Court dismisses accelerated procedure request, ordering full debate due to conflicting environmental permit status.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the request to apply accelerated proceedings, instead ordering the case to be handled under normal rules. The applicant argued the administrative measure was invalid because the underlying environmental permit was illegal, while the respondent noted a new valid permit had been issued in the meantime. The court decided that since the legality of the current permit was contested, the debate could not be concluded definitively with short arguments and required a full hearing.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 93 of the General Rules of Procedure; The request to apply accelerated proceedings must be rejected if the case requires a full debate due to conflicting legal status of the underlying administrative act.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 240.894 van 5 maart 2018
in de zaak A. 223.646/VII-40.124.
In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ
gevestigd te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75
alwaar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire
tegen :
1. het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de BURGEMEESTER VAN DE STAD
GERAARDSBERGEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Colin De Beir
Tussenkomende partij :
de VZW VLAAMS ZWEEFVLIEGCENTRUM PHOENIX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart De Becker kantoor houdend te 8500 Kortrijk Loofstraat 39
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 30 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 16 augustus 2017 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de burgemeester van de stad Geraadsbergen van 8 juni 2017,
VII-40.124-1/8
houdende afwijzing van het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen aan de VZW Vlaams Zweefvliegcentrum Phoenix, ongegrond wordt verklaard.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag overeenkomstig artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement) opgesteld.
De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 5 januari 2018.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2018.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Meindert Gees, die loco advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Justine Tetteroo, die loco advocaat Colin De Beir verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaat Bart De Becker, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
VII-40.124-2/8
III. Feiten
3.1. In Geraardsbergen, deelgemeente Overboelare, tussen de Dender en de Veldekenslaan, wordt sinds 1969 een vliegveld geëxploiteerd. De percelen krijgen later in het gewestplan de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Sinds 1996 wordt het vliegveld geëxploiteerd door de VZW Vlaams Zweefvliegcentrum Phoenix.
De Raad van State heeft verscheidene milieuvergunningen voor de exploitatie van de inrichting vernietigd (zie arrest nr. 193.593 van 28 mei 2009, arrest nr. 220.586 van 13 september 2012, arrest nr. 224.600 van 10 september 2013, arrest nr. 228.685 van 7 oktober 2014 en arrest nr. 235.295 van 30 juni 2016).
3.2. Na het vernietigingsarrest van 30 juni 2016 weigert de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de milieuvergunning. Daarop vraagt de verzoekende partij om bij bestuurlijke maatregel de exploitatie te laten stopzetten.
3.3. Ingevolge voormeld verzoek beslist de burgemeester van de stad Geraardsbergen op 29 november 2016 om als bestuurlijke maatregel aan de VZW Vlaams Zweefvliegcentrum Phoenix op te leggen dat “uitsluitend klasse 3-activiteiten mogen worden uitgeoefend”. Het tegen die bestuurlijke maatregel ingesteld beroep wordt op 15 december 2016 door het afdelingshoofd van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer onontvankelijk verklaard. Tegen deze onontvankelijkheidsverklaring heeft de verzoekende partij een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Raad van State (zaak A. 221.593/VII-39.929).
3.4. Op 16 januari 2017 dient de VZW Vlaams Zweefvliegcentrum Phoenix een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in.
VII-40.124-3/8
3.5. Bij besluit van 24 april 2017 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen de gevraagde vergunning voor een termijn van vijf jaar. In dit besluit wordt overwogen dat de inrichting “niet verenigbaar” is met de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied en dat “er een GRUP „Vliegveld Overboelare‟ in opmaak is en de procedure binnen de 5 jaar afgerond zal zijn en tevens ook uitsluitsel zal geven over de herbestemming van het gebied”.
3.6. Vervolgens heft de burgemeester van de stad Geraardsbergen op 5 mei 2017 de bestuurlijke maatregel van 29 november 2016 op omdat door de milieuvergunning van 24 april 2017 “de rechtsgrond voor de opgelegde bestuurlijke maatregel [vervalt]”.
Met een brief van 1 juni 2017 deelt het afdelingshoofd van de afdeling Handhaving aan de verzoekende partij mee dat het bij de Vlaamse minister van Omgeving ingestelde beroep tegen de beslissing van 5 mei 2017
onontvankelijk is.
Tegen voornoemde beslissingen van de burgemeester van de stad Geraardsbergen en van het afdelingshoofd van de afdeling Handhaving heeft de verzoekende partij een beroep tot nietigverklaring ingesteld (zaak A. 222.417/VII-40.017).
3.7. Intussen, meer bepaald op 17 mei 2017, heeft de verzoekende partij een nieuw verzoek tot de burgemeester gericht om bestuurlijke maatregelen op te leggen teneinde de “onwettige uitbating” van het vliegveld te doen ophouden.
3.8. Op 8 juni 2017 deelt de burgemeester aan de verzoekende partij mee dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraadsbergen op 24 april 2017 een milieuvergunning heeft verleend voor het zweefvliegcentrum, dat tegen voornoemde beslissing een beroepsprocedure loopt bij het
VII-40.124-4/8
provinciebestuur en dat hij “op dit ogenblik dan ook geen bestuurlijke maatregelen [wenst] [op] te leggen en […] het lopende besluitvormingsproces af[wacht]”.
3.9. De verzoekende partij stelt tegen de beslissing van de burgemeester beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.
3.10. Met het thans bestreden besluit van 16 augustus 2017 wijst de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het bestuurlijk beroep van de verzoekende partij als ongegrond af.
Dit besluit is als volgt gemotiveerd:
“Overwegende dat conform artikel 16.4.5 van het DABM er slechts bestuurlijke maatregelen kunnen opgelegd worden na de vaststelling van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf;
Overwegende dat beroepsindiener opwerpt dat de milieuvergunning van 24 april [2017], waarop de bestreden beslissing is gebaseerd, buiten toepassing moet worden gelaten in toepassing van artikel 159 van de Grondwet; dat artikel 159 van de Grondwet bepaalt dat „de hoven en rechtbanken [...] de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe[passen] in zoverre zij met de wetten overeenstemmen‟; dat de in dit grondwetsartikel gestelde regel alleen geldt voor de met rechtspraak belaste organen en niet voor het actief bestuur; dat de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landouw in onderhavige beroepsprocedure optreedt als orgaan van actief bestuur en niet als een met rechtspraak belast orgaan; dat de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw er derhalve toe gehouden is de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen toe te passen, zolang zij niet zijn opgeheven, ingetrokken of vernietigd, tenzij zij wegens hun flagrante, onbetwistbare onwettigheid als niet bestaande moeten worden beschouwd;
Overwegende dat terreinen voor conventionele vliegvelden met een start-
en landingsbaan een klasse 2 dan wel klasse 1 vergunning nodig hebben onder rubriek 57.1 afhankelijk van de lengte van de start- en landingsbaan; dat aan vermoedelijke overtreder op 24 april 2017 door het college van burgemeester en schepenen een milieuvergunning werd verleend voor rubriek 57.1 voor een start- en landingsbaan van minder dan 800 meter;
Overwegende dat de verwerende partij in de bestreden beslissing zegt geen bestuurlijke maatregelen te willen nemen aangezien zij een milieuvergunning verleende aan vermoedelijke overtreder;
Overwegende dat beroepsindiener opwerpt dat de bestreden beslissing ingaat tegen een aantal in kracht van gewijsde gegane arresten van de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen, waarin onder meer werd
VII-40.124-5/8
geoordeeld dat de inrichting van vermoedelijke overtreder, meer bepaald de landingsbaan met een lengte van 600 meter, niet hoofdzakelijk vergund was;
Overwegende dat de lengte van de start- en landingsbaan overeenkomstig de milieuvergunning van 24 april 2017 500 meter zou bedragen, waardoor deze zou komen te liggen binnen het tracé zoals vergund in 1969, zodat ze als vergund kan worden geacht;
Overwegende dat een flagrante, onbetwistbare onwettigheid moet bestaan uit een onregelmatigheid die door iedereen in het rechtsverkeer zonder meer kan worden vastgesteld; dat in redelijkheid kan worden geoordeeld dat de milieuvergunning van 24 april 2017 niet behept is met een zodanig flagrante, onbetwistbare onwettigheid dat ze als niet bestaande moet worden beschouwd;
Overwegende dat de milieuvergunning van 24 april 2017 op vandaag niet is opgeheven, ingetrokken of vernietigd;
Overwegende dat de milieuvergunning van 24 april 2017 derhalve niet buiten toepassing wordt gelaten; dat er dus geen sprake is van een milieumisdrijf, zodat de rechtsgrond voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen ontbreekt;
Overwegende dat hieruit eveneens volgt dat de verwerende partij naar alle redelijkheid kon beslissen om niet in te gaan op het verzoek van beroepsindiener om bestuurlijke maatregelen op te leggen”.
3.11. Op 5 oktober 2017 neemt de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen een besluit waarbij het bestuurlijk beroep dat de verzoekende partij had ingesteld tegen de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen van 24 april 2017, niet wordt ingewilligd.
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
4. De eerste verwerende partij heeft een pleitnota neergelegd.
5. Het algemeen procedurereglement voorziet niet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen echter wel toegestaan om nieuwe feiten, die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van het beroep, aan de Raad van State ter kennis te brengen. In zoverre de door de eerste verwerende partij neergelegde pleitnota op dergelijke feiten betrekking heeft, kan ze dan ook bij de zaak worden betrokken. In zoverre de pleitnota geen betrekking heeft op dergelijke feiten, maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter zitting, wordt ze niet als een processtuk,
VII-40.124-6/8
maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen.
V. Toepassing van de versnelde rechtspleging van artikel 93 van het algemeen procedurereglement
6. De auditeur-verslaggever heeft op 28 november 2017 een verslag opgesteld met toepassing van artikel 93 van het algemeen procedurereglement omdat hij van oordeel is dat het annulatieberoep met korte debatten definitief beslecht kan worden. Meer bepaald besluit hij tot de gegrondheid van het enige middel omdat de bestreden beslissing steunt op de door het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen verleende milieuvergunning van 24 april 2017 die echter onwettig is, “bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing [moet] worden gelaten” en “geen geldig motief [kon] vormen voor de bestreden beslissing”.
7. Zoals in hetzelfde verslag wordt aangegeven, werd de vergunningsbeslissing van 24 april 2017 inmiddels vervangen door een besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 5 oktober 2017 waarbij in graad van beroep aan de VZW Vlaams Zweefvliegcentrum Phoenix een milieuvergunning is verleend voor de exploitatie van het betrokken vliegveld.
Aangezien het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen uitgaat van de premisse dat de inrichting zonder (geldige) vergunning wordt geëxploiteerd, is het gepast de wettigheid van de op 5 oktober 2017
verleende milieuvergunning aan het normale debat te onderwerpen.
8. Het is daarom aangewezen dat de zaak volgens de regels van de gewone rechtspleging van het algemeen procedurereglement wordt behandeld.
VII-40.124-7/8
VI. Verzoek tot bevel en dwangsom
9. Uit wat voorafgaat volgt dat het in de huidige stand van de procedure voorbarig is om over te gaan tot de beoordeling van het verzoek om “na de betekening van een eventueel vernietigingsarrest […] te bevelen de inrichting onmiddellijk stil te leggen onder verbeurte van een dwangsom van 7500 euro per dag vertraging”.
BESLISSING
1. De Raad van State heropent het debat.
2. De Raad van State verwijst de zaak naar de gewone rechtspleging.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf maart tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Peter Sourbron
VII-40.124-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.894