Court annuls asylum board decision for failing to apply family reunification visa processing deadlines under Article 12bis of the Aliens Act.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the Asylum Board's decision rejecting a family reunification visa application because it incorrectly declared the statutory processing deadline inapplicable. The applicant argued that the deadline under Article 12bis of the Aliens Act of 1980 remained binding even after the Asylum Board found the marriage unproven. The court ruled that the law provides a double safeguard, requiring a decision within the set timeframe regardless of the specific grounds for refusal.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 12bis, § 2, third and sixth paragraphs of the Aliens Act of 15 December 1980; The statutory deadline for deciding on family reunification visa applications constitutes a mandatory procedural safeguard that applies irrespective of the substantive reasons for rejection.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 240.997 van 13 maart 2018
in de zaak A. 220.063/XIV-37.171
In zake : XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat HajarpiChatchatrian kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 46 bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door destaatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 22 augustus 2016, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 171.960 van 15 juli 2016 van de Raad voor Vreemde-
lingenbetwistingen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.143 van 14 september 2016.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XIV-37.171-1/10
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Yasmine Vuylsteke, dieloco advocaat HajarpiChatchatrianverschijnt voor verzoekster, en advocaat Tine Bricout, dieloco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest andersluidendadvies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoekster dient op 24 oktober 2013bij de Belgische ambassade te Islamabad (Afghanistan) een aanvraag in voor een visummet het oog op gezinshereniging (type D), dit in functie van haar echtgenoot, van Afghaanse nationaliteit, die in België verblijft en er als vluchteling werd erkend op 27 september 2012.
XIV-37.171-2/10
Op 16 juni 2014 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie een beslissing tot verwerping van de visumaanvraag.
Tegen die beslissingsteltverzoeksterop 24 juli 2014 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Met een arrest van 15 juli 2016verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring. Dit is het bestreden arrest.
IV. Onderzoek van de middelen
Enig middel
Uiteenzetting van het middel
4. Verzoekster werpt in een enig middel de schending op van artikel 12bisvan de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel.
Verzoekster benadrukt eerst dat de materiëlemotiveringsplicht, al is deze als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen, de bodemrechter verbiedt om een beslissing incorrect te motiveren. In de graad van administratieve cassatie moet kunnen worden nagegaan of de vreemdelingen-
rechter in het kader van zijn wettigheidscontrole onterecht heeft geoordeeld dat de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 12bis van de vreemdelingenwet niet zijn geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing.
XIV-37.171-3/10
Verzoekster voert hierna aan dat volgens het bestreden arrest de termijn van zes maanden, zoals deze bestond bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing, niet geldt wanneer de verwerende partij niet overtuigd is van de huwelijksband tussen verzoekster en haar als vluchteling erkende echtgenoot in België. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt geheel onbegrijpe-
lijk dat er eerst een verblijfsrecht moet zijn alvorens een verblijfskaart kan worden toegekend, doch dat is net hetgeen de verwerende partij moet onderzoeken en waarvoor zij op grond van artikel 12bis, § 2, zesde lid, van de vreemdelingenwet beschikt over een termijn van zes maanden. Verzoekster laat gelden dat de verwerende partij, indien zij het bestaan van de huwelijksband wenste te onderzoeken, deze termijn op basis van artikel 12bis, § 2, vijfde lid, van de vreemdelingenwet moest verlengen met een met redenen omklede beslissing die ter kennis werd gebracht van de aanvrager, hetgeen te dezen echter niet is gebeurd.
Volgens verzoekster maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een a posteriori-redenering doordat hij meent dat de verwerende partij terecht verzoeksters huwelijksband in twijfel trekt na onderzoek van het administratief dossier en dat daarom de beslissingstermijn van zes maanden niet zou gelden en er ook geen beslissing tot verlenging van die termijn op grond van artikel 12bis, § 2, vijfde lid, van de vreemdelingenwet zou moeten worden genomen. De redenering in het bestreden arrest dat de beslissingstermijn van zes maanden mag worden overschreden zonder een beslissing tot verlenging van de termijn om dan te stellen dat de termijn niet geldt kan volgens verzoekster niet worden gevolgd omdat artikel 12bis, § 2, zesde lid, van de vreemdelingenwet dan volledig zou worden uitgehold. Verzoekster acht ook de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldig-
heidsbeginsel geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte heeft geoordeeld dat deze niet zouden zijn geschonden door de aanvankelijk bestreden beslissing.
5. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat een vreemdeling overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de vreemdelingenwet moet voldoen aan de in artikel 10, § 1, van die wet gestelde vereisten om tot een verblijf in het Rijk te worden toegelaten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft
XIV-37.171-4/10
in het bestreden arrest geoordeeld dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij de echtgenote is van S.M.F.. Vermits verzoekster niet heeft aangetoond dat zij werkelijk de echtgenote is vaneen in België verblijfsgerechtigde vreemdeling, kan zij zich niet beroepen op een recht op verblijfin die hoedanigheid. Volgens de verwerende partij heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen terecht aangehaald dat verzoekster niet dienstig kan voorhouden dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet binnen de vereiste termijn van zes maanden is genomen en dat zij automatisch recht heeft op een verblijf, nu de huwelijksband als basis voor het voorgehouden verblijfsrecht onvoldoende is bewezen en de grondslag voor het verblijfsrecht dus niet bestaat. Ingevolge de vaststelling dat het huwelijk tussen verzoekster en haar voorgehouden echtgenoot onbestaande is, kan geen sprake zijn van uit het huwelijk voortvloeiende rechten. De verwerende partij citeert rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en vervolgt dat verzoekster bij gebrek aan bewezen huwelijksband geen aanvraag tot gezinshereniging kon indienen en zich bijgevolg evenmin kan beroepen op artikel 12bis, § 2, vijfde lid, van de vreemdelingenwet.
Ten overvloede stelt de verwerende partij verzoeksters belang bij het middel in vraag. Zelfs indien de beslissingstermijn van artikel 12bis, § 2, derde lid, van de vreemdelingenwet zou gelden, is de aanvankelijk bestreden beslissing van 16 juni 2014 tijdig genomen vermits de termijn voor het nemen van een beslissing pas verstreek op 25 juli 2014, dit ingevolge de beslissing tot verlenging van de termijn van 24 april 2014. Bij een eventuele vernietiging van het bestreden arrest kan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens de verwerende partij enkel vaststellen dat de aanvankelijk bestreden beslissing tijdig is genomen en moet hij het beroep tot nietigverklaring dus andermaal verwerpen.
6. In de memorie van wederantwoord volhardt verzoekster in haar standpunt dat de verwerende partij, zelfs indien zij het bestaan van de huwelijksband wenst te onderzoeken, op basis van artikel 12bis, § 2, vijfde lid, van de vreemdelingenwet de termijn van zes maanden moet verlengen met een met redenen omklede beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager. De
XIV-37.171-5/10
verwerende partij legt thans een stuk neer waaruit dergelijke beslissing zou moeten blijken, doch verzoekster heeft er nooit kennis van gekregen en behoudt derhalve haar belang bij het cassatieberoep. Verzoekster herhaalt verder dat de redenering van het bestreden arrest artikel 12bis, § 2, zesde lid, van de vreemdelingenwet schendtdoor eerst het onderzoek naar de huwelijksband te laten voeren en de termijn van zes maanden te laten overschrijden zonder een beslissing tot verlenging van die termijn ter kennis te laten brengen, om daarna te stellen dat deze verlenging niet nodig was omdat men op basis van het onderzoek besluit dat het huwelijk niet bestaat.
Beoordeling
7. Uit de niet betwiste gegevens van het rechtsplegingsdossier blijkt dat verzoekster een aanvraag om toelating tot verblijf heeft ingediend met toepassing van artikel 12bis, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet. De procedure voor de behandeling van dergelijke aanvraag is vastgelegd in § 2 van dit artikel. Artikel 12bis van de vreemdelingenwet wordt verderin ogenschouw genomen zoals het luidde op het ogenblik dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen.
Artikel 12bis, § 2, derde lid, van de vreemdelingenwet bepaaltin die vorm dat “de beslissing met betrekking tot de toelating tot verblijf […] zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van de indiening van de aanvraag, zoals bepaald in het tweede lid, [wordt] getroffen en betekend”.
Artikel 12bis, § 2, vijfde lid voorziet dat “in bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, alsook in het kader van een onderzoek naar een huwelijk als bedoeld in artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek of de voorwaarden verbonden aan het partnerschap bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, […] de minister of zijn gemachtigde deze termijn tweemaal, met een periode van drie maanden, [kan]
verlengen” en dat “dit wordt gedaan door middel van een met redenen omklede beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager”. Naar luid van
XIV-37.171-6/10
artikel 12bis, § 2, zesde lid, van de vreemdelingenwet moet de toelating tot verblijf verstrekt worden “indien geen enkele beslissing getroffen werd na het verstrijken van de termijn van zes maanden volgend op de datum waarop de aanvraag werd ingediend, die eventueel verlengd werd overeenkomstig het vijfde lid”.
8. De verwerende partij betwist verzoeksters belang bij de kritiek in het middel dat, anders dan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft geoordeeld, te dezen de in artikel 12bis, § 2, derde en zesde lid, bepaalde vervaltermijn van zes maanden wel van toepassing is.De verwerende partij houdt voor dat zij immers tijdig een beslissing tot verlenging van de termijn heeft genomen overeenkomstig het vijfde lid van de voornoemde bepaling, zodat de aanvankelijk bestreden beslissing binnen de met drie maanden verlengde termijn en dus alleszins tijdig zou zijn genomen.
In het bestreden arrest wordt inderdaad vermeld dat de verwerende partij op 24 april 2014 een beslissing heeft genomen “tot uitstel van het nemen van een beslissing aangaande de visumaanvraag”. Verzoekster stelt echter dat zij nooit kennis heeft gekregen van deze beslissing. In het bestreden arrest wordt niet vastgesteld dat de voornoemde beslissing van 24 april 2014 ter kennis werd gebracht van verzoekster. De verwerende partij maakt evenmin gewag van een kennisgeving, noch blijkt dergelijke kennisgeving uit de stukken in het rechtsplegingsdossier.
Nu uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan niet blijkt dat de beslissing van 24 april 2014 tot verlenging van de beslissingstermijn voor verzoeksters aanvraag ter kennis werd gebrachtvan verzoekster, is niet voldaan aan de in artikel 12bis, § 2, vijfde lid, van de vreemdelingenwet vastgelegde voorwaarde van “een met redenen omklede beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager”. De verwerende partij kan zich dan ook niet beroepen op de meergenoemde beslissing van 24 april 2014
om in hoofde van verzoekster te besluiten tot een gebrek aan belang bij het middel
XIV-37.171-7/10
omdat de beslissingstermijn zou zijn verlengd en de aanvankelijk bestreden beslissing alleen al daardoor tijdig zou zijn genomen.
9. Zoals hiervoor in punt 7 reeds werd overwogen, bepaalde artikel 12bis, § 2, derde lid, van de vreemdelingenwet op het ogenblik van de aanvankelijk bestreden beslissing dat “de beslissing met betrekking tot de toelating tot verblijf […] zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van de indiening van de aanvraag, zoals bepaald in het tweede lid, [wordt]
getroffen en betekend”. Met als enig verschil dat de beslissingstermijn op de datum van zijn arrest negen maanden bedroeg, heeft het Grondwettelijk Hof reeds in zijn arrest nr. 128/2010 van 4 november 2010 geoordeeld dat deze bepaling een dubbele waarborg inhoudt voor de betrokken vreemdeling, namelijk enerzijds dat de overheid verplicht wordt om binnen een bepaalde termijn te beslissen over de aanvraag tot gezinshereniging zodat de betrokkene niet te lang in het ongewisse blijft over het antwoord op zijnaanvraag, en anderzijds dat de toelating moet worden verleend indien geen enkele beslissing werd genomen binnen de opgelegde termijn, waardoor de betrokken vreemdeling wordt beschermd indien de overheid de opgelegde termijn niet respecteert of geen enkele beslissing neemt. Buiten de te deze niet van toepassing zijnde mogelijkheid van een tijdige beslissing tot verlenging van de termijn, voorziet de wet geen uitzondering op voornoemde verplichting naargelang de eventuele weigeringsgrond. Het Grondwettelijk Hof heeft dan ook in zijn arrestnr. 121/2013 van 26 september 2013 overwogen dat“in elk geval” binnen de in het meergenoemde artikel 12bis, § 2, voorziene termijn moet worden beslist over de aanvraag tot erkenning van het verblijfsrecht.Zoals verzoekster terecht opmerkt, voorziet het vijfde lid van die bepaling bovendien de mogelijkheid van een verlenging van de termijn “in bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag” waarbij als reden onder meer het onderzoek naar het huwelijk wordt vermeld. Hieruit blijkt net dat ook bij twijfel aan het huwelijk de bewuste beslissingstermijnen van toepassing zijn.
XIV-37.171-8/10
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve niet zonder schending van artikel 12bis, § 2, derde en zesde lid, van de vreemde-
lingenwet oordelen dat de in die bepalingen vastgelegde termijn niet geldtwanneer de verwerende partij nadat de termijn is verstreken alsnog zou vaststellen dat de vereiste huwelijksband niet is aangetoond en de aanvraag zou verwerpen.
10. Het enige middel is in die mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 171.960 van 15 juli 2016van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoekster.
XIV-37.171-9/10
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien maart tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.171-10/10
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.997