Court suspends first appeal means pending false document ruling while reopening debate on other means.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State suspended the examination of the first appeal means pending a ruling on a separate false document claim. The applicant argued violations of due process and the duty of motivation regarding a disciplinary blame, while the state maintained the disciplinary decision was lawful. The court determined that without resolving the pending false document issue, it could not ascertain if that document was necessary for the final decision, thus suspending only the first means rather than the entire case.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 51, second paragraph, of the General Rules of Procedure; The Council of State may suspend the examination of specific appeal means when the outcome of a related pending proceeding is uncertain and essential for the resolution of the main dispute, without suspending the entire proceedings.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 240.751 van 20 februari 2018
in de zaak A. 215.968/XIV-36.459
In zake : Coen DOBBELAERE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR
gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145 A
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 26 mei 2015, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van hoofdcommissaris van politie O. [L.], directeur-generaal bij de federale politie, algemene directie van het middelenbeheer en de informatie dd. 27 maart 2015 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam is opgelegd.”
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 51 van het besluit van de Regent van
XIV-36.459-1/8
23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september 2017.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Flore Aerens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker, en adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Ter terechtzitting wordt de behandeling van de zaak uitgesteld naar de zitting van 13 december 2017.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is hoofdinspecteur van politie, werkzaam bij de directie Publieke Veiligheid, dienst Politie te paard.
XIV-36.459-2/8
3.2. In een informatierapport van 23 juli 2014 brengt hoofdcommissaris van politie P. J., commandant van het Koninklijk Escorte, een aantal ongeregeldheden ter kennis van de directeur-generaal van de Bestuurlijke Politie die zich hebben voorgedaan na de plechtigheden van de nationale feestdag en waarbij vijf ruiters, waaronder verzoeker, het bevel om af te stijgen op de binnenplaats hebben genegeerd.
3.3. Met het inleidend verslag van 9 februari 2015 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen.
Verzoeker neemt op 17 februari 2015 kennis van het inleidend verslag.
3.4. Na kennisneming van verzoekers verweer en na hem te hebben gehoord, legt de hogere tuchtoverheid op 27 maart 2015 aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Tussengeschil overeenkomstig artikel 51 van de algemeneprocedureregeling
Uiteenzetting van het tussengeschil
4. In zijn verzoekschrift voert verzoeker in het eerste middel onder meer de schending aan van artikel 56 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet).
Hij wijst er op dat conform die bepaling de betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet gebeuren binnen de zes maanden na de kennisneming of de vaststelling van de feiten door een bevoegde overheid en dat, bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid van die bepaling, er dan geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Verzoeker stelt vast dat het inleidend verslag is betekend op “18 februari 2015”, na per aangetekende post te zijn
XIV-36.459-3/8
verzonden op 16 februari 2015. De tuchtoverheid werd te dezen ingelicht bij een verslag van de commandant van het Koninklijk Escorte van 23 juli 2014. Dat stuk is door de tuchtoverheid voor ontvangst ondertekend, waarbij de vraag rijst of dat heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2014 dan wel 25 augustus 2014. In de bestreden beslissing stelt de tuchtoverheid dat dit gebeurde op 25 augustus 2014.
Verzoeker stelt dat de datum van kennisneming 15 augustus 2014 was en dat op grond van een aantal redenen die hij detailleert. Hij meent dat er sprake is van manipulatie, valsheid in geschrifte en vraagt de toepassing van artikel 51 van de algemene procedureregeling voor wat de nota van de commandant van 23 juli 2014
betreft. Daartoe heeft hij een strafklacht ingediend waarvan hij het bewijsstuk bijbrengt.
5. Bij de behandeling van het eerste middel verklaart de verwerende partij in de memorie van antwoord expliciet dat zij “zich op dit stuk wenst te beroepen om aan te tonen dat het inleidend verslag binnen de termijn van zes maanden, conform artikel 56 van de tuchtwet, aan verzoeker betekend werd”
zodat het “aangewezen [lijkt] het strafonderzoek hieromtrent af te wachten.”
Beoordeling
6. Artikel 51 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948
‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemeneprocedureregeling) bepaalt:
“Zo een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt de partij die het stuk heeft overgelegd door de staatsraad of het lid van het auditoraat belast met het onderzoek, of door de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, verzocht zonder verwijl te verklaren of zij volhardt in haar bedoeling ervan gebruik te maken.
Zo de partij op deze vraag niet ingaat, of zo zij verklaart dat zij van het stuk geen gebruik wenst te maken, wordt het verworpen.
Zo zij verklaart dat zij er gebruik wil van maken, wordt er zonder verwijl verslag over uitgebracht bij de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is.
Wanneer deze oordeelt dat het van valsheid beticht stuk geen invloed heeft op haar eindbeslissing, wordt er geen rekening mede gehouden.
Zo zij, integendeel, oordeelt dat het stuk van wezenlijk belang is voor de oplossing van het geschil, dan schorst zij het geding tot het bevoegd rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan.”
XIV-36.459-4/8
De specifieke procedure voor het geval een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, dient zich aan als een incidenteel of tussengeschil ten aanzien van het hoofdgeschil en betreft derhalve in wezen een prejudicieel geschil.
Luidens het verslag aan de Regent bij de algemeneprocedureregeling laat die regeling toe “de oplossing van het geschil niet te vertragen tenzij het stuk belangrijk schijnt te zijn voor de eindbeslissing” (BS 23-24 augustus 1948, 6833).
De regeling van dit prejudicieel geschil is derhalve zo geconcipieerd dat zij de oplossing van het geschil niet vertraagt tenzij het echt noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil.
7. Uit de gewisselde memories, alsook uit het debat ter terechtzitting blijkt dat zowel verzoeker als de verwerende partij hun respectieve standpunten in het eerste middel grotendeels wat de schending van artikel 56 van de tuchtwet betreft, steunen op het stuk dat door verzoeker van valsheid wordt beticht, zijnde het informatierapport van de commandant van het Koninklijk Escorte van 23 juli 2014. Zij volharden bijgevolg in hun bedoeling om van voornoemd stuk gebruik te maken in de voorliggende procedure.
Ter terechtzitting is gebleken dat de door verzoeker bij de strafrechter aanhangig gemaakte procedure nog steeds lopende is.
Gelet op wat voorafgaat is de Raad van State van oordeel dat het stuk dat van valsheid wordt beticht van wezenlijk belang is voor de oplossing van het eerste middel in de mate dat daarin de schending van artikel 56 van de tuchtwet wordt aangevoerd. Voor de oplossing van het eerste middel is immers van essentieel belang of de Raad van State de datum (van 25 augustus 2014) waarop de tuchtoverheid stelt kennis te hebben genomen van het voormelde informatieverslag van 23 juli 2014, al dan niet mag betrekken bij de oplossing van het eerste middel.
XIV-36.459-5/8
Er is derhalve aanleiding om het geding te schorsen wat het onderzoek van het eerste middel betreft, totdat het bevoegde rechtscollege uitspraak heeft gedaan over de valsheid van het overgelegde stuk.
8. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en de wet van 4 augustus 1996 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’, alsook van artikel 3 van de tuchtwet. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van de punten 6, 7, 9 en 11 van de deontologische code, van het redelijkheidsbeginsel en van artikel 3 van de tuchtwet. In het vierde middel voert verzoeker de schending aan van het gelijkheidsbeginsel uitgedrukt in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
De Raad van State oordeelt dat het van valsheid betichte stuk geen invloed heeft op de beoordeling van die middelen. Uit de processtukken noch uit het debat ter terechtzitting blijkt overigens dat de partijen zich, wat de behandeling van die middelen betreft, beroepen op het van valsheid betichte stuk noch, a fortiori, dat zij volharden in de bedoeling ervan gebruik te maken wat de behandeling van het tweede, derde en vierde middel betreft.
In de huidige stand van het geding en zonder op het onderzoek en beoordeling van die middelen vooruit te lopen, kan derhalve niet worden uitgemaakt of het van valsheid beticht stuk een noodzakelijke invloed heeft op de eindbeslissing van de Raad van State over het voorliggende geschil nu, bij gebrek aan onderzoek en debat, in de huidige stand van het geding niet vaststaat dat het voorliggende geding niet kan worden beslecht zonder de uitslag van de valsheidsvordering af te wachten. Niet blijkt aldus dat, zonder een onderzoek van de overige middelen, de opschorting van de behandeling van het gehele geding tot er uitspraak is gedaan over de valsheid echt noodzakelijk is voor de oplossing van de zaak. In de huidige stand van het geding is er aldus geen reden om daartoe over te gaan.
XIV-36.459-6/8
V. Aanvullend onderzoek
9. Het auditoraat heeft zijn onderzoek over de zaak beperkt tot het doen van verslag als bedoeld in artikel 51, tweede lid, van de algemeneprocedureregeling en waarvan thans blijkt dat er geen reden is om de behandeling van het gehele geding op te schorten tot er uitspraak is gedaan over de valsheid. Er is dan ook reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak behoudens wat het eerste middel betreft.
BESLISSING
1. De Raad van State schorst de behandeling van het eerste middel totdat de meest gerede partij kennis geeft van de uitspraak over de valsheid, onverminderd de mogelijkheid voor de Raad van State om de zaak daartoe op te roepen wanneer hij dit gepast acht.
2. Het debat wordt voor het overige heropend.
3. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek behoudens wat het eerste middel betreft.
XIV-36.459-7/8
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig februari tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-36.459-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.751