Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.778 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.778 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against animal seizure, ruling administrative seizure lawful despite owner's mental disability.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.778
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal seeking the annulment of administrative seizure orders for a dog and cat. The applicant, a person with intellectual disabilities, argued the seizure was improper, yet the court found the seizure justified by the veterinarian's report of severe malnutrition and potential tumors. Consequently, the court held that the administrative authority fulfilled its duty of motivation and the seizure was lawful.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 42 § 1 and 42 § 2 of the Law of 14 August 1986 on the protection and welfare of animals; The seizure of animals by the competent authority is lawful when based on a veterinarian's report indicating serious health issues, even if the owner has limited capacity to understand the necessity of euthanasia.

Mots-clés

Généré par l'IA
animal seizure veterinary report mental disability administrative motivation duty of care euthanasia necessity Council of State renvoi malgré motifs médicaux

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 42 § 1 of the Law of 14 August 1986 on the protection and welfare of animals
Article 42 § 2 of the Law of 14 August 1986 on the protection and welfare of animals
Article 30/1, § 2, first paragraph of the coordinated laws of the Council of State
Article 67, § 1, first paragraph of the Decree of the Regent of 23 August 1948 on the organization of the proceedings of the Council of State
Article 2, first paragraph of the Royal Decree of 7 July 1997 on the publication of the judgments and decisions of inadmissibility of the Council of State
Bij beslissing van 18 mei 2017 van de inspectie Dierenwelzijn worden de hond en kat, in toepassing van artikel 42, § 2, van de voornoemde wet van 14 augustus 1986, definitief in volle eigendom gegeven aan een asielcentrum dat daarmee instemt.
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 240.778 van 22 februari 2018

in de zaak A. 222.474/VII-40.023.

In zake : XXXX

kantoor houdend te 2170 Merksem Bredabaan 803

alwaar woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 13 juni 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van “04.05.2017 […] tot administratieve inbeslagname in toepassing van art. 42§1 van de Wet van 14.08.1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren van een hond en van een kat zich bevindende in de woning van [de verzoekende partij]” en de “beslissing dd. 18.05.2017 [waarbij] beide dieren in toepassing van art. 42§2 van gezegde Wet definitief in volle eigendom werden toegewezen aan voormeld asiel”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

VII-40.023-1/9

Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag overeenkomstig artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

De verzoekende partij, die in persoon verschijnt, en advocaat Deborah Smets, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De dierenartsenpraktijk De Vroente stuurt op 28 maart 2017

volgend e-mailbericht naar de dienst Dierenwelzijn:

“Wij hebben een klant met een verstandelijke beperking die een border collie heeft van bijna 13j.

Sinds paar maand valt die hond heel erg af en momenteel weegt die niet meer dan 15 kg wat extreem mager is.

Bloedonderzoek wijst ook richting iets tumoraals en bij laatste consult zag de hond ook echt bleek dus ik vermoed ook dat die bloedarmoede heeft.

De eigenares is verstandelijk zo beperkt dat ze niet kan inzien dat euthanasie de beste oplossing is.

[…]

De hond is aan het afzien en we zouden een manier willen vinden om de hond daar weg te halen en te laten inslapen”.

VII-40.023-2/9

4. Met een machtiging tot visitatie, uitgereikt door de politierechtbank te Antwerpen op 21 april 2017, wordt overgegaan tot vaststellingen.

5. In het consultatierapport van 28 april 2017 van de dierenartsenpraktijk is te lezen:

“Anamnese: Sinds september 2016 beginnen vermageren. Behandeld voor diarree en braken maar hond bleef vermageren, bloedname in september maar geen eenduidige oorzaak. Aangeraden verder onderzoek (echografie) maar niet op in gegaan. Hond blijft vermageren, eigenaar komt minder langs want wil probleem niet onderkennen. Laatste keer woog hond slechts 12 kg! Hond is tevens hartpatiënt. Eigenaar kwam ook geen medicatie meer halen Onderzoek: klinisch onderzoek 27/4: uitgemergeld, bleke mucosa, hartruis, wel zeer alert en levendig, weegt nu 14kg. Hond is uitgehongerd (valt etensbak aan).

Diagnose: uithongering?

[…]

Therapie: Bloedname: anemie, hypoproteïnemie (ten gevolge van uithongering?)

Voorlopig is ons advies om hond eerst te doen aansterken in het asiel (met goede medische opvolging) eventueel hierna herhaling bloedonderzoek.

Indien bloedonderzoek in orde, kan hond eventueel geplaatst worden bij nieuwe familie”.

6. Op 4 mei 2017 worden de hond en een kat in toepassing van artikel 42, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, administratief in beslag genomen.

Dit is de eerste bestreden beslissing.

7. Bij beslissing van 18 mei 2017 van de inspectie Dierenwelzijn worden de hond en kat, in toepassing van artikel 42, § 2, van de voornoemde wet van 14 augustus 1986, definitief in volle eigendom gegeven aan een asielcentrum dat daarmee instemt. Dit is de tweede bestreden beslissing die wordt gemotiveerd:

VII-40.023-3/9

“Gelet op het feit dat de hond uitgemergeld en uitgehongerd was;

Gelet op het feit dat uit de gewichtstoename van 4,5 kg op 1 week tijd duidelijk blijkt dat de hond onvoldoende voeder of voeder van slechte kwaliteit heeft gekregen;

Gelet op het feit dat de kat in onaangepaste omstandigheden werd gehouden;

Gelet op het feit dat [de verzoekende partij] niet in staat is de dieren op een gepaste manier te verzorgen en dat haar begeleiders hier te weinig op toekijken;

Gelet op het feit dat het onverantwoord zou zijn om de dieren terug te laten keren gezien er geen garanties zijn dat het dierenwelzijn in de toekomst gegarandeerd is Gelet op het feit dat de dieren geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde hebben die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig zijn ethologische en fysiologische behoeften”.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

8. Artikel 42 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren luidt:

“§ 1. Wanneer de in artikel 34 bedoelde overheidspersonen een inbreuk op deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of Europese verordeningen of beschikkingen/besluiten vaststellen en deze inbreuk over levende dieren gaat, kunnen zij deze dieren administratief in beslag nemen en indien nodig onderbrengen in een geschikte opvangplaats.

Zij kunnen tevens dieren in beslag nemen wanneer deze gehouden worden in weerwil van een in toepassing van artikel 40 uitgesproken verbod.

§ 1/1. In de in § 1 bedoelde gevallen wordt een kopie van het in artikel 34, § 3, bedoelde proces-verbaal bezorgd aan de Federale Overheidsdienst bevoegd voor dierenwelzijn.

§ 2. De Federale Overheidsdienst bevoegd voor Dierenwelzijn bepaalt de bestemming van het dier dat overeenkomstig paragraaf 1 in beslag werd genomen. Deze bestemming bestaat uit het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven aan de eigenaar, het verkopen, het in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, het slachten of het zonder verwijl doden.

§ 3. Het in paragraaf 1 bedoelde beslag wordt van rechtswege opgeheven door de in paragraaf 2 bedoelde beslissing of, bij het uitblijven van dergelijke beslissing, na een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van inbeslagname.

[…]”.

VII-40.023-4/9

9. Uit paragraaf 3 van dit artikel 42 volgt dat het beslag van rechtswege wordt opgeheven door de in paragraaf 2 bedoelde beslissing die eveneens wordt aangevochten.

10. De verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de vernietiging haar een concreet voordeel oplevert, dat in principe meer dient te zijn dan de genoegdoening verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing.

11. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk welk voordeel een vernietiging van de eerste bestreden beslissing die geen gevolgen meer heeft, voor haar zou kunnen opleveren.

De verzoekende partij ontbeert bijgevolg het vereiste belang bij het beroep tegen de eerste bestreden beslissing. Zij erkent zulks ter zitting.

V. Onderzoek van de middelen

12. Het onderzoek is beperkt tot de tweede bestreden beslissing.

Uiteenzetting

13. In het verzoekschrift wordt betoogd:

“dat [de verzoekende partij] geen familie heeft of enig sociaal netwerk waarop zij kan terugvallen en haar dieren dienvolgens haar enige gezelschap en toeverlaat zijn;

dat in tegenstelling tot hetgeen in de motivatie van beide beslissingen worden gesteld, [de verzoekende partij] wel degelijk, zij het ‘op haar manier’, de beste zorgen heeft verstrekt aan de inbeslaggenomen dieren;

dat zij vooreerst verwijst naar de verklaring van haar buurman, de heer […];

dat verzoekster verder aan beide dieren de gepaste zorgen heeft verstrekt, zoals mag blijken uit:

- het diergeneeskundig certificaat van de kat ‘Grismo’ met vaccinatieattesten van 13.11.2005 en van 08.11.2006 […];

VII-40.023-5/9

- het ‘paspoort voor gezelschapsdieren’ m.b.t. de hond ‘Shep’ met 23 vaccinatiebewijzen van 24.09.2004 t/m 05/2017 […];

- de talrijke bezoeken aan de dierenarts tijdens het kalenderjaar (9 bezoeken bij dierenarts ‘Cura Vida’ tijdens het kalenderjaar 2015 […], 10 bezoeken bij dierenarts ‘De Vroente’ tijdens het kalenderjaar 2016

[…], 2 bezoeken bij dierenarts ‘De Vroente’ tijdens het kalenderjaar 2017 […]);

dat [de verzoekende partij] beide dieren omzeggens dagelijks in het asiel gaat opzoeken;

dat de inbeslagname voor haar bijzonder emotioneel is;

dat de toestand van de hond in belangrijke mate te wijten was aan het ziektebeeld waaraan het dier de voorbije twee jaren leed (tumor);

dat de kat slechts zeer occasioneel door [de verzoekende partij] in de bench werd gehouden”.

Beoordeling

14. De verwerende partij maakt uit het betoog van de verzoekende partij op dat de schending van de materiëlemotiveringsplicht wordt ingeroepen.

Dat wordt in de memorie van wederantwoord niet tegengesproken.

15. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.

16. Het betoog dat de verzoekende partij “geen familie heeft of enig sociaal netwerk waarop zij kan terugvallen en haar dieren dienvolgens haar enige gezelschap en toeverlaat zijn”, “de inbeslagname voor haar bijzonder emotioneel is” en zij “beide dieren omzeggens dagelijks in het asiel gaat opzoeken”, heeft geen uitstaans met het vereiste dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Ook het voorleggen van vaccinatiebewijzen en stukken, die geregeld bezoek bij de dierenarts bewijzen, toont de onjuistheid van de vaststellingen van die dierenarts, bijgetreden door de inspecteur-dierenarts, niet aan, dat de hond uitgemergeld was en leed. In de memorie van wederantwoord wordt erkend dat “mogelijk niet de

VII-40.023-6/9

gepaste zorgen [werden] verstrekt aan de hond” en dat “de medicatie, zoals voorgeschreven door de dierenarts, niet altijd stipt [werd] toegediend” hoewel in het verzoekschrift is toegegeven dat de hond ziek was. Daarenboven was het de dierenarts zelf, die de inspectie Dierenwelzijn op de hoogte bracht van wat werd omschreven als een situatie die “thuis echt schrijnend” was. Ter zitting stelt de verzoekende partij dat zij niet langer volhardt in haar beroep wat dat aspect van het bestreden besluit betreft.

17. Specifiek wat de kat betreft, wordt in het verzoekschrift geargumenteerd dat die “zeer occasioneel […] in de bench werd gehouden”, wat in de verklaring van de buurman, gehecht aan het verzoekschrift, wordt omschreven als “enkel ’s nachts”. Dit is een eigen beoordeling van de feitelijke toedracht, maar hiermee wordt niet aannemelijk gemaakt dat de verwerende partij tot een conclusie is gekomen in weerwil van de materiëlemotiveringsplicht. Eenzelfde redenering gaat op voor de bewering dat de verzoekende partij “wel degelijk, zij het ‘op haar manier’, de beste zorgen heeft verstrekt aan de inbeslaggenomen dieren”.

18. Het middel wordt verworpen.

VI. Rechtsplegingsvergoeding

19. Het administratief dossier toont aan en het wordt ook niet betwist dat de verzoekende partij bij vonnis van 20 februari 1989 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen in staat van verlengde minderjarigheid werd geplaatst. Er mag dan ook worden aangenomen dat, overeenkomstig artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelet op de beperkte financiële draagkracht (1° van voornoemd lid), de rechtsplegingsvergoeding moet worden beperkt tot het minimumbedrag van 140 euro, zoals bepaald in artikel 67, § 1, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

VII-40.023-7/9

VII. Verzoek tot anonimisering

20. Ter terechtzitting vraagt de verzoekende partij de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan.

21. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State, kan een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, vragen dat zijn identiteit wordt weggelaten bij de publicatie van de beschikking van niet-toelaatbaarheid of van het arrest. Dergelijk verzoek kan in het verzoekschrift of in voorkomend geval tot aan de sluiting van de debatten, worden ingediend.

Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van deze vraag.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro verschuldigd aan de verwerende partij.

3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt.

VII-40.023-8/9

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig februari tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Pierre Lefranc

VII-40.023-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.778