Cassation appeal dismissed; Court rejects claim that standing requirement was too restrictive regarding direct harm from permit denial.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the cassation appeal against a decision by the Planning Dispute Council rejecting a developer's standing claim. The developer argued that the Council's finding of no current interest was too restrictive because the alleged harm flowed directly from the termination of a concession agreement rather than the planning permit itself. The court held that the Council correctly applied the legal requirement for direct or indirect harm stemming from the contested decision, noting that the developer's cited eviction order was not a necessary ground for the standing exception.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 4.8.11, first paragraph, 3° of the VCRO; The requirement for a direct or indirect disadvantage resulting from the contested planning decision is satisfied even if the disadvantage also stems from the termination of a separate concession agreement, provided the link is established.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 240.982 van 8 maart 2018
in de zaak A. 222.107/VII-39.972.
In zake : de NV DRANACO
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Lagey en tevens door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG AMBTENAAR
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Claes kantoor houdend te 2550 Kontich Mechelsesteenweg 160
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
de NV van publiek recht BEHEERSMAATSCHAPPIJ
ANTWERPEN MOBIEL (BAM)
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert, Bastiaan Schelstraete en Emma Holleman kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 28 april 2017, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1617/0679 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 21 maart 2017 in de zaak 1415/0165/SA/3/0159.
VII-39.972-1/15
II. Verloop van de rechtspleging
2. Een beschikking van 24 mei 2017 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 13 juli 2017. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november 2017.
Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Leen Vanbrabant, die loco advocaat Johan Claes verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Jan Bouckaert, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.
VII-39.972-2/15
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Met een besluit van 26 september 2014 verleent de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar (hierna: GSA) aan de NV van publiek recht Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (hierna: BAM) een stedenbouwkundige vergunning “voor het slopen van kantoren, magazijnen en aanhorigheden”.
4. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de NV Dranaco tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van 26 september 2014 na het besluit “dat de verzoekende partij niet (langer) getuigt van het rechtens vereiste actueel belang” en dienvolgens de gegrondverklaring van de exceptie van de GSA en de NV BAM.
IV. Onderzoek van het enige middel
Uiteenzetting van het middel
5. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), de artikelen 13, 144, 145 en 149 van de Grondwet, artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en artikel 32 van het decreet van 4 april 2014
betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet).
VII-39.972-3/15
Eerste middelonderdeel
6. Zij licht vooreerst toe dat zij “in haar verzoekschrift en de wederantwoordnota uitvoerig [heeft] aangegeven om welke redenen DRANACO
rechtstreekse of onrechtstreekse hinder en nadelen dreigt te ondervinden van de bestreden akte” en dat in zoverre de actualiteit van haar belang in vraag werd gesteld, zij op de zitting van de RvVb “heeft toegelicht dat nog steeds geen uitspraak van de Rechtbank van Eerste Aanleg voorligt, maar dat de Raad van State intussen wel uitspraak over het verzoek tot vernietiging van de beslissing omtrent de zaak der wegen heeft gedaan in zijn arrest dd. 4 oktober 2016, en dat het beroep niet onontvankelijk is bevonden”. Op diezelfde zitting heeft zij “ook toegelicht dat de BAM in het verleden blijkbaar een onteigeningsmachtiging heeft verkregen, wat de BAM aan de [RvVb] heeft verzwegen, maar wat moeilijk verzoenbaar is met de stelling van de BAM omtrent DRANACO als zgn.
„rechteloze bezetter‟”. Zij stelt dat “[h]oewel de Voorzitter ter zitting eigenhandig notities heeft genomen van deze nieuwe en actuele elementen, [...] de [RvVb]
hiermee op geen enkele wijze [heeft] rekening gehouden” en in “ieder geval heeft [...] nagelaten om de partijen de mogelijkheid te geven om over deze elementen schriftelijk standpunt in te nemen waaruit kan en moet worden afgeleid dat de [RvVb] afdoende eigen notities heeft genomen”.
Zij stelt ten tweede dat “[i]n de hypothese dat de [RvVb] met de vermelding naar de uitvoering van de sloopvergunning zou bedoelen dat de uitvoering van de sloopvergunning negatief afstraalt op de actualiteit van het belang […] gaat de [RvVb] uit van een al te restrictieve interpretatie van deze ontvankelijkheidsvoorwaarde”.
Zij betoogt ten derde dat het “een rechtsstaat onwaardig [is] dat een rechter zou oordelen dat het belang van een verzoekende partij is teloorgegaan ten gevolge van het ingrijpen van een andere procespartij”, meer bepaald de ontruiming van het betrokken terrein en de uitvoering van de bestreden stedenbouwkundige vergunningen, en “zonder hierbij in overweging te nemen dat
VII-39.972-4/15
die verzoekende partij zich niet neerlegt bij dit ingrijpen van de andere procespartij en dit zelfs in rechte betwist”.
Zij argumenteert ten vierde, “in de hypothese dat DRANACO
haar belang inderdaad in essentie zou hebben gestoeld op de beëindiging van haar exploitatie en activiteiten op de betrokken locatie”, dat de RvVb er ten onrechte aan voorbijgaat “dat de hinder en nadelen ook een onrechtstreeks karakter kunnen en mogen vertonen”.
In de vijfde plaats poneert zij dat de RvVb het vereiste van (on)rechtstreekse hinder of nadelen ten gevolge van de bestreden akte “ten onrechte [lijkt] te verengen tot de mogelijkheid in hoofde van de verzoekende partij, om op de gebouwen en aanhorigheden zakelijke rechten te kunnen uitoefenen” wat zij “een al te restrictieve lezing van de ontvankelijkheidsvoorwaarde die de toegang tot de rechter in zijn kern aantast”
noemt.
Ten zesde valt voor de verzoekende partij “niet in te zien dat er een gebrek aan een „actueel‟ belang zou zijn” vermits de “feitelijke uitbating, welke volgens de milieuvergunning minstens tot 2029 zou lopen, […] onmogelijk [wordt] gemaakt door de bestreden akte”.
Zij stelt als zevende punt dat het correct is dat de vrederechter “de ontruiming van de site Dranaco heeft bevolen” maar dat de RvVb ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar opwerping in haar nota van wederantwoord en ter zitting dat tegen dat vonnis hoger beroep hangende is “waarbij wordt gevorderd dat het ontruimingsbevel te niet gedaan wordt”. Door “de beroepen beslissing van de vrederechter in aanmerking te nemen als ware zij een definitieve en onomkeerbare uitspraak, geeft de [RvVb] een onjuiste, minstens al te strikte, lezing aan het vereiste van de onrechtstreekse of rechtstreekse hinder of nadelen ten gevolge van de bestreden vergunningsbeslissing” en is het “ook rechtens onjuist dat DRANACO „niet langer enig recht kan doen gelden op de
VII-39.972-5/15
(weliswaar intussen gesloopte) gebouwen‟”. Zij vordert in deze beroepsprocedure “dat het vonnis van de vrederechter nietig wordt verklaard”, met inbegrip van de nietigverklaring van “het bevel van de vrederechter tot het verlaten van de site DRANACO, de ontruiming ervan en dit ter vrije beschikking van de BAM te stellen” en “een vergoeding van schade voor de gebouwen, opstallen en aanhorigheden, alsook de bedrijfsschade, ingevolge [...] de uitzetting”. Zij heeft “er [uiteraard] belang bij om zich te verzetten tegen de onwettigheid van een stedenbouwkundige vergunning, die zij niet heeft aangevraagd, en welke betrekking heeft op haar gebouwen, opstallen en aanhorigheden en die haar bedrijfsvoering onmogelijk maakt. In geval het vonnis van de vrederechter tenietgedaan wordt, heeft DRANACO het recht op een herstel in natura, dan wel op schadevergoeding. Dit volstaat om ertoe te besluiten dat DRANACO een afdoende actueel belang heeft, nl. dat zij in afdoende actuele mate rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen ten gevolge van de vergunningsbeslissing ondergaat. De vaststelling dat DRANACO ten gevolge van de in beroep betwiste beslissing van de vrederechter de site heeft moeten verlaten, doet niets af van de vaststelling dat de uitgevoerde werken zijn geschied op grond van de betwiste vergunningsbeslissing. De vrederechter heeft immers geen toelating gegeven tot de uitvoering van vergunningsplichtige werken. Redelijkheidshalve kan enkel worden besloten dat het vertrek van DRANACO, op grond van een uitvoerbare beslissing van de vrederechter, rechtstreeks, minstens onrechtstreeks, toe te schrijven is aan de vergunningsbeslissing. […] In ieder geval kan uit de vaststelling dat DRANACO de gebouwen en de site heeft verlaten, niet de afwezigheid van een actueel belang worden afgeleid”.
“Ten achtste is de conclusie die de [RvVb] stelt, […] dat DRANACO geen enkel recht meer kan laten gelden op de betrokken gebouwen en de betrokken terreinen, dan ook voorbarig, omdat zij vooruit loopt op de uitspraak over het geschil over subjectief recht waarover de Raad geen uitspraak kan doen, maar enkel de rechtbank van eerste aanleg”.
VII-39.972-6/15
“Ten negende is het besluit van het bovenstaande dat de [RvVb]
ten onrechte oordeelt dat de gebeurlijke vernietiging er niet toe kan leiden dat DRANACO haar activiteiten op het terrein kan hervatten, nog daargelaten dat de [RvVb] ten onrechte het „belang‟ in hoofde van DRANACO beperkt tot dit loutere oogmerk”.
“Ten tiende is het feit dat DRANACO, weze het op een rechtsonzekere basis, beschikt over een andere uitbatingssite (in werkelijkheid gaat het over een precaire uitbatingssite, wat het rechtsonzeker karakter ervan benadrukt), geheel irrelevant voor de beoordeling van het vereiste van de onrechtstreekse of rechtstreekse hinder of nadelen ten gevolge van de bestreden akte”.
Tweede middelonderdeel
7. De NV Dranaco zet vooreerst uiteen dat “[d]aargelaten de beoordeling van de beëindiging van de exploitatie [...] de [RvVb] volledig voorbij[gaat] aan de belangrijke hinder die de bestreden vergunning voor de uitbating met zich brengt. Zodoende heeft de [RvVb] ten onrechte niet geantwoord op dit essentieel punt van de verantwoording van de onrechtstreekse en rechtstreekse hinder en nadelen ten gevolge van de bestreden vergunningsbeslissing. DRANACO heeft toegelicht dat de bestreden vergunning het eigendomsrecht van DRANACO aantast, omdat DRANACO
exploitatierechten, en dus ook eigendomsrechten, put uit de milieuvergunning en dit minstens tot 2029. Aan dit eigendomsrecht dat een grondrecht betreft, en uit zijn aard essentieel is en dat voortvloeit uit de milieuvergunning, gaat de [RvVb]
volledig, doch ten onrechte, voorbij. […] in dit verband [heeft de NV Dranaco]
uitdrukkelijk [...] gesteld dat de bestreden beslissing minstens een belangrijke minwaarde in hoofde van verzoekende partij genereert, die hierdoor gedwarsboomd wordt in de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning en dus in de verwezenlijking van een winstgevende activiteit”.
VII-39.972-7/15
Ten tweede, betoogt zij, “heeft DRANACO uitdrukkelijk gesteld dat stedenbouwkundige vergunningen worden verleend onder voorbehoud van de geldende burgerlijke rechten, en derhalve ook de bestreden sloopvergunning, zodat elke mogelijke discussie omtrent een gebruiksrecht en/of het eigendomsrecht van de gebouwen en/of inrichtingen geen zaak is waarover de [RvVb] zich vermag uit te spreken. […] Daaraan gaat de [RvVb] volstrekt voorbij, door enerzijds te wijzen op het vonnis dd. 29 april 2014 van de vrederechter, en anderzijds te zwijgen over het hangende hoger beroep (waarnaar onder randnr. 42 van de wederantwoordnota ultdrukkelijk wordt verwezen), en toch te besluiten dat DRANACO geen zakelijke rechten meer heeft en haar activiteiten niet langer op de site DRANACO kan uitoefenen. Ook op deze wijze heeft de [RvVb] nagelaten om op een essentieel argument van DRANACO te antwoorden”.
Zij stelt ten derde dat zij “uitvoerig [heeft] toegelicht dat zij het gewettigd vertrouwen mocht hebben om ook nà de beëindiging van de domeinvergunning te kunnen verder uitbaten op de site (randnr. 41
wederantwoordnota). In essentie heeft DRANACO gesteld dat, indien aan haar het recht tot toegang tot de [RvVb] zou kunnen worden ontzegd, nl. omdat zij zonder uitdrukkelijke titel jarenlang heeft uitgebaat op de site, moet dit ook gelden voor de BAM die na een even lange tijd plots de vrederechter adieert, teneinde DRANACO
te laten uitdrijven. Gezien de BAM blijkbaar wel plots een vordering tot uitdrijving kan instellen, moet ook DRANACO het recht hebben om zich plots tegen een stedenbouwkundige vergunning te verweren voor de natuurlijke rechter. Dit essentieel argument wordt niet beantwoord door de Raad voor Vergunningsbetwistingen”.
Ten vierde, argumenteert zij, “heeft DRANACO erop gewezen dat de opzet van de BAM, als de houder van de sloopvergunning en de vergunning voor de oprichting van de fietsbrug, in strijd met art. 521, lid 1 Sw komt, gezien minstens de gebouwen op de site van DRANACO laatstgenoemde toebehoren en er niet valt in te zien dat DRANACO het belang zou ontberen om zich met rechtsmiddelen te verzetten tegen de administratieve akten die BAM wil
VII-39.972-8/15
aanwenden om handelingen te stellen die strijden met art. 521, lid 1 Sw.
(randnr. 45 wederantwoordnota). Hierop is de [RvVb] evenmin ingegaan, terwijl niet valt in te zien dat een rechter zomaar kan voorbij gaan aan argumenten van een partij die teruggaan op strafrechtelijk beschermingswaardig geachte rechten”.
Zij betoogt ten vijfde dat zij “helemaal nooit [heeft] beweerd dat zij geen belang meer zou hebben, eens zij zou beschikken over een alternatieve locatie. Integendeel, DRANACO heeft benadrukt dat het vinden van een geschikte alternatieve inplanting een uitermate moeilijke kwestie is (randnr. 46
verzoekschrift). […] Op dit punt schiet de rechterlijke motivering kennelijk tekort”.
Beoordeling
8. Het middel gaat in zijn beide onderdelen terug op de gemotiveerde gegrondverklaring door de RvVb van de excepties van de GSA en de NV BAM die het belang van de NV Dranaco hebben betwist.
9. Het bestreden arrest komt tot dit besluit op grond van volgende overwegingen:
- de NV Dranaco “steunt haar belang bij de voorliggende vordering op artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3° VCRO”;
- de NV Dranaco “voert in essentie aan dat zij haar exploitatie zal moeten beëindigen in de gebouwen die het voorwerp van de bestreden beslissing uitmaken” en “het voordeel dat” zij “uit de voorliggende vordering meent te kunnen halen [bestaat] er in essentie in […] activiteiten op de betrokken locatie te kunnen verderzetten”;
- de NV Dranaco dient “gedurende de volledige procedure te getuigen van een voortdurend, ononderbroken en actueel belang bij haar vordering zodat zij uit het desgevallend gegrond bevinden van haar vordering een voordeel kan halen”;
- de RvVb stelt vast “dat de stopzetting van de activiteiten op de betrokken locatie niet zozeer voortvloeit uit de (tenuitvoerlegging van de) bestreden beslissing maar
VII-39.972-9/15
wel uit het aflopen van de domeinconcessie” die “van rechtswege [verliep] op 31 juli 2005 waardoor de [NV Dranaco] vanaf dat moment geen zakelijke rechten meer kon doen gelden […] en er bij uitbreiding haar activiteiten niet langer meer kon uitoefenen”;
- aan deze vaststelling doen de nadien aan de NV Dranaco verleende precaire domeinvergunning “noch het feit dat het gebruik door de [NV Dranaco] van de gebouwen reeds jaren werd gedoogd” afbreuk aangezien de precaire domeinvergunning beëindigd werd op 5 september 2008 en de NV Dranaco “met een vonnis van 29 april 2015 van de vrederechter van het 4de kanton te Antwerpen, uitvoerbaar bij voorraad en betekend op 8 mei 2015, bevolen [werd] het betrokken terrein te ontruimen”;
- “het niet langer kunnen uitoefenen van haar economische activiteiten op de terreinen waarop de bestreden beslissing betrekking heeft, evenals het niet meer gebruik kunnen maken van de milieuvergunning, [vloeit] zonder meer rechtstreeks voort uit de beëindiging van de concessieovereenkomst en de opzegging van de precaire vergunning voor het gebruik van het privaat en openbaar domein van 20 april 2008” zodat de bestreden vergunningsbeslissing “geen enkele invloed [heeft] op het gebruiksrecht dat de [NV Dranaco] meent te hebben op de betrokken terreinen”.
10. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waartoe de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
11. Het bestreden arrest overweegt onder de hoofding “II. Verloop van de rechtspleging”:
“Titel IV, hoofdstuk VIII van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) betreffende de [RvVb] en het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2012 houdende rechtspleging voor de [RvVb] (Procedurebesluit) zijn toegepast”.
VII-39.972-10/15
Het middel dat de schending van het volgens de NV Dranaco niet toepasselijke artikel 32 DBRC-decreet aanvoert, faalt naar recht.
12. De RvVb loopt niet “vooruit […] op de uitspraak over het geschil over subjectief recht waarover de [RvVb] geen uitspraak kan doen, maar enkel de rechtbank van eerste aanleg” door bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de NV Dranaco tegen de vergunningsbeslissing van 26 september 2014 vast te stellen i) dat de domeinconcessie op 31 juli 2005 beëindigd was waardoor de NV Dranaco volgens de RvVb vanaf dan geen zakelijke rechten op het terrein meer kon doen gelden, ii)
dat de precaire domeinvergunning op 5 september 2008 werd beëindigd en iii) dat nadien het gebruik door de NV Dranaco van de gebouwen op het terrein werd gedoogd.
Het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet mist feitelijke grondslag.
13. Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 6.1 van het EVRM en bij een algemeen rechtsbeginsel.
Het recht op toegang tot de rechter is niet absoluut en kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden die zijn gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van risico‟s van rechtsonzekerheid.
14. Het toentertijd geldende artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO
bepaalt dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge een vergunningsbeslissing een belanghebbende is die beroep bij de RvVb kan instellen.
VII-39.972-11/15
Luidens het toentertijd geldende artikel 4.8.11, § 3, VCRO wordt dit beroep ingesteld “bij wijze van verzoekschrift” dat aan een aantal vormvereisten moet voldoen waarvan de regulariseerbaarheid wordt bepaald door de Vlaamse regering daartoe gemachtigd door het toentertijd geldende artikel 4.8.12, tweede lid, VCRO.
Een omschrijving in het verzoekschrift van het belang van verzoeker is overeenkomstig de voormelde artikelen 4.8.11, § 3, en 4.8.12 VCRO
gelezen in samenhang met de toentertijd geldende artikelen 11 en 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2012 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: procedurereglement RvVb), een vormvereiste die niet regulariseerbaar is.
Het voormelde artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO vereist niet dat een verzoeker hinder of nadelen die het gevolg zijn van de bestreden vergunningsbeslissing moet ondervinden. Het volstaat dat een verzoeker redelijkerwijze aannemelijk maakt dat er een risico op het ondergaan van de aangevoerde rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen van de bestreden vergunningsbeslissing bestaat.
Luidens artikel 11, tweede lid, 5°, van het voormelde procedurereglement RvVb bevat het verzoekschrift waarbij een beroep wordt ingesteld bij de RvVb een omschrijving van het belang van de verzoeker.
15. Uit de stukken van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat de NV Dranaco haar belang bij het beroep voor de RvVb steunt op de dreiging “rechtstreekse of onrechtstreekse hinder en/of nadelen te ondervinden van de bestreden sloopvergunning, omdat deze haar bedrijfsexploitatie onmogelijk maakt”.
16. Door te oordelen dat de NV Dranaco “niet (langer) getuigt van het rechtens vereiste actueel belang” omdat het door haar aangevoerde nadeel
VII-39.972-12/15
“zonder meer rechtstreeks voort[vloeit] uit de beëindiging van de concessieovereenkomst en de opzegging van de precaire vergunning voor het gebruik van het privaat en openbaar domein”, past de RvVb de in voormelde artikel 4.8.11, eerste lid, 3°, VCRO vereiste toe dat het door de NV Dranaco aangevoerde rechtstreekse of onrechtstreekse nadeel het gevolg moet zijn van de bestreden vergunningsbeslissing.
17. Het middel dat, ten betoge van de schending van artikel 6 EVRM, artikel 13 van de Grondwet en het voormelde artikel 4.8.11, eerste lid, 3°, VCRO, aanvoert dat het bestreden arrest voorbijgaat aan de hinder of het nadeel die/dat door de NV Dranaco werd aangevoerd, mist feitelijke grondslag.
In zoverre het middel “een al te restrictieve lezing van de ontvankelijkheidsvoorwaarde die de toegang tot de rechter in zijn kern aantast”
aanvoert, is het ongegrond.
18. Het motief van de RvVb dat de NV Dranaco “bovendien […]
met een vonnis van 29 april 2015 van de vrederechter van het 4de kanton te Antwerpen, uitvoerbaar bij voorraad en betekend op 8 mei 2015, bevolen het betrokken terrein te ontruimen” is een niet noodzakelijk, dragend motief voor de gegrondverklaring van de exceptie die steunt op het oordeel dat het door de NV Dranaco aangevoerde nadeel van “het niet langer kunnen uitoefenen van haar economische activiteiten op de terreinen waarop de bestreden beslissing betrekking heeft, evenals het niet meer gebruik kunnen maken van de milieuvergunning, zonder meer rechtstreeks voort[vloeit] uit de beëindiging van de concessieovereenkomst en de opzegging van de precaire vergunning voor het gebruik van het privaat en openbaar domein van 20 april 2008”.
Het middel in zoverre het betrekking heeft op het niet definitieve karakter van het vonnis van 29 april 2015 van de vrederechter, kan niet tot cassatie leiden.
VII-39.972-13/15
19. De verplichting van artikel 149 van de Grondwet elke rechterlijke uitspraak met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel vormt.
Door te oordelen als aangehaald in randnummer 9, verwerpt en beantwoordt de RvVb het verweer van de NV Dranaco tegen de excepties van de GSA en de NV BAM.
In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, mist het feitelijke grondslag.
Het enig middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 200 euro.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
VII-39.972-14/15
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht maart tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.972-15/15
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.982