Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.706 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.706 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request for massage salon license refusal due to lack of serious grounds.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.706
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of the mayor's refusal to grant a massage salon license. The court found that the police's negative moral opinion was based on unregistered cameras and unproven violations, which did not constitute serious grounds for doubt. Consequently, the cumulative conditions for suspending enforcement were not met, leading to the total rejection of the claim.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, §§ 1 and 4 of the coordinated Council of State laws; A suspension of enforcement requires serious grounds that call into question the legality of the decision, which were absent here as the police opinion relied on unverified evidence and minor infractions.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension of enforcement massage salon license moral opinion requirements serious grounds for doubt administrative licensing procedure autorisation de police violation des charges d'autorisation obligation d'autorisation

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 17, §§ 1 and 4 of the coordinated Council of State laws
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE Xe KAMER

nr. 240.706 van 9 februari 2018

in de zaak A. 224.397/X-17.141.

In zake : de BVBA XIAOLING

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thierry L‟Allemand kantoor houdend te 2000 Antwerpen Britselei 47-49, bus 5/7

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de STAD ANTWERPEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 30 januari 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de burgemeester van de stad Antwerpen van 18 januari 2018

waarbij aan de bvba Xiaoling de vestigingstoelating voor een massagesalon te 2000 Antwerpen, Sint-Jacobsmarkt 77-79, geweigerd wordt.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018, om 10.00 uur.

X-17.141-1/14

Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Shanna Schuerewegen, die loco advocaat Thierry L‟Allemand verschijnt voor verzoekster, en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Verzoekster baat een massagesalon uit te 2000 Antwerpen, Sint-Jacobsmarkt 77-79.

Op 16 oktober 2016 treedt het politiereglement „vestigingstoelating voor massagesalons‟ in werking. Het vereist een vestigingstoelating voor het exploiteren van verzoeksters massagesalon.

Hoofdstuk 5 voorziet in voorwaarden, eensdeels, met betrekking tot de inrichting („Stedenbouwkundige bepalingen‟, „Brandveiligheid‟, „Hygiëne‟, „Ruimtes in het massagesalon‟) en, anderdeels, met betrekking tot de uitbating (“een gunstig moraliteitsonderzoek”).

Verzoekster dient op 26 december 2016 een aanvraag voor een vestigingstoelating in. Er wordt haar op 7 maart 2017 meegedeeld dat het dossier ontvankelijk is en dat zij een voorlopige vestigingstoelating krijgt.

Zij wordt op 24 oktober 2017 gehoord over tekortkomingen met betrekking tot de brandveiligheids-, hygiëne-, stedenbouwkundige en

X-17.141-2/14

moraliteitsvoorwaarden. Zij krijgt tot en met 24 november 2017 de tijd om bewijzen bij te brengen. Door verzoekster worden conclusies neergelegd.

Op 18 januari 2018 beslist de burgemeester de gevraagde vestigingstoelating te weigeren. Dit is de bestreden beslissing.

IV. Schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

V. Schorsingsvoorwaarde van een ernstig middel

A. Eerste middel

Standpunt van verzoekster

5. Verzoekster voert in een eerste middel aan “dat de verwerende partij geen enkele afweging van elementen heeft gemaakt en zonder verder na te denken en te zoeken naar een degelijke motivering tot een beslissing is gekomen, of, dat zulks minstens niet blijkt uit de bestreden beslissing hetgeen niet alleen in het kader van het motiveringsbeginsel vereist is, doch ook onder andere in het kader van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”.

Volgens verzoekster heeft de verwerende partij een beslissing genomen zonder ze met zorg en met “respect voor voorzorg” te hebben voorbereid. Concreet meent zij “dat er geenszins naar behoren werd geantwoord op de door haar overgemaakte conclusie en stukken”.

X-17.141-3/14

Beoordeling

6. De bestreden beslissing beslaat zeven bladzijden waarin omstandig wordt uiteengezet waarom de vestigingstoelating die verzoekster aanvroeg wordt geweigerd en namelijk aan welke precieze voorwaarden voor het verkrijgen van de toelating verzoekster “nog steeds” niet voldoet.

7. Welke feiten of elementen de verwerende partij onvoldoende heeft onderzocht of foutief heeft geapprecieerd, wordt in het middel niet toegelicht.

8. In zoverre overigens verzoekster beweert dat er niet genoeg is geantwoord op haar verweer, wijst de verwerende partij er in de nota op het eerste gezicht terecht op dat de formelemotiveringsplicht niet voorschrijft dat het bestuur expliciet op elk argument dient te antwoorden, maar dat het volstaat dat wordt aangegeven waarom het bestuur tot de genomen beslissing is gekomen niettegenstaande het gevoerde verweer.

9. Het eerste middel is niet ernstig.

B. Tweede middel

Standpunt van verzoekster

10. In een tweede middel betoogt verzoekster dat zij “steeds het nodige heeft gedaan”. Nu zij altijd heeft gedaan wat redelijkerwijze verwacht kan worden van de uitbater van een massagesalon, is er dan ook minstens een inbreuk op het redelijkheidsbeginsel.

X-17.141-4/14

Beoordeling

11. Opdat de Raad van State het middel van de schending van het redelijkheidsbeginsel door de bestreden beslissing ernstig kan bevinden, moet op het eerste gezicht aannemelijk zijn gemaakt dat de verwerende partij de grenzen van de redelijkheid te buiten is gegaan.

Het volstaat daartoe niet dat, zoals in het verzoekschrift wordt betoogd, verzoekster steeds gevolg heeft gegeven aan de oproepingen om gehoord te worden of de verzoeken om stukken bij te brengen – ongeacht wat ook de inhoud van haar verklaringen of stukken was.

12. Het tweede middel is niet ernstig.

C. Derde middel

Standpunt van verzoekster

13. Luidens een derde middel bevindt verzoekster zich in geen van de gevallen waarin de burgemeester volgens artikel 19 van het politiereglement „vestigingstoelating voor massagesalons‟ de vestigingstoelating kan weigeren.

Meer bepaald betwist verzoekster dat zij niet aan de voorwaarden voldoet.

Beoordeling

14. Artikel 19 van het politiereglement „vestigingstoelating voor massagesalons‟ bepaalt:

“De burgemeester weigert de vestigingstoelating:

° als niet voldaan is aan de wettelijke of reglementaire bepalingen en voorwaarden van toepassing op de inrichting;

° als de onderzoeken om een toelating af te leveren, een negatief advies geven;

° als controle door de ambtenaar van de stad en/of de politie wordt verhinderd;

° als de aanvraag onjuiste gegevens bevat;

X-17.141-5/14

° als de openbare orde, de openbare rust en/of de openbare gezondheid gevaar loopt.”

15. Noch is het aan de Raad van State om het onderzoek van de verwerende partij over te doen, noch mag hij zijn beoordeling van de gegevens van de zaak in de plaats stellen van die van de overheid.

Wel komt het hem toe om, in zoverre verzoekster op een en ander wettigheidskritiek uitoefent, na te gaan of de verwerende partij rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is gekomen en of die feiten de vereiste draagkrachtige motieven opleveren voor haar conclusie dat verzoeksters inrichting en uitbating niet voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een vestigingsvergunning.

16.1. Wat de brandveiligheid betreft, wordt in de bestreden beslissing overwogen:

“Uit het proces-verbaal inzake brandveiligheid van 18 september 2017

en de administratieve hercontrole op 7 december 2017 blijkt dat volgende inbreuken inzake brandveiligheid nog steeds aanwezig zijn (art. 10 – 11

Politiereglement vestigingstoelating massagesalons):

Artikel 380:

De verantwoordelijke moet de brandbestrijdingsmiddelen, de gasinstallatie en de verwarmingsinstallatie geregeld laten nakijken, hetzij door een bevoegd persoon, hetzij door een bevoegd installateur, hetzij door een daartoe erkend/geaccretideerd organisme:

- Het keuringsattest voor de [verwarmingsinstallatie] van RAETS, zonder nummer, op datum van 25/11/2016 is vervallen.

- Er is geen keuringsattest voor de gasinstallatie voorgelegd. De uitbater heeft een foto voorgelegd waar te zien is dat de gasmeter vergrendeld is.

Dit bewijs volstaat niet. Er dient een attest van EANDIS te worden voorgelegd waarin wordt verklaard dat er geen gasverbruik is op het adres en dat er geen gasmeter actief is.

Ondanks de toegestane regularisatietermijn, werden bovenstaande inbreuken nog steeds niet hersteld. Op heden voldoet uw inrichting aldus niet aan de regels inzake brandveiligheid.”

16.2. Verzoeksters enige kritiek hiertegen is dat zij naar aanleiding van het verhoor van 24 oktober 2017 stukken heeft neergelegd, waarbij onder meer een stuk waarop “te zien is dat de gasinstallatie is vergrendeld”, en dat zij er

X-17.141-6/14

op geen enkel moment van verwittigd is “dat de voorgebrachte stukken niet zouden voldoen”. Dit heet “een inbreuk op de rechten van verdediging, zoals wordt gewaarborgd door art. 6 EVRM” te zijn.

16.3. De verwerende partij werpt op het eerst gezicht terecht op dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) “niet van toepassing is op de louter administratieve procedure”.

Het is ten aanzien van artikel 6 EVRM voldoende dat de beslissing kan worden voorgelegd aan een rechterlijk orgaan met volle rechtsmacht dat aan de vereisten van voormeld artikel 6 voldoet. De Raad van State is op het eerste gezicht zo‟n rechter.

17.1. Inzake stedenbouw overweegt de bestreden beslissing:

“Uit het proces-verbaal inzake stedenbouw van 5 mei 2017 blijkt dat volgende inbreuken inzake stedenbouw nog steeds bestaan (art. 9

Politiereglement vestigingstoelating massagesalons):

- Er werd een houten constructie geplaatst op de open binnenkoer achteraan het pand op de gelijkvloerse verdieping, deze werd ingericht als kantoor/keuken/eetplaats, zonder voorafgaandelijke stedenbouwkundige vergunning van het college van burgemeester en schepenen.

Op de hoorzitting deelde u mee dat de regularisatie lopende was. Er werd een document bijgebracht genaamd „Melding van handelingen in of aan gebouwen met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening‟. Het plaatsen van de houten constructie betreft echter een vergunningsplichtig werk waardoor een melding niet volstaat om de inbreuk op te heffen.

- Het aantal woongelegenheden werd gewijzigd van 9 naar 8. De voormalige woongelegenheid, gelegen achter de vooraan gelegen handelszaak, is mede opgenomen in de handelszaak. In de voormalige living zijn drie massagekamers ingericht. De badkamer, het toilet en de kookhoek zijn eveneens opgenomen in het massagesalon. Kadastraal staat het pand gekend als appartementsgebouw met negen woongelegenheden.

Op de hoorzitting verklaarde uw raadsman dat uw vennootschap geen eigenaar is van het gebouw waardoor zij niet in de mogelijkheid zijn om deze inbreuk te regulariseren. Om een stedenbouwkundige vergunning aan te vragen is het niet vereist dat iemand eigenaar is van een gebouw. Uw vennootschap had aldus stappen kunnen zetten om deze inbreuk te regulariseren.

- Aan de voorgevel werden links en rechts van de inkom in het gevelvlak twee enkelzijdige lichtgevende zaakgebonden publiciteitsborden geplaatst zonder stedenbouwkundige vergunning.

X-17.141-7/14

Op de hoorzitting verbond u zich ertoe deze publiciteitsborden te verwijderen en hiervan de nodige bewijsstukken te bezorgen. Deze bewijzen werden echter niet bezorgd.

Tot slot werd in de schriftelijke conclusie melding gemaakt van het feit dat de stedenbouwkundige inbreuken onduidelijk zijn. De inbreuken worden in het proces-verbaal inzake stedenbouw op heldere en begrijpbare wijze uiteengezet. Er wordt geenszins gepreciseerd wat onduidelijk zou zijn. Daarnaast kan ook steeds verdere informatie worden bekomen bij de dienst stedenbouwkundige vergunningen.

Op heden voldoet uw inrichting aldus niet aan de stedenbouwkundige regelgeving.”

17.2. Ter zake werpt verzoekster tegen dat de verwerende partij voorbarig is vermits “verzoekster thans bezig is om de onvergunde toestand te regulariseren”. Zij verwijst daaromtrent naar haar stuk 3.

17.3. Bedoeld stuk lijkt alleen de houten constructie op de binnenkoer te betreffen, die verzoekster wou regulariseren door ze aan de verwerende partij te melden. De verwerende partij liet met het stuk weten geen akte te nemen van de melding en dat voor de gemelde handeling een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning moet worden ingediend.

Het blijkt niet, noch wordt beweerd, dat dit al gebeurd is. De besproken grief mist op het eerste gezicht dan ook feitelijke grond.

18.1. Met betrekking tot de moraliteit van zaakvoerder C. W. wordt in de bestreden beslissing verwezen naar het ongunstig moraliteitsadvies van de politie en naar de feiten waarvoor de betrokkene in de politionele bestanden “gekend” is. Vervolgd wordt met:

“Op de hoorzitting wierp uw raadsman op dat hieruit geen negatief moraliteitsadvies kan volgen. Er werd verwezen naar het arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 9 november 2016. Alle inbreuken werden hier namelijk besproken en stonden het toekennen van de Belgische nationaliteit niet in de weg zodoende dient het gezag van gewijsde te worden gerespecteerd.

Het gezag van gewijsde van een rechterlijke uitspraak strekt zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing uitmaakt (artikel 23 gerechtelijk wetboek). Om een beroep te kunnen doen op de execeptie van het gezag van gewijsde wordt vereist dat (i) de gevorderde

X-17.141-8/14

zaak dezelfde is, (ii) de vordering op dezelfde oorzaak berust, (iii) de vordering tussen dezelfde partijen bestaat en (iv) door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid is ingesteld. In casu is aan deze voorwaarden niet voldaan; zodoende belet het arrest van het hof van beroep niet dat een negatief moraliteitsadvies wordt gegeven. Te meer daar een […] burgerlijke rechtbank zich niet kan uitspreken over de schuld van een persoon aan een misdrijf. Bovendien wordt in het arrest ook verwezen naar een minnelijke schikking die betrokkene in 2010 heeft gekregen. Dit betekent dat de schuld van betrokkene aan een misdrijf vaststaat.

Uw raadsman brengt een strafdossier bij inzake mensenhandel. Uit het 198 pagina‟s tellende strafdossier zou volgens uw raadsman kunnen worden afgeleid dat er geen link is tussen de feiten en uw zaakvoerder. Er wordt geenszins verwezen naar specifieke paragrafen uit het strafdossier waaruit dit zou blijken, noch naar een beschikking tot buitenvervolgingstelling, een beslissing tot seponering omwille van technische redenen of een vrijsprekend vonnis.

De waslijst aan feiten in hoofde van één van uw zaakvoerders, [C. W.], wordt dus geenszins weerlegd. Gelet op de hoeveelheid, de ernst (cfr.

mensensmokkel) en het herhaalde karakter van verschillende inbreuken zijn er ernstige aanwijzigen voorhanden in hoofde van uw zaakvoerder van feiten zoals omschreven in het strafwetboek. Dat er geen strafrechtelijke veroordeling heeft plaatsgevonden voor deze feiten, belet het bestaan van ernstige aanwijzingen niet. Te meer gezien er een minnelijke schikking werd afgesloten. De feiten dateren bovendien niet uit een ver verleden waardoor er geen sprake kan zijn van schending van de redelijke termijn.

Gelet op al het voorgaande, voldoet [C. W.] niet aan de moraliteitsvoorwaarden zoals omschreven in artikel 17 van het politiereglement vestigingstoelating voor massagesalons.”

18.2. In zoverre verzoekster daar in de eerste plaats tegen inbrengt dat C. W. geen zaakvoerder meer is, voegt zij er – ter terechtzitting – aan toe dat het om informatie gaat die de verwerende partij niet kende.

Nu ook niet blijkt dat verwerende partij die informatie ten minste kón en móest kennen, is op het eerste gezicht niet in te zien hoe ze de wettigheid van de genomen beslissing in het gedrang zou brengen.

18.3. In de tweede plaats herneemt verzoekster zo goed als letterlijk het verweer dat zij eerder ook al tijdens de hoorzitting van 24 oktober 2017 naar voor bracht: (1) het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 9 november 2016 in verband met de nationaliteitsverklaring van C. W., verplicht ertoe de bezwaren tegen zijn persoon af te wijzen; (2) rekening

X-17.141-9/14

houdend met de stukken die verzoekster bijbrengt, moet worden vastgesteld dat de onderzoeken nooit tegen C. W. werden gevoerd, maar “lastens derden, zijnde de échte of vermeende daders”, en dat zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid in al die kwesties nooit in het gedrang is gekomen.

De weerlegging van dit verweer, in de bestreden beslissing, laat verzoekster evenwel zonder reactie.

Zij doet aldus niet aannemen dat de verwerende partij verkeerdelijk van mening is dat te dezen geen beroep kan worden gedaan op het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep van 9 november 2016.

Het enige dossier dat verzoekster lijkt te hebben bijgebracht, is dat inzake mensenhandel. Nog altijd wijst zij geen “specifieke paragrafen” erin aan waaruit zou blijken dat er geen link is tussen de feiten en C. W. Voor zoveel de Raad van State voorlopig, binnen het bestek van deze procedure kon nagaan, is een link op het eerste gezicht wel voorhanden en lijkt het onjuist dat C. W. in de betrokken processen-verbaal louter als slachtoffer, als getuige of terloops ter sprake komt.

Ook wat de bedreiging op 19 september 2015 en de opzettelijke slagen en verwondingen en illegale dracht van een verboden wapen op 24 augustus 2009 betreft, lijkt er wel degelijk sprake van vaststellingen tegen C.

W. De bestreden beslissing reveleert hierover dat C. W. een mes toonde bij een discussie met een huurder, respectievelijk dat hij pepperspray gebruikte tegen een lastige klant. Een en ander wordt als zodanig niet tegengesproken.

Wat de door verzoekster aangevoerde omstandigheid aangaat dat nog nooit de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van C. W. “in het gedrang is gekomen”, wordt in de aangevochten beslissing opgemerkt dat de afwezigheid van een strafrechtelijke veroordeling niet het bestaan van ernstige aanwijzingen belet. Dit is, gelet op artikel 17 van het politiereglement „vestigingstoelating voor massagesalons‟, op het eerste gezicht terecht.

X-17.141-10/14

19.1. In verband met zaakvoerster Y. X. motiveert de bestreden beslissing:

“Het proces-verbaal inzake slagen en verwondingen van 2015, hewelke niet inhoudelijk werd weerlegd, en de veroordeling door het hof van beroep in 2015 voor inbreuken op de arbeidswetgeving maken dat mevrouw Yuan Xiaoling niet voldoet aan de moraliteitsvoorwaarden zoals omschreven in artikel 17 van het politiereglement vestigingstoelating voor massagesalons.

De feiten dateren bovendien niet uit een ver verleden waardoor er geen sprake kan zijn van schending van de redelijke termijn.”

19.2. De inbreuken op de arbeidswetgeving laat verzoekster onbesproken. Ze worden blijkbaar terecht in de bestreden beslissing in aanmerking genomen.

19.3. Over de toedracht in verband met de “opzettelijke slagen en verwondingen” in 2015 is op het eerste gezicht niet de minste informatie beschikbaar. Verzoekster zegde tijdens de hoorzitting van 24 oktober 2017 – en herhaalt in haar verzoekschrift – er geen weet van te hebben, en de verwerende partij lijkt alleen te weten dat Y. X. ter zake in de politionele bestanden “gekend”

is. In die welbepaalde omstandigheden lijkt het gebrek aan een inhoudelijk verweer vanwege verzoekster onvoldoende om rechtens te kunnen gewagen van ernstige aanwijzingen dat Y. X. in 2015 slagen en verwondingen heeft toegebracht. De bestreden beslissing lijkt ten onrechte in zoverre de bestreden beslissing toch rekening houdt met dat feit.

20.1. Aangaande de moraliteit van K. K. Y., masseuse, vermeldt de bestreden beslissing dat een negatief moraliteitsadvies is gegeven door de politie “aangezien zij nog geseind staat”, dat op de hoorzitting is meegedeeld dat zij niet langer in het massagesalon werkt en dat hiervan nog bewijsstukken zouden worden bezorgd, wat niet is gebeurd.

20.2. Inderdaad wijst, zoals verzoekster in het verzoekschrift doet gelden, haar stuk 4 uit dat K. K. Y. al sinds 25 januari 2017 niet meer in haar dienst is, maar evengoed is het stuk, anders dan verzoekster tijdens de hoorzitting

X-17.141-11/14

in het vooruitzicht stelde, niet aan de verwerende partij bezorgd, zodat zij het dan ook niet bij haar beslissing kon betrekken.

21.1. Wat, ten slotte, het moraliteitsadvies met betrekking verzoekster zelf betreft, vermeldt de bestreden beslissing:

“Daarnaast gaf de politie ook een negatief moraliteitsadvies met betrekking tot de rechtspersoon zelf aangezien de camera‟s niet aangemeld of geregistreerd waren in het openbaar register van de privacycommissie.

Hoewel u bewijzen bezorgde van de aangifte bij de privacycommissie;

staan de camera‟s nog steeds niet geregistreerd in het openbaar register, dat online consulteerbaar is. Daarnaast deelde de sociale inspectie mee dat er lastens uw uitbating twee processen-verbaal werden opgemaakt voor inbreuken op de DIMONA-regelgeving, de regelgeving betreffende de deeltijdse arbeid en de regelgeving betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. Het ene proces-verbaal dateert van 10 december 2012 en het andere dateert van 21 februari 2014.”

21.2. Tegen de vaststellingen van de sociale inspectie brengt verzoekster niets in.

Alleen doet zij gelden het bewijs te hebben verschaft dat de camera‟s zijn aangegeven en dat zij niet zelf instaat voor het online-register.

Inderdaad bezorgde verzoekster een 21 oktober 2017

gedateerde uitgeprinte bevestiging van een aangifte van bewakingscamera‟s de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Zoals de pagina bovenaan evenwel vermeldt, moet ze ondertekend aan de commissie worden toegestuurd: “Enkel wanneer de Commissie deze bevestigingspagina heeft ontvangen, kan aan het formulier dat via Internet is toegezonden, het statuut van officiële aangifte worden toegekend.”

Het blijkt niet dat die toezending is gebeurd, noch wordt het zelfs maar beweerd.

X-17.141-12/14

22. In de gegeven omstandigheden lijkt het onnodig om nog verzoeksters kritiek te onderzoeken op het motief in verband met het negatief moraliteitsadvies dat de politie “bijkomend” gaf voor masseuse Y. M.

Zelfs al ware die kritiek terecht, dan nog zou het besproken middel op het eerste gezicht niet geacht kunnen worden zodanig de deugdelijkheid van het voorafgaand onderzoek en van de motieven van de bestreden beslissing te doen betwijfelen dat het voor ernstig moet worden gehouden.

23. Verzoekster doet vooralsnog niet aannemen dat de verwerende partij het politiereglement „vestigingstoelating voor massagesalons‟ heeft geschonden door haar de gevraagde vestigingsvergunning te hebben geweigerd om reden dat niet was voldaan aan de voorwaarden van toepassing op de inrichting en aan de voorwaarden in verband met een gunstig moraliteitsonderzoek.

Ook het derde en laatste middel kan prima facie geen nietigverklaring verantwoorden.

Hieruit volgt dat alvast één van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing niet vervuld is. Er is bijgevolg reden om de vordering in haar geheel te verwerpen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

X-17.141-13/14

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen februari 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-17.141-14/14

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.706