Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.820 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.820 Généré par l'IA

Court dismisses urgent injunction request due to applicant's significant delay in filing the application.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.820
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the applicant's request for an urgent injunction to suspend the school board's appointment decision. The applicant argued she was pressured and unaware of the outcome until late December, yet filed the application over five weeks after the decision was notified. The court rejected this claim, stating that the significant delay demonstrated a lack of diligence incompatible with the extreme urgency required for such measures.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 22 and 23 of the Rules of Procedure of the Council of State; An application for urgent interim measures must be filed with sufficient diligence, and a significant delay in filing negates the existence of extreme urgency.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent interim measures lack of diligence extreme urgency filing delay procedural admissibility school board decision suspension of execution choix de la procédure de recrutement

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 22 of the Rules of Procedure of the Council of State
Article 23 of the Rules of Procedure of the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 240.820 van 26 februari 2018

in de zaak A. 224.591/IX-9248

In zake: Carine L‟HOMME

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Valkenborg kantoor houdend te 3511 Kuringen Kuringenstraat 11

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 16 – Midden-Limburg bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Günther L‟heureux en Roel Meeus kantoor houdend te 1200 Brussel Gulledelle 96 bus 3

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp

1. De vordering, ingesteld op 21 februari 2018, strekt tot de schor-

sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van:

“[de] beslissing van 21.12.2017 van de Raad van Bestuur van de Scho-

lengroep 16 (SGR16) […] inzake het resultaat van de selectieprocedure tot de functie van directie in de Basisschool (BS) Herckerhof te Herk-de-Stad [waarbij Carine L‟homme] voor de betrekking […] op de tweede plaats werd gezet, alsmede het gegeven dat een derde werd aangeduid als meest geschikte kandidaat, met name dhr. Vangeel Raf.”

Tevens wordt de Raad van State verzocht om de volgende voorlopige maatregelen te bevelen:

“1. De onmiddellijke tenuitvoerlegging van het arrest.

IX-9248-1/7

2. Te bevelen dat [Carine L‟homme] haar functie als waarnemend directie BS Herckerhof behoudt tot de definitieve uitspraak van de Raad van State dan wel tot de nieuwe aanstelling van directie in proeftijd met uitzicht op vaste benoeming na een jaar proeftijd (in geval van vernietiging door de RvSt).

3. Hieraan een dwangsom te verbinden van 200,00 euro per dag vanaf de beslissing tot schorsing.”

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari 2018, om 10.00 uur.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

Advocaat Pieter Valkenborg, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Günther L‟heureux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Verzoekster is sinds 1 september 2014 aangesteld als waarne-

mend directeur in de basisschool Herckerhof te Herk-de-Stad, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep 16 van het Gemeenschapsonderwijs.

IX-9248-2/7

Na de vacantverklaring van deze betrekking nemen verzoekster en twee andere kandidaten deel aan de selectieprocedure, met het oog op de toe-

lating tot de proeftijd in het bevorderingsambt van directeur in BS Herckerhof.

Op 21 december 2017 beslist de raad van bestuur van de scho-

lengroep om Raf Vangeel toe te laten tot de proeftijd in de bedoelde betrekking.

IV. Ontvankelijkheid van de vorderingen

4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de ver-

werende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vorderingen vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.

V. Herinnering aan de voorwaarden tot schorsing en tot bevel van voorlopige maatregelen

5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging of het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schor-

sing of van de gewone vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen.

VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid

6. Er zij aan herinnerd dat de toepassing van de procedures bij uiterst dringende noodzakelijkheid een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de moge-

IX-9248-3/7

lijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoe-

fening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt.

De aanwending van die procedures moet dan ook zeer uitzon-

derlijk blijven in die zin dat ze slechts mogen worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond.

Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake-

lijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feite-

lijke gegevens aantoont dat de te bevelen schorsing van de tenuitvoerlegging of de te bevelen maatregelen volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zullen komen én dat zij als eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.

7. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aldus mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de grief-

houdende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijke en zeer ongewone karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.

8. Van verzoekster – die haar belangen door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing immers dermate nadelig aangetast weet dat zij de afwikkeling van de procedure ten gronde en zelfs de gewone schorsing niet kan

IX-9248-4/7

afwachten – wordt gevergd dat zij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.

9. Zodra verzoekster kennis kreeg van de beslissing dat zij “voor de betrekking niet werd weerhouden” (versta: niet in aanmerking werd genomen)

– zij schrijft in het verzoekschrift zelf dat dit gebeurde op 12 januari 2018 – wist zij onmiddellijk dat zij niet langer haar directiefunctie kon voortzetten. Feitelijk wist zij dit zelfs nog eerder, want – nog steeds volgens hetzelfde verzoekschrift – zij werd al op 5 januari 2018 in het bezit gesteld van “het document C4 waardoor haar bestaande contract […] vroegtijdig werd stopgezet op 31.12.2017” en uit het debat op de terechtzitting is gebleken dat in de loop van de kerstvakantie met haar is overlegd of er mogelijk een andere betrekking voor haar beschikbaar was.

Verzoekster vermeldt in het inleidend verzoekschrift evenwel geen feiten of omstandigheden die volgens haar kunnen verantwoorden dat in haar geval de diligentie niet zou moeten worden afgemeten vanaf de kennisname van de bestreden beslissing. Integendeel onderstreept zij zelf dat het aangevoerde nadeel “reeds aanvang heeft genomen op 01.01.2018”.

De Raad van State dient dan ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen de kennisname van de bestreden beslissing en het indienen van de voorliggende vorderingen.

10. De bestreden beslissing van 12 januari 2018 is, als gezien, ver-

zoekster niet zomaar plots of onverwachts als een donderslag bij heldere hemel overkomen. Ze is het resultaat van een selectieprocedure waaraan verzoekster heeft deelgenomen en waarvan verzoekster in de ene of andere zin het antwoord mocht verwachten. Volgens haar liep daarenboven reeds vanaf 8 december 2017

“het gerucht […] dat Raf Vangeel in proeftijd als directie met ingang van 01.01.2018 in BS Herckerhof zou worden aangesteld”. Dat Raf Vangeel effectief was aangesteld, “vernam verzoekster via via” op 23 december 2017 en zij “kon via

IX-9248-5/7

het openbaar facebookprofiel van […] hiervan bevestiging verkrijgen”. Tijdens de kerstdagen is met haar overlegd over een andere betrekking. Op 5 januari 2018

werd haar het document „C4‟ overhandigd.

11. Het voorliggende verzoekschrift is niettemin pas op 21 februari 2018 – dus meer dan vijf weken na de kennisgeving van de bestreden beslissing –

aan de Raad van State bezorgd.

Dit is in de gegeven omstandigheden voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, schromelijk laat.

12. In het inleidend verzoekschrift verstrekt verzoekster geen enkele verantwoording voor haar dralen.

13. Op de terechtzitting verklaart de raadsman van verzoekster in dat verband dat verzoekster lang heeft getwijfeld over het instellen van een procedure, mede wegens de financiële implicaties. Zij zou ook door de raad van bestuur onder druk zijn gezet om geen juridische actie te ondernemen.

Dat kan de Raad van State niet overtuigen.

Er kan door de Raad immers alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift wordt uiteengezet en gestaafd. De Raad mag geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting nog door verzoekster wordt bij-

gebracht. De verwerende partij kan daarop immers niet meer antwoorden in haar nota met opmerkingen en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de ge-

coördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is.

Overigens is de beweerde druk van het schoolbestuur door geen enkel stuk gestaafd en vormt het laattijdig contacteren van een raadsman ingevolge

IX-9248-6/7

twijfels bij het instellen van een procedure geen verschoningsgrond voor het ge-

brek aan de noodzakelijke diligentie.

14. Een en ander leidt ertoe dat moet worden besloten dat verzoek-

ster niet met de vereiste spoed is opgetreden. De uitermate hoge graad van urgentie die thans door haar aan de zaak wordt toegeschreven, valt niet te verzoenen met het manifeste gebrek aan diligentie, dat de negatie zelf is van het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vorderingen.

15. Die vaststelling volstaat om de vorderingen af te wijzen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vorderingen.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 februari 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren

IX-9248-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.820