Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.707 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.707 Généré par l'IA

Court orders suspension of permit enforcement due to urgent necessity outweighing opposing economic interests.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.707
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Admis (Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State granted the request for an urgent suspension of the enforcement of a Flemish minister's decision regarding a pond filling permit. The applicant successfully demonstrated that the permit was partially illegal and that suspending its enforcement was necessary to restore their rights. The court weighed the severe financial consequences for the opposing parties against the clear legal error and concluded that the suspension was not disproportionately harmful.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 17, § 2, 2nd para. RvS-Wet; Art. 17, § 2, 2nd para. RvS-Wet: A suspension of enforcement may be ordered when the negative consequences for the applicant are clearly outweighed by the public interest and the benefits of restoring legal rights, provided the opposing party's interests do not clearly outweigh these benefits.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent necessity suspension of enforcement interests balancing administrative permit partial illegality procedural suspension environmental permit approbation des plans

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 17, § 2, 2nd para. RvS-Wet
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 240.707 van 9 februari 2018

in de zaak A. 223.952/VII-40.150.

In zake : Wim LIEVENS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Arnold Gits en Elias Gits kantoor houdend te 8500 Kortrijk President Kennedypark 31A

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Naamsestraat 165

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partijen :

1.de NV CREELLE-CLGTRANS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim De Cuyper en Koenraad Van De Sijpe kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57

bij wie woonplaats wordt gekozen

2. de BVBA AUDE AERDEMOLEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lieven De Wolf kantoor houdend te 1853 Strombeek-Bever Oude Mechelsestraat 165

bij wie woonplaats wordt gekozen

VII-40.150-1/19

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 8 februari 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 15 september 2017, waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 9 maart 2017, houdende het verlenen van vergunning voor het opvullen van vijvers met uitgegraven bodem, gelegen aan Hoornstraat te Beernem, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 februari 2018.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Thomas De Bie, die loco advocaten Arnold Gits en Elias Gits verschijnt voor verzoeker, advocaat Kristien Vanderheiden, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Koenraad Van De Sijpe, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en advocaat Inge Willemsen, die loco advocaat Lieven De Wolf verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

VII-40.150-2/19

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Tussenkomsten

3. Met ter terechtzitting neergelegde verzoekschriften vragen de NV Creelle-CLGtrans en de BVBA Aude Aerdemolen om in het geding te mogen tussenkomen.

Er is grond om beide verzoeken in te willigen.

IV. Gegevens van de zaak

4. Bij besluit van 9 maart 2017 verleent de deputatie van de provincieraad West-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de NV Creelle-CLGTrans een milieuvergunning:

“Artikel 1

Aan N.V. CREELLE-CLGTRANS, gevestigd te Haanhoutstraat 77, 9080 Beervelde wordt onder de voorwaarden bepaald in onderhavig besluit vergunning verleend, om een inrichting gelegen te Hoornstraat zn te Beernem, kadastraal bekend : [BEERNEM l AFD/BEERNEM, Sectie C, Perceelnummers 0564/K, 0572/B en 0578/B]

met als voorwerp : een inrichting voor het opvullen van de vijvers met uitgegraven bodem te exploiteren [in de rubrieken 15.1.1 en 60.2]

Zodat deze voortaan zou omvatten :

Een inrichting voor het opvullen van de vijvers met uitgegraven bodem met:

-Stalplaats voor 10 voertuigen, andere dan personenwagens in open lucht:

vrachtwagens, kraan,...;

-Ophogen van 2 voormalige ontginningsputten/vijvers met 110.000 m3

niet-verontreinigde uitgegraven bodem. Zeven van niet-verontreinigde uitgegraven bodem door middel van een mobiele installatie -opvulling van de vijver met gronden voor vrij gebruik voor een capaciteit van 150.000 m³ tot een niveau dat niet kleiner is dan 2,5 m-mv Artikel 2

§ l. De vergunde inrichting dient in gebruik genomen binnen een termijn van 1095

VII-40.150-3/19

kalenderdagen te rekenen vanaf de datum bepaald in artikel 3,1.

§ 2. Deze milieuvergunning is geschorst indien voor de verandering die er het voorwerp van uitmaakt ook een stedenbouwkundige vergunning of melding als bedoeld in art. 4.2.1 en art. 4.2.2 van de Vlaamse Codex RO, vereist is en deze stedenbouwkundige vergunning niet definitief werd verleend of de melding niet is gedaan.

Deze schorsing duurt tot de stedenbouwkundige vergunning definitief is verleend of is geweigerd in laatste aanleg of zolang de handelingen waarvoor de stedenbouwkundige melding is verricht, niet mogen worden aangevat op grond van artikel 4.2.2,§4 van de Vlaamse Codex RO.

De vergunninghouder dient het definitief verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning te melden aan de deputatie bij ter post aangetekende zending.

§3. De geschorste milieuvergunning vervalt van rechtswege op de dag waarop de stedenbouwkundige vergunning in laatste aanleg definitief zou geweigerd worden.

§4. De stedenbouwkundige vergunning die verkregen is voor de verandering die het voorwerp is van de voormelde milieuvergunningsaanvraag wordt geschorst zolang de milieuvergunning niet definitief is verleend. Als het gaat om met toepassing van artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex RO

meldingsplichtige handelingen wordt de uitvoerbaarheid van de stedenbouwkundige melding opgeschort.

§5. Deze geschorste stedenbouwkundige vergunning vervalt van rechtswege op de dag waarop de milieuvergunning in laatste aanleg definitief zou geweigerd worden.

Artikel 3

De In artikel l bedoelde vergunning wordt verleend voor een termijn van 3

jaar.

die aanvangt op 09/03/2017

en die eindigt op 09/03/2020

Voor wat de koppeling aan de stedenbouwkundige vergunning of melding betreft: zie artikel 2

Artikel 4

De in artikel l bedoelde vergunning is afhankelijk van de strikte naleving van de volgende voorwaarden :

De algemene en sectorale voorwaarden voor nieuwe/bestaande inrichtingen van titel II van het Vlarem. Ter informatie volgt hierna een niet-limitatieve opsomming van toepasselijke algemene en sectorale bepalingen uit titel II van het Vlarem (waarvan, in voorkomend geval, enkel de aangeduide artikelen van toepassing zijn) :

algemene milieuvoorwaarden - algemeen hoofdstuk 4.1,4.7,4.8, en 4.9

algemene milieuvoorwaarden - beheersing van oppervlaktewaterverontreiniging hoofdstuk 4.2

algemene milieuvoorwaarden - beheersing van bodem- en grondwaterverontreiniging hoofdstuk 4.3

algemene milieuvoorwaarden - beheersing van luchtverontreiniging hoofdstuk 4.4. en4.10.

VII-40.150-4/19

algemene milieuvoorwaarden - beheersing van geluidshinder hoofdstuk 4.5, algemene milieuvoorwaarden - beheersing van hinder door licht hoofdstuk 4.6.

garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen hoofdstuk 5.15.

geheel of gedeeltelijk opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers hoofdstuk 5.60

vijvers bijzondere voorwaarden l) De voormalige ontginningsputten/vijvers mogen enkel opgevuld worden met uitgegraven bodem die voldoet aan de voorwaarden voor vrij gebruik (bijlage V van het VLAREBO). Dit wordt aangetoond aan de hand van technisch verslagen en/of analyseverslagen.

2) De nodige maatregelen worden getroffen om de emissies van stof afkomstig van diffuse bronnen (vrachtwagentransport, zeefinstallatie,...)

maximaal te beperken:

o De wegen op het terrein van de inrichting moeten verhard en afhankelijk van de mate van vervulling schoongemaakt worden;

o Er wordt een sproei-installatie voorzien of een gelijkwaardige maatregel die de wegen, opslagplaatsen voor stuifgevoelige stoffen en andere plaatsen in open lucht waar stofemissies op het terrein van de inrichting kunnen ontstaan, permanent nat houdt;

o Een sproei-installatie wordt voorzien op de breek- en zeefinstallatie die bij droog en winderig weer continu in werking is;

o De exploitant waakt er over dat de vervuiling van openbare wegen door voertuigen, die het terrein van de inrichting verlaten, wordt vermeden of verholpen; hiervoor voorziet de exploitant in een bandenwasinstallatie of een evenwaardige maatregel.

3) Vrachtwagentransport dient hoofdzakelijk te gebeuren via de Hoornstraat, waarbij de omgeving van het kruispunt Hoornstraat/Bloemdaelestraat en de Mexicostraat zoveel mogelijk zal vermeden worden, 4) De gebruikte bodem moet in grote lijn dezelfde sedimentensamenstelling bevatten als de oorspronkelijke geologie, met gelijkaardige hydrogeologische eigenschappen, 5) Voor aanvang van de werkzaamheden voor het aanvullen van de vijver wordt een maatregelenplan opgesteld door de bodemsaneringsdeskundige ifv de aanwezigheid van elke 0B0 en BSP in onmiddellijke nabijheid waarbij elk risico op bijkomende verontreiniging en/of verspreiding van de aanwezige verontreinigingen van bodem en grondwater moet worden uitgesloten. Bij werkzaamheden moet strikt rekening worden gehouden met het maatregelenplan dat steeds ter inzage ligt van de toezichthoudende ambtenaar.

6) De exploitant dient zelf in te staan voor de communicatie naar de buurt over elk afzonderlijk project en voor de organisatie van een klachtenmeldpunt(via telefoon en/af mail) tijdens de werken.

Dit doet niets af van de strikte naleving van de volgende voorwaarden:

VII-40.150-5/19

Besluit van de Vlaamse Regering van l juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, zoals herhaaldelijk gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse Regering; .

In het geval van verandering (uitbreiding) van een lopende vergunning gelden voor de tot op heden nog niet vergunde inrichtingen in principe steeds de voorwaarden voor nieuwe inrichtingen van titel II van het Vlarem (met uitzondering van de inplantingsregels indien vergroting minder dan 100 %

bedraagt), en dit voor zover de sectorale voorwaarden geen afwijkende regeling bevatten. De in de vroegere vergunningen reeds opgelegde voorwaarden blijven eveneens van kracht”.

De deputatie overweegt onder meer wat volgt:

“De vijvers waarvan de bodem zal worden opgehoogd, zijn ontstaan door de ontginning van zand. De site is na de ontginning echter nog gebruikt als (illegale) stortplaats. Zo werd er in de westelijke ontginningsput industrieel afval en bouwafval gestort.

Er is sprake van historische verontreinigingen van de bodem en grondwater. Op de site zijn 2 OBO's gekend. In het dossier wordt enkel verwezen naar een grondwaterverontreiniging met PAK's, minerale olie en zware metalen. Er zou ook een bodemsaneringproject gekend zijn op minder dan 45 m van de westelijke vijver waarover n het dossier niet naar verwezen.

Het grondwater wordt gekenmerkt als heel kwetsbaar wat betekent dat de risicograad van verontreiniging van het grondwater in de bovenste waterlaag door stoffen die van op de bodem in de grond dringen reëel is. Volgens dossier zou de horizontale stromingsrichting zuidelijk zijn. Het studiebureau (Bova Enviro+ NV) dat een erkenning heeft als bodemsaneringsdeskundige verklaart dat de huidige bestemming en het huidige terreingebruik geen ernstige aanwijzing voor een ernstige bedreiging inhoudt en dat bij de verontdieping van de vijver met niet-verontreinigde uitgegraven bodem er geen aanwijzing zal zijn voor een ernstige bedreiging. Er wordt gesteld dat er geen verandering van de verspreiding van de aanwezige verontreinigingen in grond en grondwater te verwachten wordt gezien de hydrogeologie niet noemenswaardig zal wijzigen.

Alle voorzorgen moeten worden genomen zodat ook tijdens de werkzaamheden geen bijkomende verontreiniging of bijkomende verspreiding van de aanwezige verontreinigingen kunnen optreden. In het dossier wordt hier niet concreet op ingegaan. Er moeten concrete maatregelen worden voorgesteld door een bodemsaneringsdeskundige. Hiermee wordt ook tegemoetgekomen aan enkele bijzondere voorwaarden geformuleerd door de gemeente ivm de historische verontreiniging”.

5. Naar aanleiding van een bestuurlijk beroep tegen dit besluit van de deputatie door Thomas Van Huele, vof Lotas en BVBA Orion Dynamic, wordt de bestreden beslissing genomen die als volgt besluit:

VII-40.150-6/19

“Artikel 1. Het ontvankelijk bevonden beroep van Thomas Van Huele, vof Lotas, Snaaskerkestraat 4, 8470 Gistel, en bvba Orion Dynamic.

Hoornstraat 22A, 8730 Beernem, aangetekend tegen het besluit nr. 31003/310/1/A/1 van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 9 maart 2017 waarbij vergunning wordt verleend voor een termijn verstrijkend op 9 maart 2020 aan de nv Creelle-CLG Trans, Haanhoutstraat 77, 9080 Beervelde, voor het opvullen van vijvers met uitgegraven bodem, gelegen te 8730 Beernem, Hoornstraat zn, op de kadastrale percelen: afdeling 1, sectie C, perceelnr. 0564/K, 0572/B en 0578/B, omvattende:

- stalplaatsen voor tien voertuigen, andere dan personenwagens in open lucht: vrachtwagens, kraan, ...;

- ophogen van twee voormalige ontginningsputten of vijvers met 110.000 m3 niet verontreinigde uitgegraven bodem; zeven van niet-verontreinigde uitgegraven bodem door middel van een mobiele installatie;

- opvulling van de vijver met gronden voor vrij gebruik voor een capaciteit van 150.000 m3 tot een niveau dat niet kleiner is dan 2,5 m-mv, wordt gedeeltelijk gegrond verklaard.

Art. 2. Het bestreden besluit. wordt gewijzigd als volgt:

Artikel 1 wordt vervangen door het volgende:

„§1. Aan de nv Creelle-CLG Trans, Haanhoutstraat 77, 9080 Beervelde, wordt, onder de voorwaarden bepaald in onderhavig besluit, de vergunning verleend voor het opvullen van de vijvers met uitgegraven bodem, gelegen te 8730 Beernem, Hoornstraat zn, op de kadastrale percelen: afdeling 1, sectie C, perceelnr. 0564/K, 0572/B en 0578/B, omvattende:

- ophogen van twee voormalige ontginningsputten of vijvers met 110.000 m3 niet verontreinigde uitgegraven bodem; zeven van niet-verontreinigde uitgegraven bodem door middel van een mobiele installatie;

- opvulling van de vijver met gronden voor vrij gebruik voor een capaciteit van 110.000 m3 tot een niveau dat niet kleiner is dan 2,5 m-mv.

§2. Aan nv Creelle-CLG Trans, Haanhoutstraat 77. 9080 Beervelde, wordt de vergunning geweigerd voor het opvullen van de vijvers met uitgegraven bodem, gelegen te 8730 Beernem, Hoornstraat zn, op de kadastrale percelen:

afdeling 1, sectie C, perceelnr. 0564/K, 0572/B en 0578/B. omvattende:

- stalplaatsen voor tien voertuigen, andere dan personenwagens in open lucht: vrachtwagens, kraan, ...‟.

Aan artikel 4 wordt de volgende bijzondere voorwaarde toegevoegd:

„7) alle activiteiten voor de opvulling van de vijvers worden uitgevoerd binnen de grenzen van het ontginningsgebied, met uitzondering van de in- en uitrit‟.

Art. 3. De overige bepalingen van het bestreden besluit worden bevestigd”.

De minister overweegt onder meer wat volgt :

“Overwegende dat de westelijke vijver in het verleden groter was dan zijn huidige vorm; dat er illegaal industrieel afval en bouwafval werd gestort in deze westelijke vijver; dat er volgens oriënterende bodemonderzoeken verontreinigingen voorkomen met zware metalen en PAK‟s en minerale olie;

VII-40.150-7/19

Overwegende dat echter de exploitant op 16 mei 2017 een nieuw oriënterend bodemonderzoek (2017-ZO-755) heeft laten uitvoeren, specifiek voor de bodems van de vijvers waar de onderhavige aanvraag betrekking op heeft; dat dit onderzoek gebeurde in samenwerking met de OVAM; dat uit dit onderzoek het volgende is gebleken:

- oostelijke vijver: geen verontreinigingen in het slib op de bodem van de vijver, grond onder de vijverbodem en het grondwater;

- westelijke vijver: na analyse zijn in twee van de vijf slibstalen van de vijver concentraties gemeten net boven de richtwaarde voor benzo(a)pyreen in het vaste deel van de aarde; deze verhoogde concentratie wordt beschouwd als historische verontreiniging en overschrijdt de 80%-bodemsaneringsnorm niet;

- het vermoeden van de stortactiviteiten in de vijvers wordt bijgevolg niet bevestigd door de veldwerkzaamheden en de analysegegevens;

- er zijn bijgevolg verder geen maatregelen vereist;

Overwegende dat, gezien er geen maatregelen vereist zijn, er geen verontreiniging van het grondwater zal optreden”.

V. Voorwaarden van de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid

6. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-Wet) kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid

Standpunt van de partijen

7. Om de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering aan te tonen beroept verzoeker zich op het feit dat de vergunningenhouder op 30 januari 2018 de werkzaamheden heeft aangevat waardoor hij “van ‟s morgens vroeg tot ‟s avonds laat geconfronteerd wordt met zwaarbeladen vrachtwagens die langs zijn woning passeren en moeten passeren en derhalve ernstig in zijn

VII-40.150-8/19

woongenot geraakt wordt. Het gaat om minstens 15 zwaarbeladen camions per dag (zaterdag en zondag inbegrepen)” terwijl hij “op vandaag met weinig (zwaar)

verkeer geconfronteerd wordt”. Verzoeker wijst erop dat in de bestreden beslissing sprake is van “50 à 67 met grond geladen camions” gedurende twee jaar en die “gezien geen milieuvergunning werd afgeleverd voor het stallen van de vrachtwagens, […] ook allen de site moeten uitrijden en hoogstwaarschijnlijk opnieuw de woning van [verzoeker] zullen moeten passeren”. Hij wijst op de geluids- en (fijn) stofhinder die dat meebrengt en op recent onderzoek van de Vlaamse Milieumaatschappij en van Beweging.net in samenwerking met de Universiteit van Antwerpen waaruit blijkt “dat fijn stof zowel op korte als lange termijn zeer schadelijk is voor de gezondheid” en dat “fijn stof een negatieve impact heeft”. Hij verwijst naar de uiteenzetting van het belang bij zijn beroep waar hij stelt dat hij “woont - rustig gelegen - aan de overkant van de Projectsite”, dat hij “niet staat te springen voor een grootschalige recreatieproject, waarvan het effectief beoogde ontwerp tot op vandaag nog steeds niet duidelijk is” en dat hij “ernstige geluids- en stofhinder, alsook onaanvaardbare mobiliteitshinder [zal]

ondervinden”. Hij wijst erop dat “het de bedoeling is dat de vijvers met niet minder dan 110.000 m³ grond opgevuld worden, hetzij 11.000 camions van 10 m³ lading”.

Dit betekent “(zaterdag en zondag inbegrepen) over een periode van 2 jaar meer dan 15 - 50 tot zelfs 67 - met grond geladen camions per dag”. Verzoeker stelt dat het voor zich spreekt “dat het storten van zand en puin én stofhinder genereert én geluidshinder. Ook het eigenlijk transport zal veel geluid en stof veroorzaken”. Hij stelt dat hij en zijn gezinsleden ernstig in hun woongenot worden gestoord en dat zonder een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing “bij een eventuele latere vernietiging […] de kans reëel [is] dat [verzoeker] nog talrijke jaren zal geconfronteerd worden met mobiliteitshinder en stof- en geluidshinder [omdat] de gestorte gronden opnieuw uitgegraven zullen moeten worden”.

8. De verwerende partij antwoordt dat het argument dat verzoeker de ongemakken van de uitvoering van de bestreden vergunning langer moet ondergaan geen reden is tot het aannemen van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Verder dat de verzoeker nalaat concrete feitelijke gegevens aan

VII-40.150-9/19

te brengen die de uiterst dringende noodzakelijkheid aantonen. Het terug moeten opgraven van gronden na een gebeurlijke vernietiging is het gevolg van een vernietigingsarrest. De verzoeker is niet diligent geweest bij het instellen van deze vordering doordat hij de inhoud van de bestreden beslissing al 5 maanden kende en al 7 dagen de gevolgen heeft ondervonden van de bestreden beslissing. Bovendien is de woning op 90 m verwijderd van de Hoornstraat en in tweede lijn achter 2 andere woningen aan de straatzijde, en ligt de projectsite op 250 m van de Hoornstraat aan de andere zijde zodat verzoeker geen rechtstreeks zicht heeft op de projectsite en zelfs niet op de weg en geen sprake kan zijn van visuele en geluidshinder. De verwerende partij wijst er verder op dat het vrachtwagenvervoer maximaal 150 dagen bedraagt op 760 dagen telkens in fases van 10 dagen.

9. De NV Creelle-CLGTrans werpt op dat verzoeker de hoogdringendheid zelf gecreëerd heeft omdat zij eerst op 8 januari 2018 door de Raad van State op de hoogte werd gebracht van het beroep tot nietigverklaring terwijl zij sinds eind november 2017 de voorbereidingen tot uitvoering van de bestreden beslissing heeft aangevat, en omdat de verzoeker er voor gekozen heeft geen schorsingsverzoek samen met het annulatieberoep in te dienen. Bovendien heeft de verzoeker niet diligent gehandeld door pas 9 dagen na de vaststelling van de start van de werken de vordering in te dienen. Ook door het feit dat de verzoeker al zijn middelen van het vernietigingsberoep heeft overgenomen, toont verzoeker zelf aan dat er geen sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid.

Beoordeling

10. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij(en) aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende

VII-40.150-10/19

karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Dit laatste impliceert dat de verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen. De mogelijkheid tot het instellen van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid doet geen afbreuk aan de regel van artikel 19, eerste lid, van de RvS-Wet. Op grond van deze bepaling moet een verzoeker doen blijken van “een benadeling of van een belang”. De verzoekende partij moet dus in de inleidende akte aannemelijk maken dat de bestreden beslissing haar een persoonlijk nadeel kan toebrengen. De uiterst dringende noodzakelijkheid mag niet enkel verantwoord worden door het feit dat in een min of meer nabije toekomst een beslissing tot schorsing of vernietiging zal tussenkomen. Er moeten andere elementen worden aangevoerd die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die de daaraan verbonden uiterst dringende noodzakelijkheid aantonen. De verzoekende partij moet dus aantonen dat de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid op nuttige wijze haar nadeel ongedaan kan maken.

11. Uit de bestreden beslissing blijkt dat vergunning wordt verleend voor het “ophogen van twee voormalige ontginningsputten of vijvers met 110.000 m³ niet-verontreinigde uitgegraven bodem [en] zeven van niet-verontreinigde uitgegraven bodem door middel van een mobiele installatie“

en “opvulling van de vijver met gronden voor vrij gebruik voor een capaciteit van 110.000 m³ tot een niveau dat niet kleiner is dan 2,5 m-mv”, dat “de opvulwerken ongeveer twee jaar zullen duren; dat het gaat om campagnes van ongeveer tien dagen; dat er ongeveer 11 tot 15 campagnes zullen plaatsvinden, verspreid over twee jaar; dat er per werkdag 750 tot 1.000 m³ wordt aangevoerd; dat dit neerkomt op 50 tot 67 vrachtwagens per dag (15 m³ per vrachtwagen)”, “dat de in- en uitrit zich aan de Hoornstraat bevindt” en dat een “mobiele zeefinstallatie voorzien wordt op ongeveer 250 meter van alle woningen rondom de hele site”.

VII-40.150-11/19

12. Ter zitting blijkt dat op 30 januari 2018 de hekkens werden gebracht naar de site, dat op 1 februari 2018 die hekkens op de site werden geplaatst en dat enkel op 6 februari 2018 grond werd aangevoerd door 59 vrachtwagens tussen 7u15 en 16u30.

13. Ter zitting blijkt ook dat de woning van verzoeker aan de Hoornstraat 45 ligt op zo‟n 30 à 70 m van de in- en uitrit van de vergunde site.

14. Verzoeker treedt diligent op door zijn vordering in te leiden tijdens de eerste in de bestreden vergunning voorziene 11 tot 15 campagnes van ongeveer tien dagen gespreid over een periode van twee jaar, en meer bepaald op de eerste van de tien dagen van zo‟n eerste campagne. Verzoeker overtuigt genoegzaam van zijn belang door het feit dat hij in de Hoornstraat woont op ongeveer 30 à 70 m aan de overzijde van de in- en uitrit van de vergunde site langswaar de transporten moeten gespreid worden om het kruispunt Hoornstraat/bloemdaelestraat (centrum) maximaal te vermijden. Verzoeker kan derhalve aan de ingeroepen mobiliteits-, geluids- en stofhinder worden onderworpen door de vergunde activiteiten die bestaan uit de aanvoer met vrachtwagens van 110.000 m³ gronden (7.333 vrachtbewegingen van 15 m³)

- uitsluitend of hoofdzakelijk - langs de Hoornstraat, het zeven van die gronden op 250 m van de woning en het opvullen van de vijvers op de site met de gezeefde gronden.

15. De termijn van 45 dagen die de Raad van State is opgelegd om uitspraak te doen over een (gewone) vordering tot schorsing is een ordetermijn die wordt nagestreefd maar niet is gewaarborgd. Het bijzondere aan deze zaak is dat de bestreden beslissing opvulwerken vergund die “ongeveer twee jaar zullen duren”, wat concreet zou betekenen 11 tot 15 campagnes van ongeveer 10 dagen. Met andere woorden zouden de opvulwerken 110 tot 150 “werkdagen” in beslag nemen waarvan er thans 1 in mindering moet worden gebracht. In de gegeven omstandigheden toont de verzoeker aan dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone

VII-40.150-12/19

vordering tot schorsing.

16. Op de vraag van de tweede tussenkomende partij BVBA Aude Aerdemolen om de zaak kort uit te stellen kan in deze omstandigheden niet worden ingegaan. Evenmin kan haar worden toegestaan om “na de zitting alsnog een schriftelijk verweer in te dienen”. Hetzelfde geldt voor het verzoek van de verwerende partij om “de zaak op latere datum op te roepen voor behandeling”.

VII. Onderzoek van de ernst van de middelen

Tweede middel

17. Verzoeker werpt een tweede middel op genomen uit de schending van “de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli betreffende de uitdrukkelijke motivering der bestuurshandelingen, uit de schending van de regels met betrekking tot het openbaar onderzoek en uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel”.

In een eerste middelonderdeel stelt hij: “De vergunningsaanvrager heeft in het kader van de beroepsprocedure een nieuw stuk toegevoegd, met name een oriënterend bodemonderzoek 2017-ZO-755 dat aan het dossier werd toegevoegd op 16 mei 2017. Dit document werd niet in openbaar onderzoek gelegd. Daardoor werd het recht op een deugdelijk openbaar onderzoek en het recht op een gepast hoger beroep - dit is met volledige kennis van zaken -

miskent”.

In een tweede middelonderdeel stelt hij dat: “Verwerende partij stelt letterlijk dat er geen maatregelen vereist zijn omdat er geen bodemverontreiniging is, maar heeft wel de 5de bijzondere voorwaarde van de

VII-40.150-13/19

beroepen beslissing van de deputatie van 9 maart 2017 laten staan, die als volgt luidt:

„Voor aanvang van de werkzaamheden voor het aanvullen van de vijver wordt een maatregelenplan opgesteld door de bodemsaneringsdeskundige ifv de aanwezigheid van elke OBO en BSP in onmiddellijke nabijheid waarbij elk risico op bijkomende verontreinig en/of verspreiding van de aanwezige verontreinigingen van bodem en grondwater moet worden uitgesloten. Bij werkzaamheden moet strikt rekening gehouden worden met het maatregelenplan dat steeds ter inzage ligt van de toezichthoudende ambtenaar. De verkaveling is niet gelegen in biologisch (zeer) waardevol gebied‟.

Dit is volstrekt contradictorisch.

Ook hier ligt een schending van de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel voor”.

Beoordeling

18. In de beslissing van de deputatie wordt bij de weergave van de bezwaren en opmerkingen naar aanleiding van het openbaar onderzoek onder meer melding gemaakt van de “[...] vraag naar de resultaten van de toxicologische analyse van het afval; gevaar van straling; aangevoerde grond met metaalresten;

sterfte van vissen en vogels; plaats en diepte van de boringen; [...] onverantwoord risico op bodemverontreiniging en op waterverontreiniging; [...]”. Ook wordt gemeld dat het college van burgemeester en schepenen gunstig adviseert, maar daarbij een aantal voorwaarden stelt, onder meer omwille van de aanwezige historische bodemverontreiniging. Verder in dat besluit blijkt dat de aanvrager het zelf heeft over een brownfieldsite. Er zou geen aanwijzing zijn dat er een ernstige bedreiging zou uitgaan van de historische bodemverontreiniging, althans bij de huidige bestemming en het huidige terreingebruik, omdat de verontreiniging gestabiliseerd is. Uit de hiervoor aangehaalde overwegingen in de beslissing van de deputatie blijkt dus dat er historische bodemverontreiniging voorkomt op het terrein. Deze zou in de huidige situatie gestabiliseerd zijn, en mede daarom geen ernstige bedreiging vormen. Evenwel is de deputatie er, in navolging van het

VII-40.150-14/19

college van burgemeester en schepenen, voor beducht dat het gedeeltelijk opvullen van de vijvers deze stabiliteit zou doorbreken waardoor de verontreiniging zich toch weer verder zou verspreiden. Vandaar de voorwaarde dat door een bodemsaneringsdeskundige een maatregelenplan moet worden opgesteld zoals aangegeven in de hiervoor aangehaalde vijfde bijzondere voorwaarde in artikel 4

van dat besluit.

19. In verband met de hiervoor aangehaalde overwegingen in de bestreden beslissing moet op het eerste gezicht het volgende worden vastgesteld.

20. De eerste alinea van het geciteerde betreft een deel van het terrein waar de westelijke vijver reeds eerder gedeeltelijk werd gedempt, niet door zogenaamde „ontdieping‟ zoals thans vergund, maar tot boven de waterspiegel.

Het is door dit illegale storten van afval dat de bodemverontreiniging tot stand is gekomen die reeds werd vastgesteld in oriënterende bodemonderzoeken, en het is die vaststelling die heeft geleid tot de door de deputatie opgelegde vergunningsvoorwaarde dat een maatregelenplan moet worden opgesteld om te vermijden dat de thans gevraagde werken zouden leiden tot verdere verontreiniging en/of spreiding van die vastgestelde verontreiniging.

21. In de volgende alinea wordt overwogen dat er „echter‟ een nieuw oriënterend bodemonderzoek werd uitgevoerd, waaruit is gebleken „dat het vermoeden van de stortactiviteiten in de vijvers‟ niet wordt bevestigd, en dat er bijgevolg verder geen maatregelen vereist zijn. Waarna wordt overwogen dat, „gezien er geen maatregelen vereist zijn, er geen verontreiniging van het grondwater zal optreden‟.

22. Verzoeker heeft dit zo begrepen dat wordt gesteld dat het door de deputatie opgelegde maatregelenplan bij nader inzien overbodig blijkt, en noemt dat „volstrekt contradictorisch‟ met het gegeven dat het door de deputatie als voorwaarde opgelegde maatregelenplan werd bevestigd. De verwerende partij vermoedt in haar nota met opmerkingen dat het om een „materiële vergissing‟ gaat,

VII-40.150-15/19

maar meent dat als de exploitant toch „extra voorzorgsmaatregelen‟ moet nemen, verzoeker daar net mee gebaat is, en daarom geen belang heeft bij het middelonderdeel. De exploitant stelt in zijn verzoekschrift tot tussenkomst: „een overtollige voorwaarde (nopens bodemsanering terwijl onderhand gebleken is dat er geen sprake is van verontreiniging) is geen onwettige voorwaarde‟.

23. Zoals op het eerste gezicht kan worden begrepen uit de bestreden beslissing had het nieuwe oriënterend bodemonderzoek als voorwerp de mogelijke verontreiniging in de bodem van de vijvers, en niet de reeds eerder vastgestelde verontreiniging van het deel van het terrein dat is ontstaan door het dempen (door illegaal storten) in de westelijke vijver. Uit de bestreden beslissing kan echter op het eerste gezicht niet met de nodige zekerheid worden opgemaakt of daarover duidelijkheid bestond in hoofde van de verwerende partij. Ofwel bedoelt de verwerende partij dat uit het nieuwe onderzoek niet blijkt dat de verondersteld historische verontreiniging in de waterbodem zo ernstig is dat sanering ervan noodzakelijk is. In dat geval kan men slechts besluiten dat de voorwaarde inzake het maatregelenplan zonder meer behouden is gebleven. Ofwel wordt bedoeld dat het maatregelenplan overbodig is. In dat geval is de motivering van de beslissing inderdaad tegenstrijdig met het beschikkend gedeelte ervan. Die motivering is dan bovendien geheel naast de kwestie, omdat het maatregelenplan zoals gezegd moet voorkomen dat het gedeeltelijk opvullen van de vijvers leidt tot destabilisatie van de verontreinigingstoestand op het terrein in de nabijheid van de vijvers, en niets te maken heeft met in de waterbodem van de vijvers aanwezige verontreiniging die zich door de werken buiten de vijvers zou kunnen verspreiden. Op de terechtzitting is gebleken dat grote verwarring blijft bestaan over de strekking van de motivering, en daaraan verbonden ook over de vraag of de betreffende vergunningsvoorwaarde nog geldt, formeel of effectief na te leven, overtollig of noodzakelijk.

24. Uit het neergelegde administratief dossier blijkt bovendien op het eerste gezicht dat het bodemonderzoek van 16 mei 2017 werd uitgevoerd op vraag van OVAM (op 2 maart 2017), en dat de conclusie ervan zoals weergegeven

VII-40.150-16/19

in de bestreden beslissing deze is van de bodemsaneringsdeskundige. Of het onderzoek later door OVAM conform werd verklaard, en of OVAM het eens is met de conclusie, blijkt echter nergens uit het dossier. In het advies van OVAM

van 29 mei 2017 is er van het onderzoek helemaal geen sprake, en in het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt er niets meer over gezegd dan in de bestreden beslissing.

25. Het tweede onderdeel van het tweede middel is ernstig.

26 Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de RvS-Wet die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.

VIII. Belangenafweging

27. De BVBA Aude Aerdemolen stuurt aan op een belangenafweging omdat “de zaak niet dermate hoogdringend kan geacht worden”, “het belang van [verzoeker] niet zo acuut kan worden beschouwd, dat daaraan de rechten van verdediging van de verwerende en tussenkomende partijen opgeofferd moeten worden” en “dat een eventuele schorsing van de vergunning haar voor onafzienbare tijd zonder inkomsten zou plaatsen wat voor haar werking verstrekkende schadelijke gevolgen heeft”.

Beoordeling

28. Luidens artikel 17, § 2, tweede lid, van de RvS-Wet dient de afdeling bestuursrechtspraak op verzoek van de verwerende partij of de tussenkomende partij thans rekening te houden met de vermoedelijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging voor alle belangen die kunnen worden geschonden, alsook met het openbaar belang, en kan ze besluiten de schorsing niet te bevelen indien de nadelige gevolgen ervan op een kennelijk onevenredige wijze zwaarder doorwegen dan de voordelen.

VII-40.150-17/19

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de Raad van State de belangenafweging alleen kan maken als de negatieve gevolgen van de schorsing voor de Raad kennelijk onredelijk blijken in het licht van de voordelen ervan (Parl. St. Senaat, 20121-2013, nr. 5-2277/1,16).

29. Uit de beoordeling hiervoor is al gebleken dat de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangetoond door verzoeker.

30. Als blijkt dat de bestreden milieuvergunning onwettig is verleend door de verwerende partij, heeft verzoeker er gelet op het voorwerp van de vergunning, alle belang bij dat de tenuitvoerlegging ervan wordt geschorst. De BVBA Aude Aerdemolen maakt niet aannemelijk dat de negatieve gevolgen van de schorsing kennelijk onredelijk blijken tegenover het aan verzoeker bij voorraad toegekende rechtsherstel door zonder meer te stellen dat de schorsing van de tenuitvoerlegging haar voor onafzienbare tijd zonder inkomsten zal plaatsen met verstrekkende schadelijke gevolgen voor haar werking.

BESLISSING

1. De verzoeken van NV Creelle-CLGtrans en van de BVBA Aude Aerdemolen tot tussenkomst bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden ingewilligd.

2. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 15 september 2017, waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 9 maart 2017, houdende het verlenen van vergunning voor het opvullen van vijvers met uitgegraven bodem, gelegen aan Hoornstraat te Beernem, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd.

VII-40.150-18/19

3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het bij uiterst dringende noodzakelijkheid geschorste besluit.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen februari tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Pierre Lefranc

VII-40.150-19/19

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.707