Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.896 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.896 Généré par l'IA

Court annuls Belgian royal decrees on state guarantees for co-ops due to unconstitutional discrimination against natural persons.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.896
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled two royal decrees establishing state guarantees for cooperative societies. The applicants argued these measures violated constitutional equality principles by allowing the King to grant guarantees only to natural person partners. The court ruled that the decrees relied on an unconstitutional provision of the National Bank's organic statute, thereby invalidating the discriminatory scheme.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Constitution; The Council of State holds that royal decrees establishing state guarantees solely for natural person partners in cooperatives violate constitutional equality and non-discrimination principles.

Mots-clés

Généré par l'IA
state guarantee cooperative society constitutional equality non-discrimination royal decree annulment National Bank statute natural persons coopérative européenne

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Constitution
Article 36/24 of the law of 22 February 1998 on the organic statute of the National Bank of Belgium

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Constitutional Court, judgment of 15 June 2017, no. 70/2017
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIXe KAMER

nr. 240.896 van 6 maart 2018

in de zaak I. A. 202.952/XIV-37.485

II. A. 202.983/XIV-37.486

In zake : I + II.

1. Paul VERVLOET

2. Marc DE WIT

3. Edgard TIMPERMAN

4. Godelieve VAN BRAEKEL

5. Patrick BECKX

6. Marc DE SCHRYVER

7. [...]

8. Guy DENEIRE

9. [...]

10. Steve VAN HOOF

11. [...]

12. [...]

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen, Erik Monard en Wouter Moonen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sébastien Ryelandt en Pieter De Bock kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 65 bus 2

bij wie woonplaats wordt gekozen

XIV-37.485-1/16

Tussenkomende partijen :

1. de CVBA ARCOFIN (in vereffening)

2. de CVBA ARCOPAR (in vereffening)

3. de CVBA ARCOPLUS (in vereffening)

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens en Annelies Verlinden kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 106

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. De beroepen, ingesteld op 12 en 21 december 2011, strekken tot de nietigverklaring van:

- het koninklijk besluit van 10 oktober 2011 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008

houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van de financiële stabiliteit, voor wat betreft de bescherming van de deposito’s en de levensverzekeringen, en tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten houdende de uitbreiding van de beschermings-

regeling tot het kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen’ (G/A. 202.983/XIV-37.486);

- het koninklijk besluit van 7 november 2011 ‘tot toekenning van een garantie tot bescherming van het kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen’ (G/A. 202.952/XIV-37.485).

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 222.969 van 25 maart 2013 worden de beroepen samengevoegd, worden beide beroepen enkel ontvankelijk bevonden in hoofde van eerste tot en met zesde verzoeker, achtste en tiende verzoeker, worden alle middelen verworpen behoudens het eerste onderdeel van het vijfde middel in de

XIV-37.485-2/16

zaak A. 202.983, waarmee het eerste onderdeel van het zesde middel in de zaak A. 202.952 samenhangt, wordt het debat heropend, stelt de Raad van State de in sub 4 vermelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof en wordt het door de auditeur-generaal aangeduide lid van het auditoraat belast met het verder onderzoek van de zaak, na ontvangst van het arrest van het Grondwettelijk Hof.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een aanvullend verslag opgesteld.

De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een aanvullende laatste memorie ingediend. De verzoekers hebben een aanvullende laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018.

Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Wouter Moonen, die eveneens loco advocaten Koen Geelen en Erik Monard verschijnt voor de verzoekers, advocaat Pieter De Bock, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Bob Martens, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

XIV-37.485-3/16

III. Feiten

3. Voor het feitenrelaas kan worden verwezen naar het tussenarrest nr. 222.969 van 25 maart 2013.

4. Bij het voormelde tussenarrest wordt, naar aanleiding van het eerste onderdeel van het vijfde middel in de zaak A. 202.983, waarmee het eerste onderdeel van het zesde middel in de zaak A. 202.952 samenhangt, de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld:

“Schendt artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de Koning kan voorzien in een systeem van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van de in artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschappen, terwijl dit artikel 36/24 niet in een dergelijke mogelijkheid voorziet voor vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van een vennootschap die geen in de zin van het voornoemde artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschap is?”

5. Bij arrest nr. 226.095 van 15 januari 2014 heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof gesteld:

“1. Schendt artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het, terwijl het eerste lid, 3°, de Koning de bevoegdheid verleent in een systeem te voorzien van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn van hun deel in het kapitaal van coöperatieve vennootschappen, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen, die financiële holdings zijn die zijn ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 13, vierde lid, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, gemengde financiële holdings, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of verzekerings-

ondernemingen, alsook hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochter-

vennootschappen, of waarvan minstens de helft van het vermogen is geïnvesteerd in dergelijke instellingen, Hem niet een dergelijke bevoegdheid verleent ten voordele van de vennoten of de aandeelhouders van elke andere vennootschap die in de financiële sector actief is, inzonderheid een kredietinstelling ?

2. Schendt artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het, terwijl het eerste lid, 3°, de Koning de bevoegdheid verleent in een systeem te voorzien van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn van hun deel in het kapitaal van coöperatieve vennootschappen, erkend overeenkomstig het koninklijk

XIV-37.485-4/16

besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen, die financiële holdings zijn die zijn ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 13, vierde lid, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, gemengde financiële holdings, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of verzekerings-

ondernemingen, alsook hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochter-

vennootschappen, of waarvan minstens de helft van het vermogen is geïnvesteerd in dergelijke instellingen, Hem niet een dergelijke bevoegdheid verleent ten voordele van de instellingen voor de financiering van pensioenen, en van de aangeslotenen en rechthebbenden ervan, of ten voordele van de gemeenten die verenigd zijn binnen de Gemeentelijke Holding ?”

Bij arrest nr. 226.096 van 15 januari 2014 heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld:

“Schendt artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de Koning kan voorzien in een systeem van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van de in artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschappen, terwijl dit artikel 36/24 niet in een dergelijke mogelijkheid voorziet voor vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van een vennootschap die geen in de zin van het voornoemde artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschap is ?”

6. Bij besluit 2014/686/EU van 3 juli 2014 oordeelt de Europese Commissie dat “[d]e garantieregeling, die België in strijd met artikel 108, lid 3

van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verstrekt heeft in het voordeel van de financiële coöperatieven van ARCO en in het bijzonder ARCOFIN, ARCOPAR en ARCOPLUS [...] onverenigbaar [is] met de interne markt.”

Op 7 oktober 2014 hebben de tussenkomende partijen tegen (artikel 2.4. van) dit besluit een beroep tot vernietiging ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie (hierna: het Gerecht). Dit beroep is nog steeds hangende.

7. Bij tussenarrest nr. 15/2015 van 5 februari 2015 heeft het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie:

XIV-37.485-5/16

“1. Dienen de artikelen 2 en 3 van de richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het algemene gelijkheidsbeginsel, in die zin te worden geïnterpreteerd dat :

a) zij aan de lidstaten de verplichting opleggen om de aandelen van de erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, op dezelfde wijze te waarborgen als de deposito’s ?

b) zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat aan de entiteit die gedeeltelijk belast is met de waarborg van de in die richtlijn beoogde deposito’s de opdracht toevertrouwt om eveneens, ten belope van 100 000 euro, de waarde van de aan-

delen van de vennoten, natuurlijke personen, van een erkende coöperatieve vennootschap die actief is in de financiële sector, te waarborgen ?

2. Is het besluit van de Europese Commissie van 3 juli 2014 ‘betreffende steunmaatregel SA.33927 (12/C) (ex 11/NN) door België ten uitvoer gelegd -

Garantieregeling ter bescherming van de aandelen van individuele leden van financiële coöperaties’ verenigbaar met de artikelen 107 en 296 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in zoverre het de waarborgregeling die het voorwerp van dat besluit uitmaakt, kwalificeert als nieuwe staatssteun ?

3. In geval van een ontkennend antwoord op de tweede vraag, dient artikel 107

van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in die zin te worden geïnterpreteerd dat een regeling van staatswaarborg toegekend aan de vennoten, natuurlijke personen, van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, in de zin van artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, nieuwe staatssteun vormt die bij de Europese Commissie moet worden aangemeld ?

4. In geval van een bevestigend antwoord op de tweede vraag, is hetzelfde besluit van de Europese Commissie verenigbaar met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat daarin wordt geoordeeld dat de in het geding zijnde staatssteun tot uitvoering is gebracht vóór 3 maart 2011 of 1 april 2011 of op een van beide data, of, omgekeerd, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat daarin wordt geoordeeld dat de in het geding zijnde staatssteun op een latere datum tot uitvoering is gebracht ?

5. Dient artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in die zin te worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat verbiedt om een maatregel, zoals die welke is vervat in artikel 36/24, eerste lid, 3°, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, aan te nemen, indien die maatregel staatssteun tot uitvoering brengt of staatssteun vormt die reeds tot uitvoering is gebracht en die staatssteun nog niet is aangemeld bij de Europese Commissie ?

6. Dient artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in die zin te worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat verbiedt om, zonder voorafgaande kennisgeving aan de Europese Commissie, een maatregel, zoals die welke is vervat in artikel 36/24, eerste lid, 3°, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, aan te nemen, indien die maatregel staatssteun vormt die nog niet tot uitvoering is gebracht ?”

Bij arrest van 21 december 2016 in de zaak C-76/15 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie op de vragen geantwoord.

XIV-37.485-6/16

Op de eerste vraag antwoordt het Hof van Justitie als volgt:

“[...]

87. Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de artikelen 2 en 3 van richtlijn 94/19 aldus moeten worden uitgelegd dat zij de lidstaten er niet toe verplichten een regeling als die van het hoofdgeding aan te nemen, op grond waarvan de aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector worden gewaarborgd, en er zich evenmin tegen verzetten dat een lidstaat een dergelijke regeling aanneemt, voor zover deze niet afdoet aan de nuttige werking van het depositogarantiestelsel dat de lidstaten krachtens deze richtlijn moeten instellen en voor zover zij strookt met het VWEU

en met name de artikelen 107 en 108 VWEU. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of aan eerstgenoemde voorwaarde is voldaan.”

Op de tweede en derde vraag antwoordt het Hof van Justitie als volgt:

“[...]

117. Derhalve is bij het onderzoek van de tweede vraag niet gebleken van feiten of omstandigheden die afdoen aan de geldigheid van het besluit van 3 juli 2014.

[…]

118. Gelet op het antwoord op de tweede vraag behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.”

Op de vierde tot en met zesde vraag antwoordt het Hof van Justitie als volgt:

“[...]

128. Gelet op een en ander moet op de vierde tot en met de zesde vraag worden geantwoord dat artikel 108, lid 3, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een garantieregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voor zover deze tot uitvoering is gebracht zonder dat de uit die bepaling voortvloeiende verplichtingen zijn nagekomen.

129. Bij het onderzoek van deze vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die afdoen aan de geldigheid van het besluit van 3 juli 2014.”

In het dictum van zijn arrest van 21 december 2016 verklaart het Hof van Justitie voor recht:

“1) De artikelen 2 en 3 van richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels, zoals gewijzigd bij richtlijn 2005/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2005, moeten aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten er niet toe verplichten een regeling als die van het hoofdgeding aan te nemen, op grond waarvan de aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector worden gewaarborgd, en er zich evenmin tegen verzetten dat een lidstaat een dergelijke regeling aanneemt, voor zover deze niet afdoet aan de nuttige werking

XIV-37.485-7/16

van het depositogarantiestelsel dat de lidstaten krachtens deze richtlijn moeten instellen en voor zover zij strookt met het VWEU en met name de artikelen 107 en 108 VWEU. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of aan eerstgenoemde voorwaarde is voldaan.

2) Bij het onderzoek van de door het Grondwettelijk Hof (België) gestelde prejudiciële vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die afdoen aan de geldigheid van besluit 2014/686/EU van de Commissie van 3 juli 2014

betreffende steunmaatregel SA.33927 (12/C) (ex 11/NN) door België ten uitvoer gelegd - Garantieregeling ter bescherming van de aandelen van individuele leden van financiële coöperaties.

3) Artikel 108, lid 3, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een garantieregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voor zover deze tot uitvoering is gebracht zonder dat de uit die bepaling voortvloeiende verplichtingen zijn nagekomen.”

IV. Rechtspleging - verzoek tot uitstel

Standpunt van de partijen

8. De verwerende partij betoogt in haar laatste memorie, neergelegd na het aanvullend auditoraatsverslag dat werd opgesteld na ontvangst van het arrest van het Grondwettelijk Hof, dat de uitkomst van het door haar ingestelde beroep bij het Gerecht tegen het besluit van de Europese Commissie van 3 juli 2014 dient te worden afgewacht alvorens de Raad van State zich definitief kan uitspreken. Zij stelt dat immers niet alle rechtsvragen over de draagwijdte van voornoemd besluit en de uitvoerbaarheid van de garantieregeling definitief zijn beslecht, en noch het Grondwettelijk Hof, noch het Europees Hof van Justitie zich hebben uitgesproken over de bezwaren die in het kader van dit beroep worden opgeworpen.

Ook de tussenkomende partijen betogen in hun laatste memorie, neergelegd na het aanvullend auditoraatsverslag dat werd opgesteld na ontvangst van het arrest van het Grondwettelijk Hof, dat het beginsel van loyale samenwerking, vervat in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: het VEU), de verplichting voor de Raad van State inhoudt zich te onthouden van het nemen van maatregelen die in strijd kunnen zijn met het Europeesrechtelijk kader, te dezen in het creëren van rechtsgevolgen die naderhand niet in overeenstemming zijn met het toekomstige arrest van het Gerecht.

XIV-37.485-8/16

Beoordeling

9. De zaak is in staat van wijzen. Het is niet nodig de afloop van de voor het Gerecht hangende rechtspleging af te wachten.

De Raad van State is immers, als rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, verplicht krachtens artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’, zich voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de prejudiciële vraag is gesteld, te voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof. In dat kader komt het evenmin aan de Raad van State toe om, in tegenstelling tot het Grondwettelijk Hof, de afloop van de voor het Gerecht hangende rechtspleging niet af te wachten alvorens zelf uitspraak te doen.

In die omstandigheden is er geen reden om de zaak voor behandeling sine die uit te stellen.

V. Ontvankelijkheid van de beroepen

Exceptie van de tussenkomende partijen

10. In hun laatste memorie, neergelegd na het aanvullend auditoraatsverslag dat werd opgesteld na ontvangst van het arrest van het Grondwettelijk Hof, werpen de tussenkomende partijen twee excepties op.

Ze betogen dat de eerste tot en met de zesde, de achtste en de tiende verzoeker stukken dienen voor te leggen waaruit blijkt dat zij, gelet op de verstreken jaren, thans nog steeds over de hoedanigheid van aandeelhouder van de nv Dexia beschikken.

Voorts stellen de tussenkomende partijen het belang van de verzoekers in vraag, nu blijkt dat het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vragen bevestigend heeft beantwoord enkel omwille van de schending van

XIV-37.485-9/16

staatssteunregels en zonder in te gaan op de vraag naar de vergelijkbaarheid tussen categorieën van enerzijds de vennoten - natuurlijke personen van erkende coöperatieve vennootschappen en anderzijds vennoten - natuurlijke personen van vennootschappen die geen erkende coöperatieve vennootschappen zijn.

Aangezien de bestreden besluiten niet op de verzoekers toepasselijk zijn en zij er evenmin de gevolgen van ondergaan, beschikken zij volgens de tussenkomende partijen niet over het vereiste persoonlijke en rechtstreekse belang. Het perspectief op een “meer gunstige regelgeving” kan niet als een rechtstreeks en zeker belang worden gekwalificeerd. Voorts betogen de tussenkomende partijen nog dat er (thans) geen mogelijkheid is voor de Koning om een voor de verzoekers financieel gunstigere maatregel uit te vaardigen, aangezien nog niet alle rechtsvragen met betrekking tot het voorwerp van de zaak werden onderzocht en beoordeeld door het Gerecht, waar het beroep nog hangende is. De heroverweging en het rechtsherstel waarvan sprake in het arrest nr. 222.969 van 25 maart 2013 zal zich niet kunnen veruitwendigen, zodat een eventuele vernietiging een zuiver symbolische vernietiging betreft.

Beoordeling

11. In het tussenarrest nr. 222.969 van 25 maart 2013 heeft de Raad van State dezelfde excepties reeds als volgt beantwoord:

“15. De eerste elf verzoekers dienden beide beroepen in op grond van hun hoedanigheid van aandeelhouder van de nv DEXIA. [...]

De eerste tot en met de zesde, de achtste en de tiende verzoeker leggen stukken voor die aannemelijk maken dat zij op het ogenblik van het indienen van het beroep aandeelhouder waren van de nv DEXIA. [...] Er zijn geen aanduidingen dat een of meerdere van die verzoekers bij het sluiten van de debatten in beide beroepen, de aangevoerde hoedanigheid van aandeelhouder niet meer zouden bezitten. De loutere bewering van de tussenkomende partijen dat niet bewezen wordt dat de aandelen nog in hun bezit zijn volstaat niet om daarover nader onderzoek te voeren.

16. Wat het belang bij beide beroepen betreft in hoofde van de eerste tot en met de zesde verzoeker, de achtste en de tiende verzoeker, stellen deze dat zij, als private aandeelhouders van de nv DEXIA, niet in aanmerking komen voor een staatswaarborg op hun aandelen, terwijl de natuurlijke personen die aandelen aanhouden van erkende coöperatieve vennootschappen waarvoor het bestreden besluit een waarborgregeling uitwerkt, die waarborg wel kunnen krijgen.

Door de waarborg voorzien in de bestreden besluiten zullen de private aandeelhouders van de bedoelde coöperatieve vennootschappen geen financieel nadeel lijden als gevolg van de waardevermindering van hun aandelen, terwijl de

XIV-37.485-10/16

private aandeelhouders van de nv DEXIA zoals de voornoemde verzoekers, wel die waardevermindering van hun aandelen zullen moeten dragen. Deze verzoekers krijgen dus niet het voordeel dat aan anderen wordt toegekend, wat zij als een nadeel kunnen aanvoeren.

Dit nadeel verleent hen echter slechts het wettelijk vereiste belang onderscheiden van de actio popularis, in de mate dat deze verzoekers vastgesteld kunnen zien dat het voordeel waarop ze zich beroepen, hen op onregelmatige wijze is geweigerd.

17. Anders dan wat de verwerende partij en de tussenkomende partijen stellen, kan er niet voorgehouden worden dat dit nadeel veroorzaakt wordt door artikel 36/24, § 1, 3°, van de wet van 22 februari 1998. Deze wettelijke bepaling creëert enkel een rechtsgrond voor de uitvoerende macht om discretionair, binnen de keuzemogelijkheden en het kader die deze wetsbepaling biedt, de maatregelen uit te vaardigen die zij nodig acht om het vertrouwen in het financieel stelsel te versterken. Is de uitvoerende macht door de wetgever beperkt in haar mogelijk-

heden en kunnen de verzoekers daardoor nooit uitzicht krijgen op een garantie voor hun aandelen omdat het aandelen van een naamloze vennootschap betreft, dan is het toch de uitvoerende macht en niet de wetgever die de regeling ingevoerd heeft en die het nadeel bij de verzoekers veroorzaakt.

De enkele omstandigheid dat de beide bestreden besluiten nooit op de verzoekers van toepassing kunnen zijn, noch het loutere gegeven dat de verzoekers de vernietiging niet hebben gevraagd van artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998, ontnemen hen het belang bij hun beroepen. Zij kunnen immers, door het aanvoeren van de exceptie van ongrondwettigheid van die wetsbepaling in het raam van een middel tegen de rechtsgrond van de bestreden uitvoeringsregeling -

wat de voornoemde verzoekers in beide beroepen ook doen -, uitzicht krijgen op een heroverweging van het bestreden koninklijk besluit van 10 oktober 2011 en het vernietigingsarrest aangrijpen om, steunend op het gezag van gewijsde ervan, het bestuur ertoe aan te zetten die heroverweging te maken, zonder dat het te verlenen rechtsherstel noodzakelijkerwijze hoeft in te houden dat ook ten voordele van de verzoekers een waarborgregeling wordt ingesteld.

In die zin kan op dit ogenblik het wettig vereiste belang aan de verzoeker niet worden ontzegd zolang het Grondwettelijk Hof geen uitspraak heeft gedaan over de in het dictum vermelde prejudiciële vraag. Ingeval het Grondwettelijk Hof deze verwerpt, zal de Raad van State, desnoods ambtshalve, moeten onderzoeken of het belang, afgeleid uit de hoedanigheid van aandeelhouder van een naamloze vennootschap, aan de eerste tot en met de zesde, de achtste en de tiende verzoeker, nog een concreet voordeel kan verschaffen. Of de Raad van State deze prejudiciële vraag stelt in het raam van de ontvankelijkheid van het beroep dan wel in het raam van het onderzoek van een middel is niet relevant.”

12. Wat het bewijs van de hoedanigheid van aandeelhouder van de nv Dexia in hoofde van de verzoekers betreft, is er geen reden om thans anders te oordelen dan op het moment van het sluiten van de debatten naar aanleiding van het tussenarrest.

De verzoekers hebben stukken voorgelegd die aannemelijk maken dat zij op het ogenblik van het indienen van het beroep aandeelhouder waren van de nv Dexia. Er zijn nog steeds geen aanduidingen dat een of meerdere

XIV-37.485-11/16

van de verzoekers de aangevoerde hoedanigheid van aandeelhouder niet meer zouden bezitten. De tussenkomende partijen stellen de open vraag of de aandelen nog in het bezit van de verzoekers zijn, maar brengen geen begin van bewijs van het tegendeel daartoe aan. Het is nochtans zaak van de partij die het verlies van hoedanigheid in hoofde van de verzoekers aanvoert, daartoe elementen van bewijs aan te reiken.

13. De exceptie van gebrek aan hoedanigheid wordt verworpen.

14. Ook wat het belang van de verzoekers betreft, is reeds in voornoemd tussenarrest uitspraak gedaan, in die zin dat het wettig vereiste belang om de aangehaalde redenen niet aan de verzoekers kan worden ontzegd, en enkel ingeval het Grondwettelijk Hof de in het dictum vermelde prejudiciële vraag verwerpt, de Raad van State, desnoods ambtshalve, zal moeten onderzoeken of het belang, afgeleid uit de hoedanigheid van aandeelhouder van een naamloze vennootschap, aan eerste tot en met zesde, achtste en tiende verzoeker, nog een concreet voordeel kan verschaffen.

Aangezien het Grondwettelijk Hof in het arrest 70/2017 de prejudiciële vraag bevestigend heeft beantwoord, staat vast dat het voordeel waarop ze zich beroepen, hen op onregelmatige wijze is geweigerd, en zij bijgevolg het wettig vereiste belang bij hun beroepen hebben. De omstandigheid dat nog niet alle rechtsvragen met betrekking tot het voorwerp van de zaak werden beoordeeld door het Gerecht, waar het beroep nog hangende is, doet daar geen afbreuk aan.

De Raad van State kan niet andermaal op basis van een vergelijkbare argumentatie het belang van de verzoekers onderzoeken zonder het gezag van gewijsde van voornoemd tussenarrest van de Raad van State te schenden.

15. De exceptie van gebrek aan belang wordt verworpen.

XIV-37.485-12/16

VI. Onderzoek van de gegrondheid van de beroepen

Eerste onderdeel van het vijfde middel in de zaak A.202.983 en eerste onderdeel van het zesde middel in de zaak A. 202.952

Standpunt van de partijen

16. Voor het standpunt van de partijen over de rechtsvraag die heeft geleid tot het stellen van de voormelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, wordt verwezen naar het tussenarrest nr. 222.969 van 25 maart 2013.

Beoordeling

17. Bij arrest nr. 70/2017 van 15 juni 2017 heeft het Grondwettelijk Hof de in het dictum van het arrest nr. 222.969 van 25 maart 2013 van de Raad van State gestelde prejudiciële vraag bevestigend beantwoord. Het Hof heeft zich daarbij gesteund op onder meer de volgende overwegingen:

“B.12. Zoals mede uit het antwoord van het Hof van Justitie op de bij het arrest nr. 15/2015 van het Hof gestelde vragen blijkt, heeft de wetgever met het in het geding zijnde artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 22 februari 1998, in zoverre het de Koning ertoe machtigt een waarborgregeling in te voeren ten behoeve van de vennoten, natuurlijke personen, van de erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, ten voordele van die categorie van personen en van die vennootschappen waarin zij hebben geparticipeerd, een maatregel genomen die, in tegenstelling tot wat de coöperatieve vennootschappen ‘Arcopar’, ‘Arcoplus’ en ‘Arcofin’ hebben aange-

voerd, niet kan worden verantwoord als zijnde genomen ter uitvoering van de richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad heeft aangevoerd, kan evenmin worden aangenomen dat de aandelen die de natuurlijke personen hebben bij de bedoelde coöperatieve vennootschappen, moeten worden beschouwd als bankdeposito’s bij kredietinstellingen en dat die aandelen om die reden gelijk hadden moeten worden behandeld als klassieke spaarproducten, ook al vertonen zij daarmee een aantal gelijkenissen.

Vermits de in het geding zijnde bepaling in strijd is met de artikelen 107 en 108

van het VWEU, dient niet te worden nagegaan of al dan niet afbreuk wordt gedaan aan de nuttige werking van het Belgisch depositogarantiestelsel.

B.13. Uit het antwoord van het Hof van Justitie op de vierde tot en met zesde vraag van het Hof is gebleken dat de in het geding zijnde machtiging aan de Koning minstens moest worden beschouwd als een voornemen tot invoering van een nieuwe maatregel die, om in overeenstemming te zijn met artikel 108, lid 3,

XIV-37.485-13/16

van het VWEU ‘tijdig’ had moeten worden aangemeld bij de Europese Commissie, opdat die had kunnen beoordelen of de maatregel als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van dat Verdrag diende te worden aangemerkt en, zo ja, of een dergelijke staatssteun in het licht van artikel 107, lid 3, van dat Verdrag als verenigbaar met de interne markt had kunnen worden beschouwd.

Uit het hiervoor vermelde besluit 2014/686/EU van de Europese Commissie van 3 juli 2014 is daarentegen gebleken dat de Europese Commissie de garantie-

regeling tot bescherming van de aandelen van individuele leden van financiële coöperaties als ongeoorloofde staatssteun heeft gekwalificeerd. Het Koninkrijk België en de coöperatieve vennootschappen ‘Arcopar’, ‘Arcoplus’ en ‘Arcofin’ hebben weliswaar bij het Gerecht van de Europese Unie beroepen tot nietigver-

klaring van dat besluit ingesteld en die beroepen zijn nog hangende, maar het Hof van Justitie heeft bij zijn onderzoek naar aanleiding van de tweede tot en met zesde prejudiciële vraag van het Hof geen feiten of omstandigheden vastgesteld die afbreuk zouden doen aan de geldigheid van het voormelde besluit van de Europese Commissie.

B.14. Zonder dat het nodig is de afloop van de voor het Gerecht hangende rechtspleging af te wachten, dient te worden vastgesteld dat de in het geding zijnde maatregel is genomen met het oog op de bevoordeling van een specifieke categorie van personen, maatregel die in ieder geval als een voornemen tot nieuwe staatssteun in de zin van artikel 108, lid 3, van het VWEU bij de Europese Commissie had moeten worden aangemeld.

Door zulks na te laten heeft de wetgever ten aanzien van die categorie van personen gehandeld zonder redelijke verantwoording en met veronachtzaming van het Europees Unierecht, en derhalve in strijd met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.15. De prejudiciële vragen dienen derhalve bevestigend te worden beantwoord.”

In het dictum van zijn arrest nr. 70/2017 van 15 juni 2017 zegt het Grondwettelijk Hof voor recht:

“Artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België schendt de artikelen 10 en 11

van de Grondwet, doordat de Koning kan voorzien in een systeem van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van de in artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschappen.”

18. Het bestreden besluit van 10 oktober 2011 heeft artikel 36/24

van de wet van 22 februari 1998 ‘tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België’ als rechtsgrond. Het bestreden koninklijk besluit van 7 november 2011 heeft op zijn beurt het koninklijk besluit van 10 oktober 2011

als rechtsgrond.

XIV-37.485-14/16

Door de bestreden besluiten op grond van artikel 36/24 van voornoemde wet aan te nemen, heeft de verwerende partij, gelet op het gestelde in het arrest van het Grondwettelijk Hof, toepassing gemaakt van een bepaling die niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het eerste onderdeel van het vijfde middel in de zaak A. 202.983, waarmee het eerste onderdeel van het zesde middel in de zaak A. 202.952 samenhangt, is dan ook in de aangegeven mate gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt:

- het koninklijk besluit van 10 oktober 2011 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008

houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van de financiële stabiliteit, voor wat betreft de bescherming van de deposito’s en de levensverzekeringen, en tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten houdende de uitbreiding van de beschermingsregeling tot het kapitaal van erkende coöperatieve vennoot-

schappen’;

- het koninklijk besluit van 7 november 2011 ‘tot toekenning van een garantie tot bescherming van het kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen’.

2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten.

3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 2800 euro.

XIV-37.485-15/16

4. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, die voor elk van hen begroot worden op een rolrecht van 250 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes maart tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-37.485-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.896