ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.875 · Conseil d'État
Synthèse Legislator
Généré par l'IAHet beroep in de zaak sub I, ingesteld op 19 januari 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Vlaamse Leemstreek” in Geraardsbergen, Haaltert, Ninove, Oudenaarde, Zottegem, Zwalm, Halle, Landen, Lennik en Tienen, “in zoverre het „Deelplan 2, Zone Volkegem (Oudenaarde)‟ en „Deelplan 8 [lees: 7], Zone Kakelenberg Zuid (Geraardsbergen)‟ betreft”.
Regeste Legislator
Généré par l'IAECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.875 · Conseil d'État: Alleen op grond van deze concrete elementen kan de locatie aan de Holleweg – met de woorden van artikel 4.1.4, § 2, DABM – op “systematische en wetenschappelijk verantwoorde” wijze geanalyseerd en geëvalueerd worden ten opzichte van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen locatiealternatieven voor een nieuwe ontginningszone.
Mots-clés
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 240.875 van 2 maart 2018
in de zaken A. 218.119/X-16.494 (I)
218.122/X-16.495 (II).
In zake : I.
de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ
woonplaats kiezend te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75
en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301
II. 1. Yves DE BOCK
2. Ritchy DE KRAEY
3. Dries BOTHUYNE
4. Mieke VAN MAELZAEKE
5. de VZW NATUURPUNT BEHEER
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen De Staercke kantoor houdend te 9550 Hillegem Dries 77
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5
bij wie woonplaats wordt gekozen
X-16.494-16.495-1/20
Tussenkomende partij :
I. de NV O.D.M.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de beroepen
1. Het beroep in de zaak sub I, ingesteld op 19 januari 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Vlaamse Leemstreek” in Geraardsbergen, Haaltert, Ninove, Oudenaarde, Zottegem, Zwalm, Halle, Landen, Lennik en Tienen, “in zoverre het „Deelplan 2, Zone Volkegem (Oudenaarde)‟ en „Deelplan 8 [lees: 7], Zone Kakelenberg Zuid (Geraardsbergen)‟ betreft”.
Het beroep in de zaak sub II, ingesteld op 19 januari 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Vlaamse Leemstreek” in Geraardsbergen, Haaltert, Ninove, Oudenaarde, Zottegem, Zwalm, Halle, Landen, Lennik en Tienen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft in beide zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben in beide zaken een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst in de zaak sub I ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij
X-16.494-16.495-2/20
beschikking van 12 juli 2016. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Auditeur An Van den broeck heeft in beide zaken een verslag opgesteld.
De verzoekende partijen hebben in beide zaken een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft in beide zaken een laatste memorie ingediend en de tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen in beide zaken zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2017.
Staatsraad Jan Clement heeft in beide zaken verslag uitgebracht.
Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij in de zaak sub I, advocaat Jürgen De Staercke, die verschijnt voor de verzoekende partijen in de zaak sub II, advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de tussenkomende partij in de zaak sub I, zijn gehoord.
Auditeur An Van den broeck heeft in beide zaken een met dit arrest andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Samenvoeging
3. De zaken A. 218.119/X-16.494 en A. 218.122/X-16.495 zijn dermate samenhangend dat het past ze samen te voegen.
X-16.494-16.495-3/20
IV. Feiten
4.1. Het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst - Ninove - Geraardsbergen - Zottegem bestemt de zogenaamde Kakelenberg, gelegen tussen de Gentsesteenweg, de Aalstsesteenweg en de straat Osseweide te Schendelbeke (Geraardsbergen), tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het noordwestelijk deel van de Kakelenberg behoort tot het Moenebroek, dat is opgenomen in het habitatrichtlijngebied “Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen”.
4.2. Het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde bestemt een zone ten oosten van de Holleweg in Volkegem (Oudenaarde) tot agrarisch gebied (hierna: het agrarisch gebied aan de Holleweg). Hetzelfde gewestplan bestemt een zone ten westen van de Holleweg tot ontginningsgebied met nabestemming bosgebied.
De eerste tot de vierde verzoekende partijen in de zaak sub II
wonen in de onmiddellijke nabijheid van de Holleweg te Oudenaarde. De vijfde verzoekende partij in de zaak sub II is een natuurvereniging die eigenaar is van meerdere in het habitatrichtlijngebied “Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen” gelegen percelen in de onmiddellijke nabijheid van het agrarisch gebied aan de Holleweg.
5.1. In 2006 stelt de verwerende partij het voorontwerp van bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan “Vlaamse Leemstreek” vast (hierna: het voorontwerp van oppervlaktedelfstoffenplan).
5.2. In het voorontwerp van oppervlaktedelfstoffenplan wordt een deel van de Kakelenberg te Geraardsbergen en een deel van het agrarisch gebied aan de Holleweg te Oudenaarde voorgesteld als nieuwe locaties voor de ontginning van leem.
X-16.494-16.495-4/20
5.3. In de “passende beoordeling” voor de Kakelenberg te Geraardsbergen wordt onder meer gesteld:
“6.2. Beoordeling van de significantie van de impact op de beschermde habitats en soorten […]
Een kans op significant negatieve effecten is te verwachten op de waterhuishouding in het habitatrichtlijndeelgebied „Moenebroek‟ door:
- verwijdering vegetatie en teelaardelaag voorafgaand aan de leemontginning en bijgevolg verminderde infiltratie en dit voornamelijk op de hellingen die afwateren naar Moenebroek - leemontginning en/of stapeling in het noordelijk en deels in het zuidelijk deel van het voorstel-ontginningsgebied (= zone 1 op Figuur 29).
De reden hiertoe is het feit [dat] die zone wellicht een belangrijk intrekgebied is voor kwelzones in het Moenebroek in het bijzonder deze rechtstreeks palend aan de noordwestelijke en noordoostelijke grens van het voorstel-ontginningsgebied en het freatisch grondwater dat de kwelgebieden in het Moenebroek voedt zich op een beperkte diepte bevindt.
Een kans op significant negatieve effecten is te verwachten op de waterkwaliteit in het habitatrichtlijndeelgebied „[h]et Moenebroek‟ door:
- leemontginning met wijziging van contactzone tussen hemelwater en ondergrond in het noordelijk en deels in het zuidelijk deel van het voorstel-ontginningsgebied (= zone 1 op Figuur 29) vermits deze zone wellicht een belangrijk aandeel uitmaakt van de voeding van de Broekbeek/Moenebroekbeek alsook van de intrekgebieden van de kwelzones palend aan het voorstel-ontginningsgebied.
[…]
Overzicht van de kwetsbare tot zeer kwetsbare ecotopen voor verdroging in Moenebroek en hun ligging ten opzichte van het voorstel-
ontginningsgebied.
[…]
mogelijk significant negatief effect op beschermde habitats die gelegen zijn in westelijk deel van Moenebroek, door ontginning in zone 1 (N en deel van Z) van het voorstel-ontginningsgebied (Figuur 29) gezien belangrijk voedingsgebied voor kwelgebieden, Broekbeek en Moenebroekbeek […]
Overzicht van de kwetsbare ecotopen voor eutrofiëring/verzuring in het „Moenebroek‟ en de afstand tot het voorstel-ontginningsgebied.
[…]
mogelijk significant negatief effect op beschermde habitats die gelegen zijn in westelijk deel van Moenebroek, voornamelijk door ontginning in zone 1 (N en deel van Z) van het voorstel-ontginningsgebied (Figuur 29)
gezien infiltratie/voedingsgebied voor kwelgebieden, Broekbeek en Moenebroekbeek in het „Moenebroek‟ […]
Wijzigingen van de waterkwaliteit en -kwantiteit, zoals hierboven reeds werd besproken, kunnen een significant negatieve invloed hebben op
X-16.494-16.495-5/20
beschermde (prioritaire) habitats die gelegen zijn in het westelijk deel van het „Moenebroek‟.
Wijzigingen van de waterkwaliteit en -kwantiteit tengevolge van ontginningen in de zone 1 (Figuur 29) kunnen verder ook een significant negatieve invloed hebben op potentiële populaties van Kamsalamander, Beekprik en Rivierdonderpad in dit deelgebied van het „Moenebroek‟.
[…]
8. Leemten in de kennis Op het huidig moment is er nog onvoldoende informatie beschikbaar omtrent de exacte afbakening van de infiltratiegebieden en omtrent de verblijftijden van het grondwater dat de verschillende kwelzones en waterlopen in het Moenebroek voedt. Tevens is de bijdrage van het leempakket tot de typische kwaliteit van het grondwater die de waterlopen en kwelzones voedt in het Moenebroek nog onvoldoende duidelijk.
[…]
Omwille van bovenstaande leemten en in afwachting van bijkomende gegevens, wordt geoordeeld dat leemontginning in het noordelijk deel en in de noordelijke zone van het zuidelijk deel van het voorstel-
ontginningsgebied (= zone 1 op Figuur 29) momenteel dient uitgesloten te worden.
9. Mitigerende of milderende maatregelen Milderende maatregelen zijn erop gericht de kans op significant negatieve effect te neutraliseren of te beperken tijdens de uitvoering van het project of achteraf in de zone 2 (Figuur 29) door - aangepaste fasering van de uitvoering - de aard van de werkzaamheden - afbakening van niet te verstoren zones […]
10. Besluit Ondiepe leemontginning in zone 2 van de voorgestelde ontginningslocatie (Figuur 29) zal geen betekenisvolle aantasting veroorzaken van de natuurlijke kenmerken van het habitatrichtlijngebied mits voldaan wordt aan de randvoorwaarden van de leemontginning en de bijkomende milderende maatregelen, zoals hierboven vermeld.”
6. Met een op 13 oktober 2006 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd bericht wordt “[e]lke burger” er kennis van gegeven dat hij van 16 oktober tot 17 november 2006 de gelegenheid krijgt opmerkingen of bezwaren te formuleren bij het voorontwerp van oppervlaktedelfstoffenplan.
7. Op 23 juli 2010 stelt de Vlaamse regering het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan “Vlaamse Leemstreek” (hierna: het BOD) definitief vast en gelast zij de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening om
X-16.494-16.495-6/20
ter uitvoering ervan een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) te laten opstellen.
8. Bij de dienst Milieueffectrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer) wordt een verzoek ingediend om ontheven te worden van de verplichting om voor het GRUP “Vlaamse Leemstreek” een plan-milieueffectrapport (hierna: plan-MER)
op te stellen.
Op 21 februari 2013 neemt de dienst Mer volgende beslissing over het laatstgenoemde verzoek:
“Overwegende dat in het kader van het BOD „Vlaamse Leemstreek‟ reeds een systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten gevolgen voor mens en milieu gemaakt is, die voldoet aan de essentiële kenmerken van een plan-MER zoals vermeld in artikel 4.1.4, § 2 van het DABM (zie het advies van de dienst Mer van 21 juni 2007).
Overwegende dat het RUP „Vlaamse Leemstreek‟ een getrouwe vertaling/uitwerking/voortzetting vormt van het BOD „Vlaamse Leemstreek‟ en dat de afgebakende contour van elk van de locatievoorstellen opgenomen in het BOD klaarblijkelijk zoveel mogelijk gevolgd werd in het RUP.
Overwegende dat kleine afwijkingen/verfijningen/aanpassingen tussen een BOD en het RUP ter uitvoering van dit BOD onvermijdbaar zijn, maar dat deze in casu niet van die aard zijn dat zij een nieuwe milieueffectenbeoordeling zouden rechtvaardigen.
Om bovenstaande redenen is de dienst Mer van mening dat een ontheffing van de verplichtingen inzake milieueffectrapportage overeenkomstig artikel 4.2.5 tot en met 4.2.10 van het DABM toegekend kan worden voor het gewestelijk RUP „Vlaamse Leemstreek‟. De ontheffing wordt toegekend op basis van artikel 4.2.3, § 3bis, b) van het DABM.”
9. Op 7 maart 2013 wordt over het voorontwerp van GRUP
“Vlaamse Leemstreek” een plenaire vergadering gehouden.
10. De Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening – Onroerend Erfgoed verleent op 24 april 2013 advies over het voorontwerp van GRUP.
X-16.494-16.495-7/20
11. Op 19 december 2014 stelt de verwerende partij het ontwerp van GRUP voorlopig vast.
Het ontwerpplan omvat meerdere afzonderlijke deelgebieden, waarvan de meeste geheel of gedeeltelijk bestemd worden tot gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen, die specifiek bestaat in leemontginning.
12. Van 3 februari 2015 tot 3 april 2015 wordt over het ontwerp van GRUP een openbaar onderzoek gehouden.
13. Op 22 oktober 2015 brengt de afdeling Wetgeving van de Raad van State advies nr. 58.207/1 uit over het ontwerpbesluit.
14.1. Met een besluit van 30 oktober 2015 stelt de verwerende partij het GRUP “Vlaamse Leemstreek” definitief vast. Van dit besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 november 2015.
14.2. Deelplan 2 “Volkegem” van het GRUP herbestemt het westelijk deel van het agrarisch gebied aan de Holleweg tot “gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen met nabestemming bouwvrij agrarisch gebied” (hierna: de nieuwe ontginningszone aan de Holleweg).
14.3. Deelplan 7 “Kakelenberg Zuid” van het GRUP herbestemt een deel van de Kakelenberg tot “gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen met nabestemming bouwvrij agrarisch gebied” (hierna: de nieuwe ontginningszone Kakelenberg). De nieuwe ontginningszone Kakelenberg grenst in het noorden aan het habitatrichtlijngebied “Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen”. Ter verduidelijking is hierna een weergave van de plaatselijke toestand opgenomen.
X-16.494-16.495-8/20
15. Op 28 november 2016 keurt de dienst Mer een voor de nieuwe ontginningszone Kakelenberg opgemaakt project-milieueffectrapport (hierna:
project-MER) goed, waarin het volgende wordt gesteld:
“Aangezien de locatiealternatieven bestudeerd werden in een formeel planMER volgens de procedure geleid door de dienst MER, opgemaakt door erkende deskundigen en met publieke inspraak en gelet op het daarop volgend GRUP (beslist beleid) worden in dit project-MER geen locatiealternatieven bestudeerd.”
V. Ontvankelijkheid in de zaak sub II
16. Terecht werpt de verwerende partij op dat verzoekers in de zaak sub II enkel belang hebben bij de vernietiging van deelplan 2 “Volkegem”
(Oudenaarde).
VI. Onderzoek van het vierde middel in de zaak sub II
Standpunt van de partijen
17.1. In het vierde middel voeren verzoekers de schending aan van de artikelen 4.1.4 en 4.2.3, § 3bis, van het decreet van 5 april 1995 „houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid‟ (hierna: DABM).
X-16.494-16.495-9/20
17.2. Verzoekers lichten toe dat de in het BOD gedane milieueffectbeoordeling onvolledig is. Het BOD geeft immers zelf aan dat niet alle effectgroepen in de effectbespreking zijn opgenomen. Zo wordt expliciet vermeld dat stofemissies niet onderzocht werden als effectgroep. De redenen die voor die lacune worden opgegeven zijn dat het – ten eerste – allemaal dezelfde soort ontginningen betreft zodat dit geen onderscheidend element zou opleveren tussen de verschillende locatievoorstellen, en – ten tweede – dat onderzoek naar en maatregelen tegen stofhinder bij uitstek worden genomen op project-MER- en vergunningenniveau.
Verzoekers brengen daar tegen in dat bij de herbestemming van het agrarisch gebied aan de Holleweg tot ontginningszone stofemissies een zeer belangrijke rol spelen. In droge perioden zal de ontginning door opwaaiend leem grote hoeveelheden fijn stof produceren dat over honderden meters door de lucht getransporteerd wordt en in de woonkernen neerslaat. Dit (fijn) stof heeft niet alleen een belangrijke impact op de leefbaarheid van de woonkernen maar ook op de gezondheid van de lokale bevolking (verhoogde risico‟s op het niveau van de ademhalingswegen).
Verzoekers benadrukken dat de impact van het stof op de leef-
en woonkwaliteit niet werd behandeld in het BOD, zodat er geen rekening mee is gehouden bij de herbestemming van het agrarisch gebied aan de Holleweg. Gelet op inzonderheid de lacune inzake stofemissies, liggen met het BOD geenszins een systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten gevolgen voor mens en milieu, die voldoen aan de essentiële kenmerken van een plan-MER, voor. De dienst Mer had, gelet op deze lacune, geen ontheffing van de verplichting om een volwaardig MER-rapport op te stellen, mogen verlenen.
18. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij vooreerst dat de juridische grondslag voor het kwaliteitsbeleid inzake lucht wordt geregeld door Europese richtlijnen die in het interne recht zijn omgezet door VLAREM II. Volgens de verwerende partij gaan verzoekers er in hun middel van
X-16.494-16.495-10/20
uit dat het bestreden GRUP er de oorzaak van is dat de grenswaarden inzake fijn stof in de onmiddellijke omgeving van deelplan 2 “Volkegem” blijvend zullen worden overschreden. Een ruimtelijk uitvoeringsplan bepaalt echter enkel de bestemming van een wel omschreven gebied. De verwerende partij wijst er op dat krachtens VLAREM II de bevoegde minister ervoor moet zorgen dat er een plannenprogramma wordt opgesteld en uitgevoerd dat er toe leidt dat aan de grenswaarden wordt voldaan en ingeval het niveau van meer dan één verontreinigde stof hoger ligt dan de grenswaarden, gezorgd wordt voor een geïntegreerd plan voor alle betrokken verontreinigde stoffen. Volgens de verwerende partij kan uit VLAREM II niet worden afgeleid dat het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan niet mogelijk is indien zou blijken dat bij de realisatie van de in dit plan voorziene bestemmingen op zichzelf genomen de overschrijding van één of meer grenswaarden mogelijk is. Het blijkt niet dat milieukwaliteitsnormen ook bindend zouden zijn bij de vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen.
De verwerende partij besluit dat in het BOD terecht is onderschreven dat bij de beoordeling van de milieueffecten stofemissies niet worden onderzocht als effectgroep om volgende redenen:
“Enerzijds omdat het allemaal dezelfde soort ontginningen betreft en dit dus geen onderscheidend element oplevert tussen de verschillende locatievoorstellen, en anderzijds omdat onderzoek naar maatregelen tegen stofhinder bij uitstek op project-MER- en vergunningenniveau worden genomen.”
Beoordeling
19. Krachtens artikel 4.1.4, § 2, DABM heeft de milieueffectrapportage als essentieel kenmerk “de systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten […]
gevolgen voor mens en milieu, van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor de actie of onderdelen ervan”.
X-16.494-16.495-11/20
Bij de milieueffectbeoordeling van een ruimtelijk uitvoeringsplan moet in de eerste plaats, vanuit het oogpunt van de milieueffecten, voor elke zone van het plan de vergelijking worden gemaakt tussen de verordenende voorschriften van het bestaande plan en die van het voorgenomen plan. Wanneer uit deze planologische toets blijkt dat er zich inzake milieueffecten een relevante wijziging voordoet, moet deze wijziging bij het onderzoek worden betrokken.
20. Door het bestreden GRUP wijzigt de bestemming landbouw van het agrarisch gebied aan de Holleweg naar de bestemming leemontginning.
21.1. De milieueffectbeoordeling van een ruimtelijk uitvoeringsplan moet concreet zijn en diende dus in het onderhavige geval rekening te houden met elementen zoals de situering van de dichtstbijzijnde woningen en de omvang van de nieuwe ontginningszone aan de Holleweg.
21.2. Alleen op grond van deze concrete elementen kan de locatie aan de Holleweg – met de woorden van artikel 4.1.4, § 2, DABM – op “systematische en wetenschappelijk verantwoorde” wijze geanalyseerd en geëvalueerd worden ten opzichte van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen locatiealternatieven voor een nieuwe ontginningszone.
21.3. Het kan redelijkerwijze niet worden betwist dat de winning van de oppervlaktedelfstof leem stofhinder veroorzaakt die gevolgen heeft voor mens en milieu. Stofemissies zijn dan ook een relevant aspect bij het analyseren en evalueren van locatiealternatieven voor een nieuwe ontginningszone.
22. De verwerende partij lijkt er aan voorbij te gaan dat het onderzoek naar alle relevante aspecten van de locatiealternatieven, om zinvol te zijn, moet gebeuren vóór de vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan waarin de door de overheid geselecteerde locatie tot ontginningszone wordt herbestemd.
X-16.494-16.495-12/20
23. Door voorafgaand aan de vaststelling van deelplan 2
“Volkegem” bij de beoordeling van de milieueffecten stofemissies niet als effectgroep te onderzoeken ligt geen effectenbeoordeling voor die voldoet aan artikel 4.1.4, § 2, DABM.
Aan de voorgaande vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de in de memorie van antwoord aangehaalde verplichtingen uit de Europese richtlijnen en VLAREM II of door de in het BOD vermelde omstandigheden dat “het allemaal dezelfde soort ontginningen betreft” en dat “onderzoek naar maatregelen tegen stofhinder bij uitstek op project-MER- en vergunningenniveau worden genomen”.
24. Het middel is gegrond.
VII. Onderzoek van het eerste middel in de zaak sub I
Standpunt van de partijen
25.1. De verzoekende partij voert in het eerste middel onder meer de schending aan van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 „betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu‟ (hierna: het decreet natuurbehoud) en van het materiëlemotiveringsbeginsel.
25.2. De verzoekende partij stelt dat er voor de nieuwe ontginningszone Kakelenberg een gebrekkige toetsing is gebeurd van de effecten van de leemontginning op de waterafhankelijke habitatrichtlijngebiedvegetaties.
Bij de afbakening van deze nieuwe ontginningszone is onvoldoende rekening gehouden met de waterkundige effecten van de leemontginning op het aangrenzende natuurgebied Moenebroek dat deel uitmaakt van het habitatrichtlijngebied “Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen”. Volgens de verzoekende partij is er onvoldoende wetenschappelijke zekerheid dat de ontginning binnen de door het deelplan 7 van het bestreden
X-16.494-16.495-13/20
GRUP afgebakende zone geen betekenisvolle negatieve effecten zou hebben op de grondwaterafhankelijke habitats in het lager gelegen habitatrichtlijngebied.
De verzoekende partij benadrukt dat de afbakening van de nieuwe ontginningszone Kakelenberg arbitrair is gebeurd. Er bestaan immers cruciale leemten in de kennis omtrent de hoeveelheid grondwater en de kwaliteit van het grondwater dat richting het habitatrichtlijngebied stroomt. Daarnaast blijkt ook onvoldoende hoe het schrappen van één van de stukken uit het oorspronkelijk voorstel de betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van het habitatrichtlijngebied zou kunnen voorkomen.
26. In haar memorie van antwoord wijst de verwerende partij er op dat het in de passende beoordeling onderzochte gebied “Kakelenberg” veel ruimer was dan de zone die uiteindelijk door deelplan 7 van het bestreden GRUP
tot ontginningszone werd bestemd. De in de passende beoordeling erkende “leemte in de kennis” heeft enkel betrekking op de specifieke beschreven zone(s), en geldt dus niet voor alle onderzochte zones. De in de passende beoordeling voorgestelde uitsluiting had enkel betrekking op “het noordelijke deel en […] de noordelijke zone van het zuidelijk deel van het voorstel”. De verwerende partij benadrukt dat om deze reden deelplan 7 van het bestreden GRUP beperkt werd tot Kakelenberg Zuid. Voor die uiteindelijk gekozen zone Kakelenberg Zuid zijn in de passende beoordeling geen effecten vastgesteld. Met betrekking tot de discipline waterhuishouding is wel een milderende maatregel opgelegd die de diepte van de ontginning beperkt tot op de onderliggende ondoorlatende kleiige laag.
De verwerende partij benadrukt dat in het bestreden GRUP
enkel deze zones zijn opgenomen waar de beoogde ordening geen schadelijk effect kan doen ontstaan, minstens dat dit schadelijk effect zoveel mogelijk wordt beperkt, hersteld of gecompenseerd. De zones waarvoor om reden van een leemte in de kennis de effecten niet kunnen worden beoordeeld, worden in de passende beoordeling en het BOD uitgesloten en in het bestreden GRUP niet opgenomen.
Dat de zones waarvoor wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen beoordeling
X-16.494-16.495-14/20
kon gemaakt worden, niet zijn opgenomen in het bestreden GRUP wordt ook bevestigd in de volgende passage uit de toelichtingsnota:
“Kakelenberg Zuid werd in de eindconclusie van het BOD opgenomen bij de locatievoorstellen waarvoor, eventueel in een hertekende vorm, een consensus werd bereikt. Het advies voor dit locatievoorstel was positief op voorwaarde van een hertekening van de contour conform de conclusie van de [p]assende [b]eoordeling. Dit hertekende voorstel is voorwerp van voorliggend RUP.”
27. In haar toelichtende memorie stelt de tussenkomende partij dat de waterkundige effecten van de leemontginning op het natuurgebied Moenebroek wel degelijk in het BOD zijn onderzocht. Dit blijkt uit het volgende citaat uit het BOD:
“Door de noordwestelijke zone van het voorgestelde gebied (steile helling) niet te ontginnen, kan het effect van verhoogde afstroming naar de vallei beperkt worden.
Indien het kleiige pakket niet wordt aangesneden (behoud „topografie‟ van deze laag), wordt verwacht dat het effect op de natte vegetaties beperkt zal zijn.
Het niet ontginnen van de noordwestelijke zone en niet aansnijden van het kleiige pakket vormen randvoorwaarden voor dit locatievoorstel [...].”
De tussenkomende partij stelt enkel te kunnen vaststellen dat de in het BOD gestelde voorwaarden doorwerking in het bestreden GRUP hebben gekregen, meer bepaald door de ontginningszone te beperken tot Kakelenberg Zuid. Nu het gebied ten noordwesten niet mag worden aangesneden en ook daadwerkelijk planologisch niet aangesneden wordt, valt niet in te zien om welke redenen de passende beoordeling niet zou voldoen.
28. In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat de verzoekende partij op geen enkele wijze haar bewering hard maakt dat de uitsluiting van bepaalde delen van de Kakelenberg louter arbitrair zou zijn doorgevoerd. De verwerende partij voegt er aan toe dat de verzoekende partij met die bewering de overwegingen van het BOD en van de passende beoordeling miskent.
X-16.494-16.495-15/20
29. In haar laatste memorie stelt de tussenkomende partij dat de verzoekende partij ten onrechte nalaat te verduidelijken dat haar kritiek uit het verzoekschrift steun zou vinden in het inmiddels opgemaakte project-MER.
Beoordeling
30. Artikel 36ter, §§ 3 en 4, van het decreet natuurbehoud stelde toentertijd:
“§ 3. Een […] plan […] dat […] een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone.
[…]
§ 4. De overheid die over een […] een plan […] moet beslissen, mag […] het plan […] slechts goedkeuren indien het plan […] geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan.”
Een ruimtelijk uitvoeringsplan is, zoals elke bestuurshandeling, onderworpen aan de materiëlemotiveringsverplichting, hetgeen inhoudt dat het moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die blijken, hetzij uit het ruimtelijk uitvoeringsplan zelf, hetzij uit de stukken van het dossier.
31. Het bestreden GRUP steunt op de in het BOD vervatte passende beoordeling. De conclusie van die passende beoordeling voor de Kakelenberg te Geraardsbergen (randnr. 5.3) is dat “zone 1 op Figuur 29” buiten de nieuwe ontginningszone moet worden gehouden omwille van de mogelijke significant negatieve effecten op het aangrenzende habitatrichtlijngebied.
Anders dan de verwerende partij en de tussenkomende partij –
blijkbaar in navolging van de toelichtingsnota – laten uitschijnen is de laatstgenoemde conclusie niet correct doorvertaald in deelplan 7 van het bestreden GRUP. Het blijkt immers dat een substantieel deel van “zone 1 op Figuur 29” opgenomen is in de nieuwe ontginningszone Kakelenberg zoals die
X-16.494-16.495-16/20
vastgesteld is door het grafische plan van deelplan 7 van het bestreden GRUP.
Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit “Figuur 29” van de passende beoordeling met daarna een weergave van de nieuwe ontginningszone Kakelenberg waarop de grens van “zone 1 op Figuur 29” is aangeduid.
32. Voor het deel van de nieuwe ontginningszone Kakelenberg dat samenvalt met “zone 1 op Figuur 29” blijkt niet op grond van welk rechtens verantwoorde motief de plannende overheid heeft kunnen beslissen dat deelplan 7
geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van het aangrenzende habitatrichtlijngebied kan veroorzaken.
X-16.494-16.495-17/20
33. De tussenkomende partij kan er zich niet dienstig op beroepen dat de verzoekende partij nalaat het op 28 november 2016 goedgekeurde project-
MER te bekritiseren, al was het maar omdat daarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat “geen locatiealternatieven [worden] bestudeerd” (randnr. 15).
34. Het middel is in de aangegeven mate gegrond.
VIII. Rechtsplegingsvergoeding in de zaak sub I
Standpunt van de partijen
35.1. In haar laatste memorie vraagt de verzoekende partij om haar “een passende rechtsplegingsvergoeding op te leggen”.
35.2. De verwerende partij doet gelden dat de verzoekende partij geen aanspraak kan maken op meer dan de minimale rechtsplegingsvergoeding, aangezien zij gedurende de gehele schriftelijke procedure geen advocaat geraadpleegd heeft.
Beoordeling
36. De rechtsplegingsvergoeding is een tegemoetkoming in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Te dezen wordt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding ten behoeve van de verzoekende partij bepaald op het minimum van 140 euro, gelet op het gebrek aan complexiteit van de zaak, althans voor de advocaat.
Immers heeft de advocaat van de verzoekende partij zich pas ná de laatste memories gemanifesteerd en was zijn optreden ertoe beperkt om de verzoekende partij ter zitting te vertegenwoordigen.
X-16.494-16.495-18/20
BESLISSING
1. De zaken A. 218.119/X-16.494 en A. 218.122/X-16.495 worden gevoegd.
2. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015 houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Vlaamse Leemstreek”, in zoverre het deelplan 2
“Volkegem” (Oudenaarde) en deelplan 7 “Kakelenberg Zuid”
(Geraardsbergen) betreft.
De Raad van State verwerpt de beroepen voor het overige.
3. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit.
4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1200 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partij in de zaak A. 218.119/X-16.494 evenals een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partijen in de zaak A. 218.122/X-16.495.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
X-16.494-16.495-19/20
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee maart 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Johan Lust
X-16.494-16.495-20/20
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.875