Court dismisses appeal for non-continuation of proceedings after rejection of interim relief request.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the applicant's claim for non-continuation of proceedings valid due to the failure to file a request for continuation within thirty days. The applicant had previously sought interim relief, which was rejected, but did not subsequently apply to continue the case. Consequently, the court ruled that the applicant had effectively abandoned the litigation and ordered them to bear the associated legal costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 17, § 7 of the Rules of the Council of State; A party is presumed to have abandoned the proceedings if, after a request for interim relief is rejected, they fail to file a request for continuation of the proceedings within thirty days of notification of the ruling.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 240.963 van 8 maart 2018
in de zaak A. 223.417/XII-8440
In zake: de NV CONSTRUCTIEWERKHUIZEN DE MEYER
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de NV WATERWEGEN EN ZEEKANAAL
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Wouters kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 29 september 2017, strekt tot de nietig-
verklaring van “[d]e beslissing van nv Waterwegen en Zeekanaal, Afdeling Zee-
schelde van ongekende datum, om de overheidsopdracht tot het reviseren van een bovenrolwagen van de roldeur op de Zeesluis Wintdam aan te besteden door toe-
passing van een open aanbesteding voor aanneming van diensten op basis van de Wet van 15/06/2006, en de beslissing van ongekende datum waarbij de offerte van nv Constructiewerkhuizen De Meyer met betrekking tot de overheidsopdracht tot het reviseren van een bovenrolwagen van de roldeur op de Zeesluis Wintdam onregelmatig werd verklaard en de opdracht werd gegund aan nv Demako”.
XII-8440- 1/4
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 239.468 van 19 oktober 2017, verbeterd door het arrest nr. 239.537 van 24 oktober 2017, is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
Het voormelde arrest is op 31 oktober 2017 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
Op 21 december 2017 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs-
rechtspraak van de Raad van State’.
De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden ge-
hoord.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco-
ördineerd op 12 januari 1973.
III. Toepassing van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoör-
dineerd op 12 januari 1973
3.1. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de ken-
nisgeving van het arrest.
XII-8440- 2/4
3.2. De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
3.3. Het vermoeden van afstand van het geding is te dezen van toe-
passing.
IV. Kosten
In de gegeven omstandigheden past het de kosten van de vor-
dering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, zijnde het rolrecht van 200 euro en de door de verwerende partij gevraagde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, ten laste te leggen van de verzoekende partij.
BESLISSING
1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
XII-8440- 3/4
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 maart 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Sija Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Johan Bovin
XII-8440- 4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.963