Court annuls provincial decision for failing to conduct concrete landscape impact assessment despite favorable planning officer advice.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the provincial decision declaring appeals against a municipal environmental permit invalid. The plaintiff argued the decision was flawed because the provincial planning officer's favorable advice lacked a concrete assessment of the facility's aesthetic integration into the landscape. The court held that relying solely on this advice without a specific analysis of landscape preservation requirements constituted a failure of due diligence.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArt. 10, § 1, 1st al. of the Code of Administrative Justice; Art. 10, § 2, 1st al. of the Code of Administrative Justice: An administrative decision based solely on a favorable planning officer's advice without a concrete assessment of specific environmental or landscape criteria is invalid if such criteria are legally required.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 240.775 van 22 februari 2018
in de zaak A. 218.008/VII-39.572.
In zake : 1. Annick MEURANT
wonende te 2950 Kapellen Holleweg 41
alwaar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele 2. Guido VAN LOON
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 2 januari 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 8 oktober 2015 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kapellen van 11 mei 2015, houdende het verlenen aan de VZW Rotonde van de milieuvergunning voor het exploiteren van een zorgboerderij en paardenhouderij, gelegen aan de Holleweg 43
te Kapellen, ongegrond worden verklaard.
VII-39.572-1/14
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 december 2017.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en adviseur Mark Michiels, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 8 december 2014 dient de VZW Rotonde een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een zorgboerderij en paardenhouderij, gelegen aan de Holleweg 43 te Kapellen.
VII-39.572-2/14
Tot het voorwerp van de aanvraag behoort in concreto:
- het lozen van 750 m3 bedrijfsafvalwater in de openbare riolering;
- het stallen van vijftien landbouwvoertuigen en aanhangwagens;
- een compressor met een geïnstalleerde drijfkracht van 5 kW;
- de opslag van 450 liter en 50 kg gevaarlijke stoffen in kleine verpakkingen;
- de opslag van 50 m³ hout, stro en hooi;
- de opslag van 200 m3 vaste mest en 30 m3 drijfmest;
- een inrichting voor ruiter-, draf-, ren- en mensport;
- een inrichting voor verhuur en africhting van paarden en zadeldieren;
- het bewerken en verwerken van zuivelproducten met gebruik van toestellen met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 10 kW;
- het bereiden van voedingsproducten op basis van plantaardige melen met gebruik van toestellen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 15 kW;
- een wasserij met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 15 kW.
Het betrokken perceel is volgens het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Ter plaatste is eveneens een opvangcentrum voor dieren gevestigd.
3.2. Bij besluit van 11 mei 2015 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kapellen de gevraagde vergunning.
3.3. Tegen die beslissing stellen onder meer de verzoekende partijen bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de provincie Antwerpen.
3.4. Met het thans bestreden besluit van 8 oktober 2015 verklaart de verwerende partij de beroepen ongegrond en bevestigt zij de in eerste aanleg genomen vergunningsbeslissing, mits wijziging van het voorwerp en van de na te leven algemene en sectorale voorwaarden.
VII-39.572-3/14
Het bestreden besluit steunt onder meer op de volgende motieven:
“a) Beroepers argumenteren dat de inrichting geen para-agrarische activiteit is en dus niet thuishoort in landbouwgebied.
Voor de planologische verenigbaarheid, de functiewijziging van de gebouwen en beoordeling van overschrijding van de draagkracht van dit gebied binnen het gewestplan door inplanting van de inrichting, wordt verwezen naar het advies van de Dienst Ruimte Vlaanderen.
[…]
Gelet op het, in het kader van de stedenbouwkundige aspecten, gunstig advies d.d. 16 juli 2015 van de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar (PSA); op volgende elementen uit dit advies:
1. Het voorwerp van de aanvraag omvat de exploitatie van een zorgboerderij en paardenhouderij.
2. Historiek a) 29 maart 1967: stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen/uitbreiden van de gebouwen.
b) 26 augustus 1983: stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een stal voor dieren.
c) 3 januari 1990: stedenbouwkundige vergunning voor het slopen van een garage en bergplaats + het bouwen van een stal bij een kinderboerderij.
d) 11 mei 1992: stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van het bouwen van een gemengde stal bij een kinderboerderij.
e) 12 december 1994: stedenbouwkundige vergunning voor het uitbreiden van een kinderboerderij.
f) 23 juni 1997: stedenbouwkundige vergunning voor het aanleggen van een drinkpoel.
g) 24 september 2002: stedenbouwkundige vergunning voor het rooien van 12 bomen.
h) 18 mei 2007: stedenbouwkundige vergunning voor het plaatsen van tijdelijke containers, te gebruiken als berging.
i) 9 maart 2009: stedenbouwkundige vergunning voor het vergroten en verbouwen van een creatieve ruimte van het bezigheidstehuis ‘Rotonde’.
j) 30 mei 2011: stedenbouwkundige vergunning voor het afbreken van een schuur en het bouwen van een paardenstal. Ook in graad van beroep werd de vergunning afgeleverd. De schuur werd in tussentijd afgebroken, de paardenstal in voorliggende aanvraag is gewijzigd ten aanzien van deze vergunning. Tevens komt er een open vrijloop bij links naast de paardenstal, met een verbindende pergola tussen beide.
k) 26 september 2011: stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een berging.
l) 17 september 2012: stedenbouwkundige vergunning voor het rooien van 3 bomen.
VII-39.572-4/14
m) 15 oktober 2012: stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een paardenstal met vrije uitloop, hiertegen werd in beroep gegaan bij de bestendige deputatie, n) 17 januari 2013: Stedenbouwkundige vergunning in graad van beroep voor het bouwen van een paardenstal met vrije uitloop.
o) 13 februari 2014: Stedenbouwkundige vergunning in graad van beroep voor het bouwen van een exploitatiewoning.
3. Het onderste gedeelte van het perceel is gelegen in het goedgekeurde provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (PRUP) ‘Retentiezone Kaartsebeek’ te Brasschaat en Kapellen d.d. 4 augustus 2009.
De gevraagde werkzaamheden zijn niet gelegen binnen dit PRUP. De bestemming van het gewestplan is bijgevolg van toepassing bij de beoordeling van de aanvraag, 4. Volgens het vastgestelde gewestplan van Antwerpen (goedgekeurd bij KB van 3 oktober 1979) situeert de aanvraag zich in landschappelijk waardevol agrarisch gebied.
5. De aanvraag is principieel in overeenstemming met deze planologische bestemming van het gewestplan.
6. Voor de gebouwen op het terrein zijn in het verleden verscheidene bouwvergunningen afgeleverd. Sinds 1983 is er landbouwactiviteit aanwezig.
De gebouwen op het perceel hebben steeds gefungeerd als kinderboerderij hetgeen een niet-grondgebonden para-agrarische activiteit is. Een kinderboerderij is in hoofdzaak het houden en kweken van vee (koeien, varkens, paarden) en klein vee (konijnen, geiten, schapen) en koppelt hieraan educatie omtrent de dieren zelf maar ook de zorg voor dieren. Deze activiteit sluit voldoende aan en is voldoende afgestemd op landbouw in de ‘ruime zin’. Het houden van vee en klein vee is dan ook eigen aan het agrarische gebied in die zin dat men noodzakelijkerwijs dient te beschikken over graasweide en schuilhokken, stallingen. Dit zijn alle elementen die het agrarische gebied karakteriseren. Het gaat hier niet om een activiteit met winstoogmerk (beroepslandbouw) maar de activiteiten op zich zijn eigen aan de landbouw.
Momenteel zijn de activiteiten hoofdzakelijk dezelfde als voorheen maar onder de vorm van een bezigheidstehuis. Onder andere volgende elementen zijn aanwezig: moestuin, serre, kippenhok, varkensstal, paardenstal en boomgaard.
Dit zijn alle landbouwactiviteiten of aan de landbouw verwante activiteiten (zorg voor de dieren en het bewerken van het land) met dien verstande dat deze nu worden uitgeoefend door andersvaliden. De activiteiten worden dan ook gekoppeld aan het algemene nut.
Het bezigheidstehuis is gelet op de landbouwactiviteiten en aan de landbouw verwante activiteiten dan ook in overeenstemming met de gewestplanbestemming (para-agrarisch). Het is duidelijk dat aan de para-agrarische bedrijven dezelfde minimumeisen dienen gesteld te worden als aan de agrarische bedrijven, namelijk:
a) de aanvrager is de exploitant, of minstens dient de exploitatie van het bedrijf een substantieel onderdeel uit te maken van de beroepsbezigheden van de aanvrager;
b) het moet gaan om een werkelijke en volwaardige bedrijfsexploitatie.
De omvang, het aantal arbeidsplaatsen e.d.m. kunnen belangrijke
VII-39.572-5/14
aanwijzingen zijn omtrent de werkelijke bedoeling van de aanvrager, zeker wanneer de bouwvergunning niet (enkel) een bedrijfsgebouw voor een para-agrarische onderneming betreft maar wel een exploitantenwoning. In het bijzonder moet dan worden onderzocht of de aanvraag voor een para-agrarische onderneming geen voorwendsel is om een gebouw met een residentiële of andere zonevreemde bestemming vergund te krijgen in het agrarisch gebied;
c) het gebouwencomplex dient één geheel te vormen, zo dienen onder meer alle gebouwen aan dezelfde kant van de openbare weg ingeplant te worden.
Het is duidelijk dat de bedrijfsuitbater (eigenaar, exploitant of bedrijfsleider)
van dit para-agrarisch bedrijf op de site moet kunnen wonen. De nodige woongelegenheid daartoe kan dan ook worden opgericht. Het bedrijf zorgt voor een tewerkstelling van 25 personeelsleden. Mede gelet op de omvang van de bestaande inrichting, kan men stellen dat het een volwaardig bedrijf betreft. Het gebouw wordt voldoende geïntegreerd in de bestaande omgeving.
[…]
10. Bij de beoordeling van het aangevraagde is rekening gehouden met de in de omgeving bestaande toestand.
Het perceel bevindt zich in een vrij open, groen gebied met enkele zonevreemde woningen en een veehouderij op ± 300 meter afstand. Aan de overzijde van de Holleweg, bevinden zich allemaal woningen. Achter het betreffende perceel is open agrarisch gebied.
[…]
14. Omwille van bovenstaande redenen is het advies dan ook gunstig aangaande het stedenbouwkundige aspect van de aanvraag.
[…]
3. Stedenbouwkundige verenigbaarheid - De inrichting is volgens het gewestplan gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied.
- Er werden reeds diverse stedenbouwkundige vergunningen afgeleverd.
- De provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar bracht een gunstig advies uit.
De PSA merkt op dat de twee tijdelijke containers, gebruikt als berging en die werden ingetekend op de plannen tegen 1 september 2013 dienden te worden verwijderd, conform de vergunning afgeleverd door de deputatie d.d. 17 januari 2013.
- De PMVC meent dat de inrichting stedenbouwkundig verenigbaar is.
[…]
Gelet op de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied van het gewestplan van Antwerpen;
Gelet op het feit dat het onderste gedeelte van het perceel gelegen is in het PRUP ‘Retentiezone Kaartsebeek’ te Brasschaat en Kapellen dd. 4 augustus 2009; dat de gevraagde exploitatie echter niet gelegen is binnen de grenzen van dit PRUP en de bestemming van het gewestplan derhalve van toepassing is;
Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan gelegen is in
VII-39.572-6/14
landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat er reeds diverse stedenbouwkundige vergunningen werden afgeleverd; dat de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar (PSA) een gunstig advies uitbracht;
Overwegende dat de twee tijdelijke containers, gebruikt als berging en die werden ingetekend op de plannen tegen 1 september 2013 dienen te worden verwijderd, conform de vergunning afgeleverd door de deputatie d.d. 17 januari 2013;
Overwegende dat het advies van de PSA in aanmerking wordt genomen;
Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften;
[…]”.
3.5. Bij arresten nrs. RvVb/A/1516/1439 en RvVb/A/1516/1440 van 16 augustus 2016 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) de stedenbouwkundige vergunningen voor de paardenstal en de exploitatiewoning.
IV. Verzoek tot samenvoeging
4. De verzoekende partijen vragen de samenvoeging met de zaak A. 214.452/VII-39.273 met als voorwerp het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 18 september 2014 waarbij aan de VZW Opvangcentrum voor Vogels en Wilde Dieren Brasschaat-Kapellen de milieuvergunning wordt verleend voor het exploiteren van een dierenopvangcentrum, gelegen aan de Holleweg 43 te Kapellen.
5. Het verzoek tot samenvoeging is actueel zonder voorwerp aangezien de Raad van State op 16 maart 2017 een eindarrest heeft gewezen in de zaak A. 214.452/VII-39.273 (arrest nr. 237.669).
VII-39.572-7/14
V. Onderzoek van de middelen
Derde middel
Standpunt van de partijen
6. In een derde middel wordt de schending aangevoerd van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de artikelen 9, 11 en 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit), het koninklijk besluit van 3 oktober 1979 houdende vaststelling van het gewestplan Antwerpen, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het zorgvuldigheids- en voorzorgsbeginsel.
De verzoekende partijen betogen dat in de bestreden beslissing ten onrechte en op zeer summiere wijze de betrokken inrichting als para-agrarisch bedrijf wordt gekwalificeerd, zonder dat er rekening wordt gehouden met de geldende afstandsregels. Zo is de inrichting niet gelegen op minstens 300 meter van een woongebied - regel die ertoe strekt te vermijden dat een te intens voertuigenverkeer de naleving van de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied hypothekeert - en heeft de inrichting een industrieel karakter wat ook onverzoenbaar is met de gewestplanbestemming. Voorts is het een nieuwe exploitatie. Vervolgens moet worden vastgesteld dat de inrichting (een zorgboerderij en een paardenhouderij) niet beantwoordt aan de criteria van een para-agrarisch bedrijf, zoals vermeld in de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: omzendbrief van 8 juli 1997): de exploitatie is niet grondgebonden, er bestaat geen productieproces en er is geen strikte relatie met voortgebrachte landbouwproducten. Het betreft een infrastructuur voor toerisme en recreatie die niet kan worden vergund in agrarisch gebied. De exploitant gedraagt zich ook
VII-39.572-8/14
kennelijk niet als een para-agrarisch bedrijf maar als handelsonderneming die gronden koopt en huurt aan prijzen die geen enkele landbouwer aan kan. Daarnaast houdt de spreiding van de gebouwen “goed voor 900 m2 en 4.500 m3” een miskenning in van het landschappelijk waardevol karakter van het gebied. Volgens de verzoekende partijen steunt de verwerende partij op het gegeven dat deze gebouwen vergund zouden zijn, terwijl de stedenbouwkundige vergunningen nog het voorwerp uitmaken van een beroep bij de RvVb.
7. De verwerende partij antwoordt dat de vergunde inrichting een para-agrarisch bedrijf is dat thuishoort in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Zij verwijst ter zake naar de omzendbrief van 8 juli 1997 waaruit blijkt dat het begrip “landbouw” ruim moet worden opgevat en dat para-agrarische bedrijven ook een industrieel, commercieel of ambachtelijk karakter mogen hebben. Als hoofdcriterium geldt dat para-agrarische bedrijven ondernemingen zijn waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en erop afgestemd is. De kwalificatie van de inrichting is een feitenkwestie waaromtrent het bestuur over een discretionaire beoordelingsvrijheid beschikt.
Een zorgboerderij, zo stelt de verwerende partij, leunt nauw aan bij de landbouw, in die zin dat het houden van dieren niet vreemd is aan de landbouw en dat, wanneer dieren gehouden worden, deze ook de nodige verzorging behoeven. In dit verband vestigt zij er de aandacht op dat de omzendbrief van 8 juli 1997 preciseert dat inrichtingen die vergelijkbaar zijn met een agrarisch grondgebruik, zoals bijvoorbeeld een schoolhoeve, als para-agrarisch bedrijf kunnen worden beschouwd. Het feit dat er sprake is van een zorginfrastructuur en een recreatieve sfeer, doet niets af aan de vaststelling dat het agrarisch aspect overheerst.
Voorts beklemtoont de verwerende partij dat er geen afstandsregels gelden voor zorgboerderijen en hippotherapie, het duidelijk geen bedrijf met industrieel karakter betreft, er geen sprake is van intensieve veeteelt, in de bestreden beslissing geen toepassing wordt gemaakt van artikel 20 van het
VII-39.572-9/14
inrichtingsbesluit, het door de verzoekende partijen beweerde aantal verkeersbewegingen niet wordt bewezen en zij wel degelijk rekening mocht houden met de verleende stedenbouwkundige vergunningen daar een beroep bij de RvVb niet impliceert dat die vergunningen niet rechtsgeldig zouden zijn.
8. In hun memorie van wederantwoord herhalen de verzoekende partijen in essentie de stellingen die zij in het verzoekschrift hebben ingenomen.
Voorts wijzen zij op artikel 159 van de Grondwet. Zij menen dat de Raad van State in het licht van die bepaling bevoegd blijft om de gegrondheid van hun grief inzake de onwettigheid van de betrokken stedenbouwkundige vergunningen te onderzoeken, mede in acht genomen dat die vergunningen ook in rechte worden bestreden.
9. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog dat een inrichting die verenigbaar is met de agrarische bestemming sowieso bestaanbaar is met de schoonheidswaarde van het landschap, dat deze kwestie gerelateerd is aan de stedenbouwkundige vergunning en niet moet worden beoordeeld in het kader van een beroep tegen de milieuvergunning.
10. De verzoekende partijen benadrukken in hun laatste memorie dat paardrijden in een, zoals in voorliggend geval, grootse infrastructuur geen para-agrarisch karakter heeft in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied en dat de RvVb, zelfs al zou er sprake zijn van een para-agrarisch bedrijf, de verleende stedenbouwkundige vergunningen inmiddels heeft vernietigd wegens onder andere de afwezigheid van een toetsing aan de inpasbaarheid in de schoonheidswaarde van de omgeving.
Beoordeling
11. Overeenkomstig het van toepassing zijnde gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, is het project gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied waarvoor de
VII-39.572-10/14
bestemmingsvoorschriften neergelegd in de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit gelden.
Artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit luidt als volgt:
“De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin.
Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven.
[...]”.
Artikel 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit bepaalt:
“De landschappelijk waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”.
Uit de samenlezing van deze voorschriften volgt dat de toelaatbaarheid van hinderlijke inrichtingen in landschappelijk waardevolle gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst: ten eerste een planologisch, dat veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen inrichting in overeenstemming is met de bestemming agrarisch gebied, en ten tweede een esthetisch, dat inhoudt dat de inrichting in overeenstemming is met de eisen ter vrijwaring van het landschap.
De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Uit de voormelde bepalingen volgt dat het bestreden besluit de motieven moet vermelden op grond waarvan de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat de zorgboerderij en
VII-39.572-11/14
paardenhouderij verenigbaar zijn met de bestemming van landschappelijk waardevol agrarisch gebied.
12. In de bestreden beslissing besluit de verwerende partij dat de inrichting verenigbaar is met de planologische voorschriften op grond van de vaststelling dat “er reeds diverse stedenbouwkundige vergunningen werden afgeleverd”, de “provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar (PSA) een gunstig advies uitbracht” en de overweging dat “het advies van de PSA in aanmerking wordt genomen”.
13. Het voornoemde advies van de PSA bevat een “historiek” waarin onder meer de stedenbouwkundige vergunningen van 17 januari 2013 en 13 februari 2014, respectievelijk voor het bouwen van een paardenstal met vrije uitloop en een exploitatiewoning, worden vermeld. Voorts wordt in het advies gesteld dat de aanvraag “principieel” in overeenstemming is met de planologische bestemming omdat een “bezigheidstehuis […] gelet op de landbouwactiviteiten en aan de landbouw verwante activiteiten” als een para-agrarisch bedrijf moet worden aangemerkt. Het advies bevat echter geen enkele beoordeling van de esthetische inpasbaarheid van de inrichting in het betrokken landschap.
Aangezien de verwerende partij zich louter heeft beperkt tot het in aanmerking nemen van het gunstig advies van de PSA, doet de bestreden beslissing niet blijken van een in concreto onderzoek waarbij wordt nagegaan of de geplande inrichting in overeenstemming is met de eisen ter vrijwaring van het landschap. Dit klemt nog meer nu de stedenbouwkundige vergunning van 17 januari 2013 voor het oprichten van een open paardenstal met open vrijloop, die in de bestreden vergunningsbeslissing wordt aangehaald, bij arrest nr. RvVb/A/1516/1439 van 16 augustus 2016 door de RvVb werd vernietigd omdat de in die stedenbouwkundige vergunning opgegeven motieven “niet [kunnen] beschouwd worden als een zorgvuldige en concrete toetsing aan het esthetisch criterium en […] dan ook niet [volstaan] om aan te tonen dat de
VII-39.572-12/14
schoonheidswaarde van het gebied door de geplande constructies niet in het gedrang wordt gebracht”.
Het middel is gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 8 oktober 2015 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kapellen van 11 mei 2015, houdende het verlenen aan de VZW Rotonde van de milieuvergunning voor het exploiteren van een zorgboerderij en paardenhouderij, gelegen aan de Holleweg 43 te Kapellen, ongegrond worden verklaard.
2. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
3. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partijen.
VII-39.572-13/14
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig februari tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Roger Stevens, eerste voorzitter van de Raad van State, Stephan De Taeye, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Roger Stevens
VII-39.572-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.775