artikel 4.2.25 VCRO, buiten zijn bevoegdheid gehandeld.
15. In hun memorie van wederantwoord schrijven verzoekers dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord bezwaarlijk kan stellen dat de gemeente Zaventem zich op 16 februari 2015 “principieel akkoord” verklaarde met de verkavelingsaanvraag van Matexi, nu deze pas op 12 augustus 2015 werd ingediend. Volgens de memorie van wederantwoord kan het gegeven dat er enig “principieel akkoord” zou bestaan hebben (quod non) omtrent een andere (eerder ingediende) aanvraag van Matexi die nadien werd ingetrokken, geen weerslag hebben op de beoordeling van de aanvraag van 12 augustus 2015 waarop de bestreden beslissingen betrekking hebben. Alleen al hierdoor geeft de verwerende partij volgens verzoekers toe dat er geen voorafgaandelijk uitdrukkelijk oordeel bestond aangaande de verkavelingsaanvraag van 12 augustus 2015.
Verder kunnen noch het verslag van een werkgroep verkeer, noch het verslag van een commissievergadering ruimtelijke ordening volgens verzoekers als “oordeel” in de zin van artikel 4.2.25 VCRO gelden, nu ze geenszins formele beslissingen van het college van burgemeester en schepenen
X-16.456-7/16
betreffen, doch wel vergaderingen en/of commissies waarbij een schepen aanwezig was. Om dezelfde reden dient te worden vastgesteld dat het college van burgemeester en schepenen evenmin werd “gehoord”, zoals in de bestreden beslissingen wordt gesteld: een commissievergadering en een vergadering van de werkgroep verkeer kunnen immers niet gelijkgesteld worden met het “horen van het college van burgemeester en schepenen” over een verkavelingsaanvraag met wegenis. Verzoekers merken daarbij nog op dat ook de vergadering van de werkgroep verkeer plaatsvond vóór de indiening van de betrokken verkavelingsaanvraag.
Verzoekers zijn van oordeel dat de verwerende partij de draagwijdte van artikel 4.2.25 VCRO inperkt door aan te nemen dat de bevoegdheid op het vlak van de wegen door de gemeenteraad kan worden uitgeoefend in de mate dat het college van burgemeester en schepenen zich niet tegen de vergunningsaanvraag verzet. Zij benadrukken dat artikel 4.2.25 VCRO
een formeel (en positief) oordeel van het college van burgemeester en schepenen vereist.
16. In de laatste memorie stellen verzoekers dat het loutere feit dat het college van burgemeester en schepenen de agenda van de gemeenteraadszitting heeft goedgekeurd, onvoldoende is om te oordelen dat aan de vereisten van artikel 4.2.25 VCRO is voldaan. Door goedkeuring te verlenen aan de agenda van de gemeenteraad, heeft het college van burgemeester en schepenen immers nog niet geoordeeld dat de vergunning kan worden verleend, zoals vereist door het voormelde artikel.
Beoordeling
17. Artikel 4.2.25, eerste lid, VCRO, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden besluiten, bepaalde wat volgt:
“Als de vergunningsaanvraag wegeniswerken omvat waarover de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft, en het vergunningverlenende bestuursorgaan oordeelt dat de vergunning kan worden verleend, neemt de gemeenteraad een beslissing over de zaak van de wegen, alvorens het
X-16.456-8/16
vergunningverlenende bestuursorgaan een beslissing neemt over de vergunningsaanvraag.”
18. Het uitgangspunt van het middel is dat in het vorige randnummer geciteerde bepaling vereist dat, voorafgaand aan de beslissing van gemeenteraad over de zaak van de wegen, het college van burgemeester en schepenen zich – met de woorden van de memorie van wederantwoord – in een “formele beslissing” “principieel akkoord [met] de verkavelingsaanvraag” zou verklaren.
19. In de onderhavige zaak blijkt uit het administratief dossier dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zaventem op 12 oktober 2015 de agendering van de kwestieuze zaak van de wegen op de gemeenteraadszitting van 26 oktober 2015 heeft goedgekeurd.
Aldus blijkt impliciet, maar zeker, dat dit college geoordeeld heeft dat de vergunning kan worden verleend, waarmee de in randnummer 17
geciteerde bepaling is nageleefd.
Uit het voorgaande volgt dat het uitgangspunt van verzoekers onjuist is.
20. Het op een onjuist uitgangspunt gesteunde middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
21. In het tweede middel voeren verzoekers de schending aan van artikel 10 van het besluit van 5 mei 2000, evenals van het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
X-16.456-9/16
Verzoekers zetten uiteen dat het eerste bestreden besluit “quasi geen enkele motivering” bevat zodat zij geenszins de feitelijke en juridische overwegingen kennen die tot de beslissing hebben geleid, hoewel de gemeenteraad een gemotiveerd besluit over de zaak van de wegen moet nemen.
De gemeenteraad mag zich bij de goedkeuring van het tracé niet enkel beperken tot de goedkeuringshandeling zelf, maar dient daadwerkelijk aan te geven wat de feitelijke en juridische overwegingen zijn die aan de basis liggen van de genomen beslissing.
Verzoekers hernemen de bezwaren die zij tijdens het openbaar onderzoek hebben geformuleerd. Ze stellen hierop geen antwoord terug te vinden, zodat zij niet kunnen vaststellen of de gemeenteraad er daadwerkelijk kennis van heeft genomen. Ten onrechte wordt in het eerste bestreden besluit gesteld dat er aangaande de zaak van de wegen en de rooilijnen geen opmerkingen en/of bezwaren werden geformuleerd. Hun bezwaren dienden in de gemeenteraadsbeslissing tot goedkeuring van het tracé der wegenis aan bod te komen, minstens diende uit deze beslissing te kunnen worden afgeleid dat de gemeenteraad van deze bezwaren kennis heeft genomen.
Specifiek met betrekking tot het tweede bestreden besluit houdende goedkeuring van het technisch dossier merken verzoekers op dat in dat besluit melding wordt gemaakt van elf bezwaarschriften, terwijl er in het eerste bestreden besluit melding wordt gemaakt van achttien bezwaren. De vraag stelt zich dan ook of de gemeenteraadsbeslissing tot goedkeuring van het technisch dossier melding maakt van een “ander” openbaar onderzoek dat gehouden zou zijn op een niet nader bepaald tijdstip, waarvan zij geen weet hebben. Voorts stellen verzoekers vast dat blijkens dit besluit een aantal bezwaarschriften ontvankelijk werden verklaard die handelen over de ontsluiting/impact van de wegenis, aanleg van een verkeersplateau, het aantal parkeerplaatsen en de aansluiting van de riolering en dit telkens in relatie met de Voskapelstraat. Deze bezwaren dienden echter niet behandeld te worden naar aanleiding van de goedkeuring van het technisch dossier, doch wel in de beslissing waarbij
X-16.456-10/16
daadwerkelijk over de zaak van de wegen werd beslist. Bezwaren aangaande de ontsluiting/impact van de wegenis, evenals van het aantal parkeerplaatsen en het verkeersplateau hebben niets te maken met de goedkeuring van het technisch dossier en kunnen deze beslissing in geen enkel geval schragen. Van feitelijk en juridisch draagkrachtige motieven is dan ook geen sprake.
Tot slot merken verzoekers nog op dat het tweede bestreden besluit stelt dat de ontsluiting dient te gebeuren via de Voskapelstraat omdat dit een expliciete vereiste vormt naar aanleiding van het te volgen advies van het agentschap Wegen en Verkeer, terwijl dit helemaal niet blijkt uit het advies van deze administratie van 14 augustus 2015.
22. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat de verwerende partij niet antwoordt op de kritiek dat ten onrechte werd gesteld dat geen enkel van de achttien bezwaren over het tracé der wegenis of de rooilijn handelde.
Met betrekking tot de door de verwerende partij aangehaalde materiële vergissing aangaande het aantal ingediende bezwaarschriften, menen verzoekers dat dit gegeven alleen reeds aantoont dat de bestreden beslissingen op een onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.
In de mate dat met de verwerende partij zou worden aangenomen dat het in casu over een eenheid gaat waarvan de motivering in de ene beslissing mutatis mutandis moet gelden voor de andere beslissing, valt niet in te zien waarom er drie onderscheiden beslissingen dienden te worden genomen en de motiveringen van deze drie beslissingen mekaar tegenspreken. Verzoekers merken op dat het opvallend is dat net de gemeenteraadsbeslissing die formeel gaat over de goedkeuring van het tracé der wegen stelt dat er geen bezwaren over de rooilijn of het tracé der wegenis zouden zijn, terwijl de beslissing over de goedkeuring van het technisch dossier uitdrukkelijk stelt dat de bezwaarschriften handelen over de ontsluiting/impact van de wegenis, de aanleg van een verkeersplateau en het aantal parkeerplaatsen binnen het openbaar domein van de
X-16.456-11/16
nieuwe verkaveling. In de mate dat er drie onderscheiden beslissingen werden genomen aangaande de wegenis van de verkaveling, dienden deze drie onderscheiden beslissingen alle te voldoen aan het zorgvuldigheidsbeginsel, evenals aan het materiëlemotiveringsbeginsel en in het bijzonder aan artikel 10
van het besluit van 5 mei 2000. Van een eenheid aan motivering kan niet worden uitgegaan.
Wat betreft het advies van het agentschap voor Wegen en Verkeer van 14 augustus 2014, stellen verzoekers vast dat hierin niet valt te lezen wat de verwerende partij meent te kunnen vaststellen. Dit advies heeft het enkel over het feit dat het fietspad richting N227 ontoegankelijk dient te zijn voor motorvoertuigen, doch nergens valt er in te lezen dat de nog te ontwikkelen handelszaak dient te ontsluiten op de Mechelsesteenweg, laat staan dat er in te lezen valt dat de verkaveling Matexi dient te ontsluiten op de Voskapelstraat.
Verzoekers besluiten dat van enig zorgvuldig voorbereide rechtshandeling geen sprake is, minstens dat de gemeenteraadsbeslissingen feitelijk niet correct en alleszins onzorgvuldig werden gemotiveerd.
23. In de laatste memorie voeren verzoekers aan dat zij in hun bezwaarschrift wel degelijk bezwaren hebben geformuleerd aangaande het wegtracé. Ze kunnen niet instemmen met de stelling dat de drie beslissingen als één geheel dienen te worden beschouwd, nu het over drie afzonderlijke rechtshandelingen gaat die elk afzonderlijk aanvechtbaar zijn. Volgens verzoekers kan het niet dat voor de expliciete motivering van het gemeenteraadsbesluit houdende goedkeuring van het tracé van de wegenis dient te worden gekeken naar de motivering van het besluit houdende goedkeuring van het technisch dossier.
Beoordeling
24. Zoals bevestigd wordt in de artikelen 2 en 42 van het Gemeentedecreet beschikt de gemeenteraad over de volheid van bevoegdheid
X-16.456-12/16
voor aangelegenheden van gemeentelijk belang, waaronder de zaak van de wegen bedoeld in artikel 4.2.25, eerste lid, VCRO.
Onder de zaak van de wegen wordt het bepalen van het tracé van de wegen, alsook de uitrusting ervan verstaan.
Artikel 10 van het besluit van 5 mei 2000 stelde toentertijd dat in geval van een vergunningsaanvraag die wegeniswerken omvat als vermeld in artikel 4.2.25 VCRO, de gemeenteraad een gemotiveerd besluit over de zaak van de wegen neemt.
Uit de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren volgt de verplichting om de ingediende bezwaren met gepaste zorgvuldigheid te onderzoeken en, wanneer ze niet worden gevolgd, om afdoende te laten begrijpen waarom dat niet het geval is. Indien een bezwaarindiener op zijn bezwaar geen rechtstreeks antwoord krijgt, moet hij dit antwoord vinden in een algemene stellingname die begrijpelijk op het bezwaar van toepassing is, hetzij in een antwoord op een bezwaar of opmerking van een andere bezwaarindiener of op een advies van een overheidsinstantie.
25. In de onderhavige zaak moeten het eerste bestreden besluit en het tweede bestreden besluit, die allebei verband houden met dezelfde zaak van de wegen, aanzien worden als één geheel vormend. Deze twee besluiten dienen dan ook in samenhang met elkaar gelezen te worden.
26.1. Verzoekers vinden, zoals de andere bezwaarindieners, het antwoord op hun bezwaar terug in het tweede bestreden besluit. Uit dit besluit blijkt dat de gemeenteraad daadwerkelijk kennis heeft genomen van de bezwaren en opmerkingen die in het raam van het openbaar onderzoek werden geformuleerd.
X-16.456-13/16
26.2. Dat, enerzijds, in het eerste bestreden besluit wordt vermeld dat tijdens het openbaar onderzoek “18 bezwaren werden ingediend” en, anderzijds, in het tweede bestreden besluit wordt vermeld dat tijdens het openbaar onderzoek “elf bezwaarschriften werden ingediend”, wijst – anders dan verzoekers dit zien –
niet op enige tegenstrijdigheid of op het feit dat er sprake zou zijn van twee verschillende openbare onderzoeken. Uit het administratief dossier blijkt immers dat tijdens het van 18 augustus 2015 tot 16 september 2015 gehouden openbaar onderzoek door achttien personen bezwaren werden ingediend, en dit in elf onderscheiden bezwaarschriften.
26.3. Omtrent het bezwaar tegen de ontsluiting voor motorvoertuigen langs de Voskapelstraat en niet langs de Mechelsesteenweg (N227) wordt in het tweede bestreden besluit het volgende gesteld:
“Overwegend dat de ontsluiting van de verkaveling via de Voskapelstraat een expliciete vereiste vormt naar aanleiding van het te volgen advies van de administratie Wegen en Verkeer omdat een bijkomend kruispunt op de gewestweg functioneel niet wenselijk en geschikt wordt geacht gelet op de nabijheid van het kruispunt met de Voskapelstraat;
Overwegende dat het verkeersplateau dat voorzien wordt in de Voskapelstraat een expliciete vereiste vormt, op advies van de politie, opdat de nieuwe wegenis op een verkeersveilige manier kan ontsluiten op de Voskapelstraat;
[...]”.
De stukken van het administratief dossier bevestigen dat de agentschap Wegen en Verkeer er zich, gelet op de nabijheid van het kruispunt met de Voskapelstraat, tegen verzet heeft dat de nieuwe verkaveling voor motorvoertuigen zou ontsluiten op de gewestweg N227. In lijn met dit verzet heeft dit agentschap in haar advies als bijzondere voorwaarde gesteld dat het fietspad richting de N227 fysisch ontoegankelijk moet zijn voor motorvoertuigen.
Verzoekers laten na om het inhoudelijk argument dat in het tweede bestreden besluit is aangehaald om de aansluiting voor motorvoertuigen op de N227 te verwerpen, meer bepaald “de nabijheid van het kruispunt met de Voskapelstraat”, te bekritiseren.
X-16.456-14/16
26.4. Verzoekers overtuigen er niet van dat het tweede bestreden besluit niet afdoende zou laten begrijpen waarom hun bezwaarschrift niet wordt gevolgd.
27. Gelet op het voorgaande is de enkele omstandigheid dat in het eerste bestreden besluit ten onrechte is gesteld dat geen enkel bezwaar handelt over de rooilijn of over het tracé der wegenis niet van aard de bestreden besluiten te vitiëren.
28. Het tweede middel is ongegrond.
VI. Rechtsplegingsvergoeding
29. In zoverre de tussenkomende partij een rechtsplegings-
vergoeding vordert, wordt erop gewezen dat zij, overeenkomstig het uitdrukkelijk bepaalde in artikel 30/1, § 2, laatste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, niet voor deze vergoeding in aanmerking komt.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoekers worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
X-16.456-15/16
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 maart 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Johan Lust
X-16.456-16/16
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.010