Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.889 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.889 Généré par l'IA

Belgian State dismissed promotion appeal; court rejects inadmissibility objections and remits debate on remaining subjects.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.889
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the applicant's appeal against decisions refusing her promotion to the rank of General Counsel. The State argued the appeal was inadmissible because the applicant lacked standing to challenge the government's inaction on a regulatory decree. The court rejected this view, noting that successfully challenging such inaction creates a binding obligation for the government to issue necessary executive measures. Consequently, the appeal was dismissed regarding the promotion refusal, while the debate on the remaining subjects was reopened for further examination.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 14, § 3 and 15, § 1 of the Rules of Civil Procedure: A party has standing to challenge the government's failure to issue a regulatory decree if such failure prevents the execution of a binding administrative decision, thereby creating a legal interest in the annulment of the inaction.

Mots-clés

Généré par l'IA
standing to sue regulatory decree government inaction executive measures administrative promotion binding force reopening of debate nomination de l'administration de faillite

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 14, § 3 of the Rules of Civil Procedure
Article 15, § 1 of the Rules of Civil Procedure

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Arrêt nr. 236.827
Zaak A.222.068/IX-9062
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

IXe KAMER

nr. 240.889 van 5 maart 2018

in de zaak A. 222.129/IX-9063

In zake : Evy POINT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie 2. de CENTRALE DIENST VOOR SOCIALE EN CULTURE-

LE ACTIE VAN HET MINISTERIE VAN LANDSVER-

DEDIGING

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Tim Souverijns kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 4 mei 2015, strekt tot de nietigverkla-

ring van:

“de afwijzende beslissingen op haar aanvragen:

- Te beschikken over de aanvraag van Mevrouw E. Point tot bevordering door verhoging naar de hogere klasse A4, in het Nederlandstalig taalka-

der, in de betrekking van directeur-generaal Sociale Zaken (adviseur-

generaal – klasse A4) bij de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Ac-

tie van het Ministerie van Landsverdediging en tot het dragen van de titel van adviseur-generaal, dit met ingang van 1 december 2014, in onderge-

schikte orde met ingang van 1 januari 2017, in zeer ondergeschikte orde met ingang van 1 mei 2017;

IX-9063-1/14

- Mevrouw Evy Point te bevorderen door verhoging naar de hogere klasse A4, in het Nederlandstalig taalkader, in de betrekking van directeur-

generaal Sociale Zaken (adviseur-generaal – klasse A4) bij de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van het Ministerie van Landsver-

dediging en te machtigen tot het dragen van de titel van adviseur-generaal, dit met ingang van 1 december 2014, in ondergeschikte orde met ingang van 1 januari 2017, in zeer ondergeschikte orde met ingang van 1 mei 2017, - bij toepassing van artikel 17, § 1 van het KB van 16 november 2006 (be-

treffende de aanduiding en de uitoefening van de management- en staf-

functies in sommige instellingen van openbaar nut) de weging van de functies van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal van de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van het Ministerie van Landsverdediging, bepaald in artikel 8 van de wet van 10 april 1973

(houdende oprichting van een Centrale dienst voor Sociale en Culturele Actie van het Ministerie van Landsverdediging) vast te leggen;

- bij toepassing van artikel 3 § 3 van het KB van 16 november 2006 (be-

treffende de aanduiding en de uitoefening van de management- en staf-

functies in sommige instellingen van openbaar nut) de functies van ad-

junct-administrateur-generaal, alsook het aantal managementfuncties -1

en het aantal staffuncties -1 in de Centrale Dienst voor Sociale en Culture-

le Actie van het Ministerie van Landsverdediging vast te stellen.”

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie inge-

diend.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 februari 2018.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

IX-9063-2/14

Advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Tim Souverijns, die tevens loco advocaat Dirk Lindemans verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoekster is als statutair ambtenaar tewerkgesteld bij de Cen-

trale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van het ministerie van Landsverdedi-

ging (hierna: de CDSCA), benoemd in niveau A, klasse A3.

De CDSCA is een bij artikel 1 van de wet van 10 april 1973

‘houdende oprichting van een Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van het Ministerie van Landsverdediging’ opgerichte publiekrechtelijke rechts-

persoon die onder de controle van de minister van Landsverdediging (thans: de minister van Defensie) staat. Het betreft een instelling van openbaar nut van cate-

gorie B, onderworpen aan de wet van 16 maart 1954 ‘betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut’ (hierna: de wet van 16 maart 1954).

3.2. Op 29 november 2013 stelt het beheerscomité van de CDSCA

het personeelsplan voor 2014 vast. Daarin wordt opgenomen dat een nieuwe ad-

viseur-generaal in het Nederlandse taalkader moet worden benoemd omwille van de pensionering van de titularis ervan, W.V., op 30 november 2014. In het perso-

neelsplan wordt verduidelijkt dat het gaat om een bevordering naar een hogere klasse (A3 naar A4).

IX-9063-3/14

3.3. Tijdens zijn vergadering van 17 december 2013 beslist de di-

rectieraad om deze betrekking via een interne bevorderingsprocedure (A4 NL) in te vullen.

3.4. Op 22 april 2014 verklaart de minister van Landsverdediging “de betrekking met functiecode en -titel ‘DSA713 Directeur-generaal sociale za-

ken’ in de vakrichting ‘Algemeen Beheer’ vacant voor interne bevordering naar de hogere klasse op 1 december 2014”. Overeenkomstig het koninklijk besluit van 20 december 2007 ‘houdende de classificatie van de functies van niveau A’ is dit een functie van de klasse A4.

Vijf ambtenaren, onder wie verzoekster, stellen zich kandidaat.

3.5. Bij ministerieel besluit nr. 93460 van 10 oktober 2014 wordt J.G., adviseur in de klasse A3, met ingang van 1 december 2014, bevorderd tot de klasse A4 met de titel van adviseur-generaal bij de CDSCA in een betrekking van het Nederlandse taalkader.

3.6. Bij arrest nr. 236.827 van 20 december 2016 vernietigt de Raad van State op vordering van verzoekster, voornoemd ministerieel besluit nr. 93460

van 10 oktober 2014 op grond van de volgende overwegingen:

“[D]e CDSCA [is] bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 april 2007

[‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 november 2006 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de management- en staffuncties in sommige instellingen van openbaar nut’] dat in werking is getreden op 3 juni 2007 on-

der het toepassingsgebied gebracht van het koninklijk besluit van 16 november 2006 dat de aanduiding van de management- en de staffuncties regelt. Uit de aanhef van dat besluit van 26 april 2007 blijkt de wens van de Regering om het principe van mandaten te veralgemenen. Er wordt nog verder overwogen dat met het oog op de harmonisering van de regels inzake het federaal admini-

stratief openbaar ambt, het systeem van management- en staffuncties dient te worden ingevoerd in (onder meer) de CDSCA. Aldus is de door de (wijzi-

gings)wet van 27 december 2006 geboden mogelijkheid om de mandaatfunc-

ties in de CDSCA te integreren ook effectief benut waardoor sedert 3 juni 2007 ontegensprekelijk het hele koninklijk besluit van 16 november 2006 op de CDSCA van toepassing is.

Artikel 3, § 1, van datzelfde besluit bepaalt dat zodra de weging van de

IX-9063-4/14

managementfunctie van administrateur-generaal of van directeur-generaal ten minste leidt tot klasse 3 in toepassing van artikel 17, §§ 2 en 3, ‘van datzelfde besluit, de managementfuncties (in de betrokken instelling), naargelang de be-

palingen van de oprichtingswet van de instelling, de volgende zijn: (1) admini-

strateur-generaal of directeur-generaal; (2) de adjunct-administrateur-generaal of adjunct-directeur-generaal én (3) de managementfunctie -1. Op grond van de functiebeschrijving en de daarin beschreven verantwoordelijkheden is het aannemelijk dat de te begeven functie (DSA713, Directeur-generaal Sociale Zaken in de vakrichting Algemeen beheer’, klasse A4) in aanmerking komt om te worden aangeduid als een managementfunctie die moet worden uitgeoe-

fend binnen het kader van een mandaat. Om daarover uitsluitsel te hebben is echter een in ministerraad overlegd koninklijk besluit vereist in de zin van ar-

tikel 3, § 3, van datzelfde besluit van 16 november 2006. Het genoemde artikel 3, §§ 3 draagt de Koning op om bij besluit waarover in de ministerraad werd beraadslaagd en na akkoord van de ministers van Ambtenarenzaken en Begro-

ting – naast de functie van administrateur-generaal of directeur-generaal – ‘de functie van adjunct-administrateur-generaal of van adjunct-directeur-generaal, alsook het aantal managementfuncties -1 en het aantal staffuncties’ vast te stel-

len.

Het belang van het genoemde artikel 3, § 3, blijkt uit het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 16 november 2006. Uit dat verslag blijkt, aldus gevolg gevend aan het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State bij het ontwerpbesluit, dat om redenen van uniformiteit, de Koning –

en, dus, niet de betrokken minister zoals aanvankelijk in het ontwerpbesluit was voorzien –, ermee werd belast om, buiten de functie van administrateur-

generaal (resp. directeur-generaal), ‘de functie van adjunct-administrateur-

generaal of van adjunct-directeur-generaal, alsook het aantal management-

functies -1 en het aantal staffuncties’ vast te stellen. Die vaststelling vereist een in ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen na het akkoord van de ministers van Begroting en Ambtenarenzaken, waaruit alvast blijkt dat het moet gaan om een door de ministerraad gedragen beslissing waarbij ook de begrotingsimpact in ogenschouw wordt genomen.

19. Wat de CDSCA betreft, is precies dat, zo blijkt uit de feiten, niet gebeurd. De verwerende partij verklaart dat door te verwijzen naar ‘budgettai-

re’ en ‘politieke’ redenen. Welke de redenen ook moge zijn, er ligt – anders dan artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit van 16 november 2006 voor-

schrijft – geen koninklijk besluit voor waarbij, naast de functie van administra-

teur-generaal, het aantal management- en, in voorkomend geval, (het aantal)

staffuncties voor de CDSCA zijn vastgelegd.

Dat klemt des te meer nu aan de Raad van State evenmin een beslissing van de ministerraad in de zin van artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 16 november 2006 is voorgelegd noch is de Raad van State enige beslissing in die zin van de ministerraad bekend. Conform het genoemde artikel 17, § 2, komt het de ministerraad toe het gewicht van de functie van de administrateur-

generaal van de CDSCA vast te leggen. Zodra de weging van de management-

functie van administrateur-generaal of van directeur-generaal ten minste leidt tot klasse 3 zijn er zoals hiervoor is uiteengezet de managementfuncties de volgende: administrateur-generaal, adjunct-administrateur-generaal en de ma-

IX-9063-5/14

nagementfunctie -1, in die hiërarchische orde. Dat bevreemdt des te meer nu uit een door de eerste tussenkomende partij bijgebracht stuk – ook al kan dat stuk bezwaarlijk worden aangezien als een beslissing van de ministerraad in de zin van artikel 17, § 2 – niettemin aantoont dat alvast het wegingscomité de functie van administrateur-generaal situeert in de klasse 3 wat, zoals gezegd is, cruciaal is met het oog op de toepassing van artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 16 november 2006. Anders dan de verwerende partij voorhoudt is het dan ook zeker niet ondenkbaar dat er, wat de CDSCA betreft, naast de functie van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal, nog andere functies zouden worden aangeduid als managementfunctie en zulks tot op het niveau N-1. Het genoemde stuk betreft een brief van 20 januari 2014

van de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst ‘Per-

soneel en Organisatie’ gericht aan de minister van Landsverdediging waarbij de voorzitter meldt dat de vergadering van het wegingscomité de functie van administrateur-generaal van de CDSCA situeert in salarisband 3. In die brief wijst hij er – overigens terecht – op dat het de ministerraad is die ingevolge ar-

tikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 16 november 2006 de weging vast-

legt, na akkoord van de ministers van Ambtenarenzaken en Begroting. Om ongekende redenen is die weging niet aan de ministerraad voorgelegd.

Door het verzuim een uitvoeringsbesluit in de zin van artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit van 16 november 2006 te nemen, kan het koninklijk be-

sluit van 16 november 2006 wat de selectie en de aanstelling van de manage-

ment- en staffuncties in de CDSCA betreft, niet worden toegepast. Het wordt daardoor immers onmogelijk (mede) in het licht van artikel 3, § 1, van datzelf-

de besluit dat naast de functies van administrateur-generaal en adjunct-

administrateur-generaal ook voorziet in de managementfunctie -1, om uit te maken of de te begeven functie een managementfunctie -1 is of niet. Enkel het in het genoemde artikel 3, § 3, bedoelde koninklijk besluit kan daaromtrent uitsluitsel geven. Dat verzuim maakt het tevens onmogelijk de tot benoemen bevoegde overheid aan te duiden.

In die omstandigheden mag het nalaten van het aanduiden en het bepalen van het aantal management- en staffuncties niet in het nadeel van verzoekster spelen. Niet alleen heeft die nalatigheid implicaties inzake de tot benoeming bevoegde overheid (de Koning of de minister), maar ook voor de gehele selec-

tieprocedure (externe selectiecommissie Selor of interne selectieprocedure) en de uitoefening van de functie (binnen het kader van een mandaat of niet).

Wanneer een overheid bij wet of reglementair besluit met de uitoefening van een bevoegdheid wordt belast, staat het haar niet vrij hieraan geen uitvoe-

ring te geven. Zij beschikt weliswaar over een discretionaire bevoegdheid om te beoordelen over de wijze waarop zij hieraan uitvoering zal geven, maar het komt haar niet toe hieraan geen uitvoering te verlenen. Zonder het in artikel 3, § 3, bedoelde koninklijk besluit diende de minister in de gegeven omstandig-

heden bij het opstarten van de procedure, dit is alvorens de te begeven functie vacant te verklaren moeten vaststellen dat, bij gebrek aan een koninklijk be-

sluit ter uitvoering van artikel 3, § 3 van het koninklijk besluit van 16 november 2006, de selectie- en benoemingsprocedure niet kon worden op-

gestart. Door dit alsnog te doen heeft hij zich onrechtmatig een bevoegdheid toegeëigend die hem niet toekwam.

IX-9063-6/14

De argumentatie van de verwerende partij waar zij in haar laatste memo-

rie uiteen zet dat er geen bepaling is die stelt dat de minister van Landsverde-

diging niet bevoegd is om het bestreden besluit te nemen zodat er geen schen-

ding is van een bevoegdheidsbepalende regel, overtuigt niet. Integendeel, een administratieve overheid, te dezen de minister, heeft krachtens het in artikel 105 van de Grondwet vervatte publiekrechtelijk algemeen rechtsbeginsel geen andere bevoegdheid dan degene die haar uitdrukkelijk is toegewezen. Het is dus vereist dat een uitdrukkelijke bevoegdheidsgrondslag kan worden aange-

duid waaraan de minister zijn bevoegdheid om te benoemen ontleent. Uit het-

geen hiervoor is uiteengezet blijkt dat dat te dezen onmogelijk is. Naar de om-

schrijving van het begrip ‘benoemende overheid’ in artikel 2 van het ko-

ninklijk besluit van 8 januari 1973 luidens hetwelk de benoemingsbevoegd-

heid de minister toevalt wanneer deze niet bij wet of reglementair besluit aan een andere overheid is toevertrouwd, kan te dezen niet zomaar worden terug-

gegrepen net omwille van de integratie van de management- en staffuncties binnen de CDSCA door het koninklijk besluit van 26 april 2007 waarbij de CDSCA ingevolge de wens van de wetgever onder het toepassingsgebied van het besluit van 16 november 2006 werd gebracht en dat in zijn artikel 10 de bevoegdheid om in een management- of staffunctie te benoemen aan de Ko-

ning [heeft] toevertrouwd zodat het onontbeerlijk is dat deze functies kunnen worden geïdentificeerd.

Ook het beroep op het beginsel van de scheiding der machten faalt. De Raad van State duidt de te begeven functie niet zelf aan als een management-

functie. Hij komt enkel tot het oordeel eensdeels dat het aannemelijk is ervan uit te gaan dat de weging van de functie van administrateur-generaal van de CDSCA zou kunnen leiden tot de klasse drie (gelet op het oordeel van het we-

gingscomité) en dat het anderdeels evenzo aannemelijk is dat de te begeven functie zou kunnen worden aangeduid als een managementfunctie -1. Daartoe moeten evenwel de door de vigerende regelgeving bepaalde procedures wor-

den nageleefd precies opdat de door die regelgeving aangeduide overheden uitsluitsel (zouden) bieden zoals de regelgeving vereist.

Evenmin overtuigt het beroep op het continuïteitsbeginsel. Met het oog op het vrijwaren van de continuïteit waren andere mindere verregaande maatrege-

len mogelijk. Immers, indien een functie vacant is, kan de continuïteit worden verzekerd doordat de ambtenaren van onmiddellijke lagere rang tijdelijk de uitoefening van de functie kunnen waarnemen. Daarenboven kan het continuï-

teitsbeginsel slechts worden ingeroepen binnen de tijdsduur die in redelijkheid is vereist voor te dezen het aanduiden van de status van het te begeven ambt, zijnde een management-, een staffunctie of geen van beide. Het kan bezwaar-

lijk worden aangenomen dat het nog redelijk is te achten dat in 2014 nog steeds geen koninklijk besluit in de zin van artikel 3, § 3 van het besluit van 16 november 2006 kan worden voorgelegd wat de CDSCA betreft. Het conti-

nuïteitsbeginsel stelt de overheid immers niet vrij van de verplichting om de continue werking van haar overheidsdiensten en –instellingen op een regelma-

tige wijze te verzekeren.

20. Het eerste onderdeel van het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond.

Er bestaat aanleiding om de bestreden beslissing te vernietigen.”

IX-9063-7/14

3.7. Op 27 december 2016 stuurt verzoekster een “aanmaning tot beschikken, bedoeld in artikel 14, § 3, RvS-Wet”, “gericht tot de Belgische Staat, inzonderheid de Koning, de Ministerraad, de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, en de Staatssecretaris voor Gelijke Kansen”, meer bepaald om:

“- [t]e beschikken over de aanvraag van Mevrouw E. Point tot bevordering door verhoging naar de hogere klasse A4, in het Nederlandstalig taalkader, in de betrekking van directeur-generaal Sociale Zaken (adviseur-generaal – klas-

se A4) bij de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van het Ministe-

rie van Landsverdediging en tot het dragen van de titel van adviseur-generaal, dit met ingang van 1 december 2014, in ondergeschikte orde met ingang van 1 januari 2017, in zeer ondergeschikte orde met ingang van 1 mei 2017;

- Mevrouw Evy Point te bevorderen door verhoging naar de hogere klasse A4, in het Nederlandstalig taalkader, in de betrekking van directeur-generaal Sociale Zaken (adviseur-generaal – klasse A4) bij de Centrale Dienst voor So-

ciale en Culturele Actie van het Ministerie van Landsverdediging en te mach-

tigen tot het dragen van de titel van adviseur-generaal, dit met ingang van 1 december 2014, in ondergeschikte orde met ingang van 1 januari 2017, in zeer ondergeschikte orde met ingang van 1 mei 2017, - bij toepassing van artikel 17, § 1 van het KB van 16 november 2006 (be-

treffende de aanduiding en de uitoefening van de management- en staffuncties in sommige instellingen van openbaar nut) de weging van de functies van ad-

ministrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal van de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van het Ministerie van Landsverdedi-

ging, bepaald in artikel 8 van de wet van 10 april 1973 (houdende oprichting van een Centrale dienst voor Sociale en Culturele Actie van het Ministerie van Landsverdediging) vast te leggen;

- bij toepassing van artikel 3 § 3 van het KB van 16 november 2006 (be-

treffende de aanduiding en de uitoefening van de management- en staffuncties in sommige instellingen van openbaar nut) de functies van adjunct-

administrateur-generaal, alsook het aantal managementfuncties -1 en het aantal staffuncties -1 in de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van het Ministerie van Landsverdediging vast te stellen;

- bij toepassing van artikel 16 van het KB van 8 januari 1973 (tot vaststel-

ling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut) Mevrouw Evy Point ondertussen toe te voegen aan de directieraad (en/of directiecomité) van de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van het Ministerie van Landsverdediging, indien en zolang de directieraad (en/of di-

rectiecomité) niet bestaat uit ten minste drie ambtenaren ingedeeld in de klas-

sen A4 en A5, dit met ingang van 1 januari 2017, in ondergeschikte orde met ingang van 1 april 2017, in zeer ondergeschikte orde met ingang van 1 mei 2017.”

IX-9063-8/14

3.8. Met een brief van 24 januari 2017 antwoordt de directeur Juri-

dische zaken van het kabinet van de minister van Defensie aan verzoekster:

“De heer minister heeft uw schrijven van december 2016 goed ontvangen en mij opgedragen hierop te antwoorden.

De Raad van State heeft met het arrest nr. 236.827 van 20 december 2016

inderdaad het ministerieel besluit nr. 93460 van 10 oktober 2014 vernietigd.

Echter, de gevolgen die u meent te mogen afleiden uit dergelijk vernietigings-

arrest faalt in rechte.

In elk geval komt het de overheid toe om de mogelijkheden tot reparatie van de vastgestelde onwettigheid te onderzoeken.”

IV. Aanwijzing van de verwerende partij

4.1. In het kader van de voorafgaande maatregelen heeft het audito-

raat zowel de CDSCA als de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Defensie, als verwerende partij aangeduid.

4.2. In haar verzoekschrift vermeldt verzoekster enkel de “Belgi-

sche Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Defensie, belast met Ambte-

narenzaken” als de verwerende partij.

Uit het feitenrelaas sub 3.7 blijkt voorts, en vooral, dat zij enkel aan de Belgische Staat een aanmaning heeft gestuurd om, met verwijzing naar artikel 14, § 3, RvSt-Wet welbepaald die beslissingen te nemen die zij met de huidige vordering, ingevolge het stilzwijgen van de overheid, als fictief afwijzen-

de beslissingen aan de censuur van de Raad van State wil onderwerpen.

Hieruit blijkt dat enkel de Belgische Staat en niet de CDSCA

door verzoekster terecht in de huidige vordering tot nietigverklaring is betrokken als de overheid aan wie de stilzwijgend afwijzende beslissingen moeten worden toegerekend die naar het oordeel van verzoekster het voorwerp vormen van het beroep.

IX-9063-9/14

4.3. Aangezien verzoekster nu eenmaal geen aanmaning tot de CD-

SCA heeft gericht om de met huidige vordering beoogde beslissingen te nemen, is er ook geen reden om die rechtspersoon op grond van de inquisitoriale be-

voegdheden van de Raad van State ambtshalve als verwerende partij in de zaak te betrekken, zelfs niet om reden dat de CDSCA de verwerende partij was in de zaak die heeft geleid tot arrest nr. 236.827.

De CDSCA wordt buiten de zaak gesteld. Met de verwerende partij is hierna enkel de Belgische Staat bedoeld.

V. Ontvankelijkheid van het beroep

A. De weigering om te “beschikken over de aanvraag […] tot bevordering” van verzoekster en de weigering om verzoekster te bevorderen in de betrekking van directeur-generaal (eerste en tweede voorwerp van het beroep)

5.1. Artikel 14, § 3, RvSt-Wet stelt als éérste toepassingsvoorwaar-

de dat de betrokken administratieve overheid “verplicht is te beslissen”.

Die voorwaarde kan uit haar aard niet zijn vervuld indien de overheid tot wie de aanmaning is gericht niet eens over de bevoegdheid beschikt om over het gevraagde te beslissen.

Welnu, niet de Belgische Staat maar wel de CDSCA is de rechtspersoon aan wie de bevoegdheid toevalt om de personeelsleden van de CDSCA via een interne bevorderingsprocedure tot directeur-generaal (klasse A4)

te bevorderen. Dat hetzij de Koning, hetzij de minister bij de uitoefening van die bevoegdheid in voorkomend geval moet optreden als benoemende overheid voor de CDSCA doet hieraan geen afbreuk.

5.2. Desnoods ambtshalve moet worden vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is, wat het eerste en het tweede voorwerp betreft.

IX-9063-10/14

B. De weigering om uitvoering te geven aan de artikelen 17, § 1, en 3, § 3, van het koninklijk besluit van 16 november 2006 (derde en vierde voorwerp van het beroep)

6.1. Het auditoraat gaat ervan uit dat de verplichting voor de Belgi-

sche Staat om de bedoelde beslissingen te nemen die het derde en het vierde voorwerp vormen van het beroep, voortvloeit uit arrest nr. 236.827 van 20 de-

cember 2016 en het leidt hieruit af “dat de voorwaarden van artikel 14 § 3 RvS-

wet niet vervuld waren [op 27 december 2016, datum van de aanmaning,] vermits op dat tijdstip nog geen verplichting om te beschikken bestond aangezien die ver-

plichting pas ten vroegste kon ontstaan bij kennisname van de aangetekende zen-

ding van 28 december 2016 waarmee het arrest nr. 236.827 werd betekend”.

6.2. De Raad laat in het midden vanaf wanneer de termijn loopt voor een aanmaning op grond van een verplichting tot beschikken die het gevolg zou zijn van een arrest van de Raad van State.

Het volstaat voor deze zaak vast te stellen dat de bedoelde pre-

misse faalt.

Er zij aan herinnerd, zoals de Raad van State reeds overwoog in zijn arrest nr. 25.814 van 6 november 1985, dat de bevoegdheid om fictief afwij-

zende beslissingen te vernietigen niet is beperkt tot de handelingen met indivi-

duele draagwijdte, maar dat de Raad ook bevoegd is om het niet uitvoeren van een wets- of verordeningsbepaling af te keuren.

In hetzelfde arrest reeds overwoog de Raad dat uit het feit dat aan de Koning geen uitvoeringstermijn is gesteld, niet volgt dat hij zonder deug-

delijke reden de uitvoering langer dan gedurende enige redelijke termijn zou kunnen opschorten.

Er is geen reden om thans daarover anders te oordelen.

IX-9063-11/14

De eventuele verplichting om te beschikken volgt dan ook rechtstreeks uit de aan de Koning gegeven opdracht, eventueel in samenhang met de redelijke termijn waarover hij beschikt om aan die opdracht gevolg te geven, inzonderheid in het licht van zijn discretionaire bevoegdheid om te oordelen over de wijze waarop hij hieraan uitvoering zal geven.

In zijn arrest nr. 236.827 van 20 december 2016 heeft de Raad van State enkel het verzuim vastgesteld om voor de CDSCA de nodige uitvoe-

ringsbesluiten aan te nemen, waardoor het onmogelijk is de tot benoemen be-

voegde overheid aan te duiden. De Raad heeft daarbij in een obiter dictum herin-

nerd aan de constitutionele beginselen dat wanneer een overheid bij wet of re-

glementair besluit met de uitoefening van een bevoegdheid wordt belast, het haar niet vrij staat hieraan géén uitvoering te geven. Bovendien is het arrest gewezen tegen de CDSCA en niet tegen de Belgische Staat.

6.3. Het is dan ook een verkeerde rechtsopvatting om de verplich-

ting die op de uitvoerende macht van de Belgische Staat rust, uitvoering te geven aan de opdrachten waarmee zij is belast, constitutief af te leiden uit voormeld arrest. Die verplichting volgt rechtstreeks uit de opdracht zelf.

6.4. Het beroep kan bijgevolg, wat de derde en de vierde bestreden beslissing betreft, niet als onontvankelijk worden afgewezen om reden dat de aanmaning voorbarig is, gerekend vanaf de uitspraak of de betekening van arrest nr. 236.827.

7. Volgens het auditoraat heeft verzoekster voorts geen belang bij “de vernietiging van het uitblijven van een reglementair besluit dat de betrokken overheid verplicht is te nemen”, omdat dergelijk arrest “niet tot gevolg heeft dat dit reglementair besluit dan wél genomen is”.

Ook deze opvatting wordt niet bijgevallen. Ze zou artikel 14, § 3, RvSt-wet in vele gevallen illusoir maken. Indien de fictief afwijzende beslis-

IX-9063-12/14

sing met succes wordt bestreden en bij arrest vernietigd, dan staat de positieve verplichting voor de verwerende partij om de noodzakelijke uitvoeringsbesluiten aan te nemen vast, bij een arrest bekleed met gezag van gewijsde. Overigens zal het blijvende stilzitten van de overheid dan kunnen leiden, eventueel, tot een in-

junctie aan het stilzittende bestuur.

8. Aangezien de beide middelen van onontvankelijkheid die het auditoraat tegen het derde en het vierde voorwerp heeft opgeworpen geen oplos-

sing van het geschil bieden, is er reden tot aanvullend onderzoek. Er is reden om in dit aanvullend onderzoek alleszins de stappen te betrekken die de verwerende partij ondertussen zou hebben genomen en waarover zowel de Raad van State als de partijen minstens gedeeltelijk zijn geïnformeerd in de zaak A.222.068/IX-

9062, maar die nog geen voorwerp hebben uitgemaakt van debat in de huidige zaak.

BESLISSING

1. De Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van het ministerie van Landsverdediging wordt buiten de zaak gesteld.

2. De Raad van State verwerpt het beroep, voor zover het is gericht tegen “de afwijzende beslissingen [om te] beschikken over de aanvraag van Me-

vrouw E. Point tot bevordering door verhoging naar de hogere klasse A4, in het Nederlandstalig taalkader, in de betrekking van directeur-generaal Soci-

ale Zaken (adviseur-generaal – klasse A4) bij de Centrale Dienst voor Socia-

le en Culturele Actie van het Ministerie van Landsverdediging en tot het dragen van de titel van adviseur-generaal, dit met ingang van 1 december 2014, in ondergeschikte orde met ingang van 1 januari 2017, in zeer onder-

geschikte orde met ingang van 1 mei 2017 [en om] Mevrouw Evy Point te bevorderen door verhoging naar de hogere klasse A4, in het Nederlandstalig taalkader, in de betrekking van directeur-generaal Sociale Zaken (adviseur-

generaal – klasse A4) bij de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie

IX-9063-13/14

van het Ministerie van Landsverdediging en te machtigen tot het dragen van de titel van adviseur-generaal, dit met ingang van 1 december 2014, in on-

dergeschikte orde met ingang van 1 januari 2017, in zeer ondergeschikte orde met ingang van 1 mei 2017”.

3. De Raad van State heropent het debat voor het overige.

4. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 5 maart 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Geert Van Haegendoren

IX-9063-14/14

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.889