Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.855 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.855 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against Flemish government's decision to revoke a crematorium permit due to procedural flaws.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.855
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of State dismissed the appeal filed by four individuals against the Flemish Minister's decision to revoke a crematorium permit. The applicants argued that the permit was granted without sufficient environmental impact assessment data and that odor nuisance was not properly evaluated. The court ruled that the administrative authority correctly relied on expert studies showing emissions were negligible and that additional technical details provided after the public inquiry did not alter the permit's essential subject matter.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 86, 87, 88, 89, 90, 91, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 98, 99, 100 of the Code of Administrative Justice; The court held that an administrative decision remains valid if subsequent information provided by the applicant does not fundamentally change the subject matter of the original request or constitute essential data required at the time of the public inquiry.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative appeal environmental permit crematorium operation public inquiry procedure subsequent information odor nuisance assessment dioxine emissions autorisation d'essai

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 to 100 of the Code of Administrative Justice
Decree of 28 June 1985 concerning environmental permits
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 240.855 van 1 maart 2018

in de zaak A. 218.844/VII-39.643.

In zake : 1. Peter BERT

2. Alex MOENS

3. Alex NOTEBAERT

4. Mark VANDEMOORTELE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Malfait en Eva De Witte kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

de INTERGEMEENTELIJKE (OPDRACHTHOUDENDE)

VERENIGING VOOR CREMATORIUMBEHEER IN

ZUID-WEST-VLAANDEREN (PSILON)

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Roel Meeus kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 25 maart 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 21 januari 2016 waarbij enerzijds het ministerieel besluit van

VII-39.643-1/45

12 juli 2013 wordt ingetrokken en anderzijds het beroep, ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 21 februari 2008, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de Intergemeentelijke Vereniging voor Crematoriumbeheer in Zuid-West-Vlaanderen (PSILON) voor het exploiteren van een crematorium, gelegen aan de Ambassadeur Baertlaan te Kortrijk, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 23 juni 2016. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

Auditeur Dieter Decock heeft een verslag opgesteld.

De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Tom Malfait, die verschijnt voor de verzoekers, advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

VII-39.643-2/45

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De tussenkomende partij dient op 13 augustus 2007 bij de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een vergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een crematorium, gelegen aan de Ambassadeur Baertlaan te Kortrijk.

3.2. Volgens het Bijzonder Plan van Aanleg nr. 33/4

“Kerkhof-Hoog Kortrijk”, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 17 november 1994, ligt de inrichting in een zone “kerkhof”.

3.3. Tot het voorwerp van de aanvraag behoren in concreto:

- het lozen van 500 m3/jaar huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater;

- een noodgenerator met dieselmotor van 500 kW;

- een transformator van 630 kVA;

- een stalplaats voor zes lijkwagens;

- een airco van 200 kW;

- een koel-, oven- en filterinstallatie;

- een koelcel voor lijkkisten;

- twee luchtcompressoren van elk 7,5 kW;

- een bovengrondse opslagplaats voor 2.000 liter diesel;

- de opslag van 200 liter diverse gevaarlijke stoffen;

- een warmtewisselaar van 4.950 liter;

- diverse stookinstallaties op aardgas met een totaal vermogen van 3.120 kW;

- drie crematieovens.

VII-39.643-3/45

3.4. Op 21 februari 2008 verleent de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de gevraagde vergunning voor een termijn van twintig jaar.

Aan de vergunning worden een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden verbonden, waarvan de belangrijkste betrekking hebben op de beheersing van en de controle op luchtemissies.

3.5. Een aantal buurtbewoners, waaronder eerste, derde en vierde verzoeker, stellen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor Leefmilieu, beroep in tegen deze milieuvergunning.

3.6. Op 29 mei 2008 verleent de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid een gunstig advies. De aanvraag wordt in overeenstemming geacht met de bepalingen van het BPA nr. 33/4 “Kerkhof-Hoog Kortrijk”.

Het advies van de afdeling Milieuvergunningen van 30 mei 2008

is eveneens gunstig voor het verlenen van de vergunning, mits de in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden worden aangevuld met een bijkomende bijzondere voorwaarde met betrekking tot het actualiseren van de uitgevoerde mobiliteitsstudie.

De afdeling Onroerend Erfgoed West-Vlaanderen stelt in haar advies van 4 juni 2008 dat de inrichting “de ruimtelijke draagkracht van de omgeving met waardevolle open ruimtekenmerken niet overstijgt”.

De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie stelt op 3 juni 2008 voor om het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren, de beroepen beslissing in die mate te wijzigen dat een bijkomende bijzondere voorwaarde wordt opgelegd en ze voor het overige te bevestigen.

VII-39.643-4/45

3.7. Met een besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 29 augustus 2008 wordt het beroep slechts gedeeltelijk gegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing bevestigd mits het opleggen van een bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarde. Naast de toepasselijke algemene en sectorale milieuvoorwaarden van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, is de bestreden milieuvergunning, door de bevestigde beslissing in eerste aanleg en aangevuld door het besluit na beroep, afhankelijk gesteld van de naleving van een aantal bijzondere voorwaarden.

3.8. Eerste, derde en vierde verzoeker dienen tegen deze beslissing een vordering tot schorsing en beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State.

Bij arrest nr. 190.652 van 19 februari 2009 verwerpt de Raad de vordering tot schorsing.

3.9. De stedenbouwkundige vergunning voor het nieuwe crematorium werd verleend bij besluit van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar van 21 april 2008. Eerste, derde en vierde verzoeker stellen tegen die vergunning een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 216.674 van 5 december 2011 vernietigt de Raad van State dit besluit van 21 april 2008.

3.10. Op 9 februari 2012 trekt de verwerende partij de vergunning van 29 augustus 2008 in. Met hetzelfde besluit wordt aan de tussenkomende partij een nieuwe milieuvergunning verleend. Hoewel het dictum van dit besluit geen wijzigingen bevat in vergelijking met het ingetrokken besluit van 29 augustus 2008, wordt aan de motivering op stedenbouwkundig vlak een nieuwe invulling gegeven.

3.11. Opnieuw tekenen eerste, derde en vierde verzoeker beroep aan bij de Raad van State. Bij arrest nr. 222.750 van 7 maart 2013 vernietigt de Raad van State de op 9 februari 2012 door de minister genomen beslissing aangaande de

VII-39.643-5/45

in het geding zijnde milieuvergunningsaanvraag.

3.12. Ingevolge dit vernietigingsarrest herneemt de verwerende partij het administratief besluitvormingsproces. Een en ander resulteert in een nieuwe vergunningsbeslissing van 12 juli 2013. Ook deze beslissing wordt voor de Raad van State bestreden, meer bepaald in de zaak met rolnummer A. 210.249/VII-38.902. Na kennis te hebben genomen van het auditoraatsverslag in deze zaak, waarin de vernietiging van de beslissing van 12 juli 2013 wordt voorgesteld, en na opnieuw het advies te hebben ingewonnen van de afdeling Gebieden en Projecten van Ruimte Vlaanderen, gaat de verwerende partij op 21 januari 2016 andermaal over tot een intrekking enerzijds en tot het wederom verlenen van een vergunning voor de uitbating van het crematorium anderzijds. Dit is het bestreden besluit.

De motieven van deze beslissing luiden onder meer als volgt:

“Overwegende dat een vernietigingsberoep werd aangetekend bij de Raad van State tegen het ministerieel besluit nr. AMV/000143910/1006B van 12 juli 2013 waarbij het beroep, ingesteld tegen het besluit van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 21 februari 2008 met nummer 34022/356/1/A/1

houdende het verlenen van een milieuvergunning aan O.V. Intergemeentelijke Vereniging voor Crematoriumbeheer voor het exploiteren van een crematorium, ongegrond wordt verklaard; dat dit beroep bij de Raad van State gekend is onder de rolnummer A/A 210.249/VII-38.902;

Overwegende dat de Auditeur in het verslag van 18 december 2015 de vernietiging voorstelt van het ministerieel besluit nr. AMV/000143910/1006B

van 12 juli 2013; dat meer bepaald de Auditeur stelt dat de enkele, zeer algemeen blijvende overwegingen in het ministerieel besluit niet aantonen dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of nog te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang worden gebracht of verstoort, zoals voorgeschreven door artikel 5.6.7, §1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;

Overwegende dat het in deze omstandigheden aangewezen is om het ministerieel besluit van 12 juli 2013 in te trekken en de bestaande overwegingen aan te vullen en te verduidelijken rekening houdende met het Auditoraatsverslag; dat een intrekking steeds mogelijk is lopende een vernietigingsprocedure voor de Raad van State en dit tot aan de sluiting der debatten;

Overwegende dat bij ministerieel besluit AMV/143910/1001C van

VII-39.643-6/45

9 februari 2012 het oorspronkelijk ministerieel besluit AMV/143910/1001B

van 29 augustus 2008, waarbij het besluit van de deputatie van de provincie west-Vlaanderen van 21 april 2008 grotendeels werd bevestigd en de vergunning werd toegestaan, werd ingetrokken; dat bij voormeld ministerieel besluit van 9 februari 2012 tegelijk een nieuwe beslissing werd genomen, waarbij de gevraagde milieuvergunning eveneens wordt verleend; dat weliswaar in datzelfde ministerieel besluit een bijkomende bijzondere voorwaarde inzake de opmaak van een mobiliteitsstudie wordt opgelegd;

Overwegende dat het arrest van de Raad van State van 222.750 van 7 maart 2013, houdende vernietiging van het ministerieel besluit AMV/143910/1001C

van 9 februari 2012, voornamelijk is gebaseerd op;

„... Artikel 20 van het inrichtingsbesluit luidde ten tijde van het bestreden besluit als volgt:

„Bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen kunnen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied‟.

Uit deze bepaling volgt dat de mogelijkheid tot afwijking alleen betrekking heeft op „bouwwerken‟. Zij is dus niet van toepassing op milieuvergunningen.

Het gaat hier immers om een uitzonderingsbepaling, die bijgevolg strikt moet worden geïnterpreteerd. Dat er tussen de stedenbouwkundige en de milieuvergunning een koppelingsmechanisme bestaat, doet hieraan geen afbreuk. De bedenking dat dergelijke interpretatie de in het geding zijnde afwijkingsbepaling zinledig zou maken, betreft veeleer een opportuniteits- dan een wettigheidskritiek. De opmerking van de tussenkomende partij dat de in de rechtspraak voorgehouden interpretatie niet strookt met de bedoeling van de regelgever is niet meer dan een veronderstelling. Deze bepaling kon dan ook niet als rechtsgrond worden gebruikt voor het verlenen van de in het geding zijnde milieuvergunning.‟;

Overwegende dat het beroep ingediend door het buurtcomité Samen Sterk uit Kortrijk betrekking heeft op de exploitatie van een nieuw crematorium in de regio Hoog-Kortrijk; dat de procedure inzake een milieuvergunningsaanvraag niet het instrument is voor het overwegen van mogelijke alternatieve locaties, evenmin als voor het nagaan van de noodzaak voor het bouwen van een nieuw crematorium; dat bij de beoordeling van een aanvraag nagegaan moet worden of de mogelijke hinder en risico‟s tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt;

Overwegende dat in een straal van 100 m rondom de perceelgrens van de inrichting 2 woningen zijn gelegen; dat de dichtste woning op ongeveer 60 m van de perceelgrens van de inrichting ligt;

Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek 3592 bezwaren werden ingediend die betrekking hebben, op onverenigbaarheid met de omgeving, strijdigheid met de ruimtelijke ordening, onvoldoende onderzoek naar alternatieve locaties, impact op de luchtkwaliteit en de volksgezondheid, geurhinder, verspreiding stikstofoxiden, verkeershinder, parkeerproblemen en impact op de waterhuishouding;

Overwegende dat het crematorium uitgerust is met 3 crematieovens; dat het crematieproces ongeveer 70 minuten duurt per crematie; dat per crematie

VII-39.643-7/45

ongeveer 100 kg verbrand wordt, waarvan circa 70 kg van het lijk; dat gemiddeld 8 crematies per dag zullen gebeuren met een theoretisch maximum van 21 per dag of 126 per week; dat de exploitant verklaart dat maximum 3065 crematies per jaar zullen plaatsvinden;

Overwegende dat crematoria niet tot de categorieën behoren die zijn vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage; dat bijgevolg geen milieueffectrapportage vereist is;

Overwegende dat ondertussen de inrichting in exploitatie is sedert 17 oktober 2011; dat er in 2012 volgens de verklaring van de exploitant 2.404 crematies zijn gebeurd in het crematorium;

Overwegende dat de afdeling Milieu-inspectie en de Milieudienst van de gemeente Kortrijk op 7 mei 2013 verklaarden dat er geen proces-verbalen zijn opgesteld ten laste van het crematorium; dat de afdeling Milieu-inspectie eveneens op dezelfde datum verklaarde dat het crematorium voldoet aan de emissiegrenswaarden van titel II van het VLAREM;

Overwegende dat theoretisch voor het beoogde aantal crematies twee ovens kunnen volstaan; dat de exploitant omwille van de kwaliteit van de dienstverlening de werkingsuren wenst te beperken enerzijds, en dat anderzijds vanuit het oogpunt van milieuveiligheid de nodige tijd voor preventief onderhoud van de oven en zuiveringsinstallatie moet voorzien worden; dat in geval van storingen aan een oven of aan een zuiveringsinstallatie tijdens een crematie bij de volgende crematie onmiddellijk kan gebruik gemaakt worden van de derde oven; dat in die zin de plaatsing van een derde oven een back-up geeft, en accidentele emissies kan vermijden; dat de bijzondere voorwaarden van het bestreden besluit, waarin het aantal crematies beperkt wordt tot maximum 3.065 crematies per jaar en waarin wordt gesteld dat een logboek moet worden bijgehouden, derhalve kunnen bevestigd worden;

Overwegende dat elke ovenlijn werkt met twee branders van elk 440 kWh teneinde de geschikte verbrandingscondities te verzekeren; dat per ovenlijn een zuivering van de rookgassen met warmterecuperatie gebeurt, die verder wordt besproken; dat de schoorsteen een hoogte van 10 meter heeft;

Overwegende dat de site vlot bereikbaar is, zowel voor autoverkeer als met het openbaar vervoer; dat de opvangcapaciteit van de Ambassadeur Baertlaan te Kortrijk, waar het crematorium gelegen is, aanzienlijk is; dat de opvangcapaciteit volgens de studie van SGS „Evaluatie van de milieu-impact‟ (pagina 43) 2000 personenauto-equivalenten per uur per rijrichting (samen 4.000) bedraagt; dat voor de installatie van het crematorium er respectievelijk 211 (vanuit het oosten) en 223 (vanuit het westen) personenauto-equivalenten per uur (11% en 11% van de capaciteit) waren; dat van de capaciteit na de installatie van het crematorium respectievelijk 12% en 14% zal gebruikt worden, zijnde 235 personenauto-equivalenten per uur vanuit het oosten en 289 personenauto-equivalenten per uur vanuit het westen; dat er bijgevolg meer dan voldoende reserve voorhanden is om de bijkomende stroom naar het crematorium op te vangen zonder verkeershinder voor de omgeving;

Overwegende dat de ceremonieën zelden gebeuren tijdens piekmomenten, zodat de ochtend- en avondspits er niet door belast worden; dat zaterdagen per definitie verkeersarmer zijn dan weekdagen;

VII-39.643-8/45

Overwegende dat voor parkeergelegenheid gebruik gemaakt wordt van de aansluitende parking van het sportcomplex „Lange Munte‟; dat deze parking een capaciteit heeft van ongeveer 430 plaatsen en herschikt is teneinde ongeveer 80 bijkomende plaatsen te creëren; dat afspraken gemaakt zijn met de KULAK

om in piekmomenten gebruik te maken van hun parkeerfaciliteiten als „overloopparking‟; dat tijdens het plaatsbezoek van 26 april 2013 van een afgevaardigde van de afdeling Milieuvergunningen bleek dat er meer dan voldoende parking beschikbaar was; dat ongeveer 1/4 van de parking bezet was en 3/4 vrij;

Overwegende dat in de mobiliteitstoets Crematorium Kortrijk van 27 maart 2009 op pagina 24 de volgende conclusies staan:

„...

• De verwachte verkeersimpact blijft beperkt in ruime omgeving;

• Weinig tot geen impact op verkeersleefbaarheid waarbij toepassing van milderende maatregelen ondersteunend werkt maar niet noodzakelijk is;

• Crematorium zorgt slechts voor geringe verkeersgeneratie ten opzichte van de toekomstige projecten in Kortrijk-Oost en Hoog-Kortrijk;

• Ceremoniën gaan zelden door tijdens piekmomenten, dus wordt er weinig of geen extra belasting in ochtend- of avondspits verwacht;

• Vlotte bereikbaarheid met openbaar vervoer of fiets, toch wordt overgrote deel van bezoekers met wagen verwacht;

• Er worden voldoende parkeerplaatsen voorzien met reservecapaciteit voor tijdens piekmomenten;‟;

Overwegende dat in titel II van het VLAREM geen verbodsbepaling of afstandsregel is opgenomen voor crematoria, noch voor klasse 1 inrichtingen in het algemeen;

Overwegende dat de geluidshinder tot een voor de omgeving aanvaardbaar niveau wordt beperkt; dat hiervoor de dieselmotor van de noodstroomgenerator voorzien is van een geluidsisolerende omkasting zoals bepaald in de bijzondere voorwaarden van het bestreden besluit;

Overwegende dat het huishoudelijk afvalwater geloosd wordt in oppervlaktewater; dat de Ambassadeur Baertlaan op de plaats van het crematorium niet voorzien is van een geschikte riolering; dat de lozing van huishoudelijk afvalwater gebeurt via een individuele afvalwaterzuiveringsinstallatie;

Overwegende dat er geen ander afvalwater wordt geloosd; dat een buffervijver, gelegen op 400 meter van het geplande crematorium, waarnaar in het beroepschrift verwezen wordt, dienst kan doen als plek voor asverstrooiing;

dat deze vijver niet noodzakelijk is voor het operationeel functioneren van het crematorium en geen deel uitmaakt van de milieuvergunningsaanvraag;

Overwegende dat de inrichting zich niet in (mogelijk)

overstromingsgevoelig gebied bevindt en gesitueerd is in het Leiebekken; dat de betrokken percelen afstromen naar de Keibeek; dat volgens het aanvraagdossier de bijkomende verharde oppervlakte 679 m2 zal bedragen en deze tot gevolg zal hebben dat de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt wordt;

VII-39.643-9/45

Overwegende dat overeenkomstig de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratie-voorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater de bijkomende verharde oppervlakte gecompenseerd wordt door de plaatsing van een hemelwaterput, door een infiltratievoorziening (het grachtenstelsel tussen het gebouw en de Keibeek) en door het creëren van een bufferbekken;

Overwegende dat de vergunningsplichtige activiteit mits naleving van de opgelegde voorwaarden verenigbaar is met het watersysteem en dat er geen schadelijke effecten aan het watersysteem worden verwacht; dat er bijgevolg voldaan wordt aan artikel 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, meer bepaald de watertoets;

Overwegende dat voor wat betreft de milieuhinder voor de omwonenden een impactstudie werd uitgevoerd door een erkend deskundige in de disciplines „lucht‟ en „mens‟ (toxicologische en psychosomatische aspecten); dat deze studie is gebaseerd op maximum 3.065 crematies per jaar; dat dit overeenkomstig de bijzondere voorwaarden van het bestreden besluit ook het maximum aantal crematies is dat de exploitant mag uitvoeren;

Overwegende dat het belangrijkste milieuaspect bij een crematorium de luchtemissies zijn; dat de luchtverontreiniging wordt beperkt door brongerichte maatregelen enerzijds en end-of-pipe-technieken anderzijds;

Overwegende dat in het dossier meerdere bronmaatregelen worden vooropgesteld, met name:

- doodskisten zijn vervaardigd uit natuurlijke materialen die niet geïmpregneerd zijn;

- houtbeschermingsmiddelen of halogeenorganische verbindingen zijn niet toegestaan;

- doodskisten gemaakt van metaal of op basis van niet biodegradeerbare materialen (met uitzondering van verbindingselementen als spijkers, schroeven, nieten, klemmen en metalen voeglatten) zijn niet toegestaan;

- vernis, lakken en verven moeten bij de crematie rookarm, ontvlambaar en vrij zijn van halogeenorganische stoffen en zware metalen;

- accessoires en alle niet houten handgrepen, sierschroeven en andere sierstukken moeten van buitenaf kunnen worden verwijderd;

- er wordt gebruik gemaakt van low-NOx-branders;

- de werking van de ovens wordt voortdurend volautomatisch bijgestuurd op basis van een permanente meting van O2 en CO;

- voor de crematie wordt het lijk zoveel mogelijk ontdaan van alle lichaamsvreemde niet-biodegradeerbare materialen zoals metalen, pacemakers en dergelijke;

Overwegende dat het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 tot bepaling van de voorwaarden waaraan een doodskist of een ander lijkomhulsel moet beantwoorden, en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria onder meer het systematisch verwijderen van pacemakers en het gebruik van lakken en materialen voor lijkkisten regelen; dat de ambtenaar van de burgerlijke stand een verlof tot crematie moet uitreiken vooraleer mag

VII-39.643-10/45

overgegaan worden tot crematie;

Overwegende dat een continue opvolging van de belangrijkste procesparameters noodzakelijk is om de goede werking van de ovens te allen tijde te garanderen; dat hiertoe in het bestreden besluit voorwaarden werden geformuleerd;

Overwegende dat de rookgassen na afkoeling behandeld worden in een cycloon, teneinde het grove stof te verwijderen en eventueel meegesleurde gloeiende deeltjes af te scheiden; dat verder per lijn een mouwenfilter is voorzien waardoor de gemiddelde restemissie van stof bij goed onderhoud minder dan 5 mg/Nm3 zal bedragen; dat om de dioxinen en furanen en zware metalen te verwijderen als zuiveringstechniek vóór de mouwenfilters injectie van een mengsel van actief kool en kalk(steen) wordt voorzien; dat deze combinatie van technieken beschouwd kan worden als beste beschikbare techniek;

Overwegende dat de exploitant verklaart dat de sectorale voorwaarden van titel II van het VLAREM in ieder geval zullen worden gerespecteerd; dat voor totaal stof, kwik en kwikverbindingen en SO2 de emissies maximaal 50% zullen bedragen van de in titel II van het VLAREM voorziene grenswaarden; dat deze gereduceerde waarden als bijzondere voorwaarden werden opgelegd in het bestreden besluit; dat voor het bepalen van de daggemiddelde waarden uiteraard alleen de periodes van effectieve werking van het crematorium in rekening mogen worden gebracht;

Overwegende dat op basis van gemeten emissies van een vergelijkbaar crematorium en op basis van 3.065 crematies en een rookgasdebiet van 2,600 m3/crematie jaarlijkse emissievrachten berekend werden voor het crematorium te Kortrijk; dat deze vrachten respectievelijk 1.108 kg/jaar NOx, 72 kg/jaar CO, 105 kg/jaar SO2, 0,14 kg/jaar kwik, 8 kg/jaar stof en 0,12 mg/jaar dioxines en furanen bedragen; dat de weergave van 0,12 kg/jaar voor dioxines in de overwegingen van het bestreden besluit een materiële vergissing betreft;

Overwegende dat op basis van deze jaarvrachten dispersieberekeningen uitgevoerd werden voor verschillende schouwhoogtes van 6, 8 of 10 meter; dat in de verdere bespreking telkens naar de resultaten voor een schouwhoogte van 10 meter gerefereerd wordt; dat het crematorium een schouwhoogte heeft van 10 meter;

Overwegende dat voor de parameters SO2, CO, stof en chloriden de veroorzaakte immissieconcentraties steeds minder dan 1% van de toetsingswaarden bedragen, en bijgevolg als verwaarloosbaar kunnen worden beschouwd; dat specifiek voor kwik een bijdrage van 7.10-5 µg/m3 berekend werd; dat ten opzichte van de richtlijn van 1 µg/m3 die door de WHO gehanteerd wordt, deze bijdrage in ieder geval verwaarloosbaar is;

Overwegende dat de jaargemiddelde immissiewaarde van fijn stof in het nabijgelegen meetstation van Zwevegem circa 35 µg/m3 PM10 bedraagt; dat meer dan 35 keer per jaar de daggemiddelde PM10-concentratie van 50 µg/m3

overschreden wordt; dat de emissie van fijn stof, gezien de ligging in een regio met reeds hoge achtergrondconcentraties, grondige aandacht verdient;

Overwegende dat de totale jaarlijkse emissie van stof geraamd wordt op 8 kg; dat aangenomen kan worden dat deze emissie integraal uit fijn stof PM 10

VII-39.643-11/45

en PM2,5 bestaat, gezien de voorziene mouwenfilters; dat de jaarlijkse emissie van fijn stof door een dieselwagen geraamd wordt op ongeveer 40 kg; dat de emissie van fijn stof (PM10 en PM2,5) in de omgevingslucht ten gevolge van de uitbating van het crematorium bijgevolg verwaarloosbaar is;

Overwegende dat voor NOx de berekende immissiebijdrage voor de 99,8-percentielwaarde op uurbasis, ter hoogte van receptorpunt 1 (kruispunt Ambassadeur Baertlaan - Bad-Godesberglaan) 16,3 µg/m³ of circa 8% van de toetsingswaarde bedraagt; dat op andere onderzochte plaatsen een beperkte bijdrage (tussen 1% à 5% van de toetsingswaarde) werd berekend; dat de jaargemiddelde immissieconcentraties minder dan 1% bedragen en bijgevolg verwaarloosbaar zijn; dat dit betekent dat occasioneel een mogelijk belangrijke bijdrage kan optreden, maar dat op jaarbasis de bijdrage van de immissies vanwege het crematorium verwaarloosbaar zijn;

Overwegende dat voor de deposities van dioxines ten gevolge van de atmosferische emissies van het crematorium op 3 van de 5 onderzochte receptorpunten een beperkte bijdrage wordt berekend, met een maximale bijdrage in receptorpunt 1 van 3,5%;

Overwegende dat de toetsingswaarden (luchtkwaliteitsnormen) nergens worden overschreden; dat de immissies voor de verschillende atmosferische polluenten geen gevaar opleveren voor de omwonenden;

Overwegende dat de vorming van dioxines tijdens het verbrandingsproces maximaal vermeden moet worden; dat een volledige verbranding van alle organische componenten vereist is; dat het dus noodzakelijk is dat de lijkkist in de oven wordt gebracht bij een voldoende hoge temperatuur; dat een minimum temperatuur van 850°C die over een voldoende lange tijd wordt aangehouden, hiertoe een vereiste is; dat deze vereiste werd verankerd in de bijzondere voorwaarden van het bestreden besluit; dat bovendien ook voor dioxines een emissiegrenswaarde werd opgelegd die de helft bedraagt van de in titel II van het VLAREM voorziene grenswaarde;

Overwegende dat in de studie die door het ingenieursbureau PRG Odournet in opdracht van de beroepers werd uitgevoerd, gesteld wordt dat er bij een schoorsteenhoogte van 6 meter boven het maaiveld zeker geurhinder zal optreden tijdens bepaalde ongunstige meteorologische omstandigheden; dat de emmissieconcentraties als 99,5-percentiel maximaal 2,1 ouE/m3 bedragen; dat door PRG Odournet geen structurele geurhinder verwacht wordt; dat in het dossier een verbrandingstemperatuur van 950°C à 1.000°C voorzien is; dat bij dergelijke temperaturen alle organische componenten in de afvalgassen verbrand worden; dat bijgevolg geen geurhinder te verwachten is; dat bovendien de schouwhoogte 10 meter bedraagt in plaats van 6 meter;

Overwegende dat pas na het openbaar onderzoek verduidelijkt werd op welke manier de rookgassen zullen worden gezuiverd; dat deze bijkomende informatie het voorwerp van de aanvraag niet wijzigt en geen essentiële gegevens bevat die reeds tijdens, het openbaar onderzoek ter beschikking moesten worden gesteld; dat de Raad van State van oordeel is dat niets in de milieuvergunningregeling (het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en de uitvoeringsbesluiten ervan) zich verzet tegen het indienen van bijkomende stukken na afloop van het openbaar onderzoek die verduidelijking, aanvulling of verbetering tot doel hebben zonder het eigenlijke

VII-39.643-12/45

voorwerp van het aangevraagde te wijzigen; dat dit hier het geval is;

Overwegende dat de „Deskundige studie aspect Lucht/Geur‟ opgesteld door een MER-deskundige Lucht in juli 2012 op pagina 24 het volgende concludeert:

„...

- Het crematorium (met name de oven- en filterinstallaties) zijn gebouwd conform de gepaste BBT.

- De immissieconcentraties (= de achtergrondconcentratie + de bijdrage van het crematorium voor de diverse polluenten) liggen ruimschoots beneden de laagst vastgestelde waarde die een negatieve invloed heeft op de gezondheid van mensen.

- De CO-emissieconcentratie(s) zijn steeds bijzonder laag ( PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.855