Belgian court dismisses urgent suspension request due to lack of extreme necessity and procedural delay.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of the mayor's refusal to grant a massage salon license. The applicant argued that the decision caused immediate financial ruin, but the court found this claim implausible given the delay in filing the request. The court determined that the applicant's own conduct and the significant time elapsed since the decision rendered the alleged extreme necessity non-existent.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Act; extreme necessity must be proven by the applicant and cannot be presumed from the mere filing of an annulment action, especially when the request is filed long after the contested decision.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE Xe KAMER
nr. 240.704 van 9 februari 2018
in de zaak A. 224.209/X-17.101.
In zake : de BVBA S & B
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christiaan Bossers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Van Eycklei 10A
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de STAD ANTWERPEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 31 januari 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de burgemeester van de stad Antwerpen van 6 november 2017
waarbij aan de bvba S&B de vestigingstoelating voor een massagesalon te 2000
Antwerpen, Oude Koornmarkt 56, geweigerd wordt.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018, om 10.00 uur.
X-17.101-1/7
Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Shonia Paata, die loco advocaat Christiaan Bossers verschijnt voor verzoeker, en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoekster baat onder meer een massagesalon uit te 2000 Antwerpen, Oude Koornmarkt 56.
Op 16 oktober 2016 treedt het politiereglement „vestigingstoelating voor massagesalons‟ in werking. Het vereist een vestigingstoelating voor het exploiteren van verzoeksters massagesalon.
Hoofdstuk 5 voorziet in voorwaarden, eensdeels, met betrekking tot de inrichting („Stedenbouwkundige bepalingen‟, „Brandveiligheid‟, „Hygiëne‟, „Ruimtes in het massagesalon‟) en, anderdeels, met betrekking tot de uitbating (“een gunstig moraliteitsonderzoek”).
Verzoekster dient op 1 december 2016 een aanvraag voor een vestigingstoelating in. Er wordt haar op 16 december 2016 meegedeeld dat het dossier ontvankelijk is en dat zij een voorlopige vestigingstoelating krijgt.
Op 6 november 2017 beslist de burgemeester de gevraagde vestigingstoelating te weigeren. Dit is de bestreden beslissing.
X-17.101-2/7
IV. Onderzoek van de schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten op voorwaarde onder andere dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
Wat die voorwaarde betreft, verklaart verzoekster dat de uiterst dringende noodzakelijkheid “is te vinden in het feit dat ten gevolge van [de]
bestreden beslissing zo goed als alle inkomsten gegenereerd door Verzoekster zullen wegblijven en dit terwijl de kosten van de zaak (waaronder huur, aflossing van leningen, verplichte betalingen aan sociale en fiscale administraties, abonnementen telefonie, interne enz.) verder blijven lopen”. Het handhaven van het besluit maakt volgens verzoekster dat een faillissement van de onderneming onvermijdelijk is en dat haar massagesalon, dat sinds 2014 bestaat, voorgoed de deuren moet sluiten en zal verdwijnen.
5. Van een uiterst dringende noodzakelijkheid is er slechts sprake als met de zaak een zodanige urgentie gemoeid is dat niet alleen niet de uitkomst van een beroep tot nietigverklaring kan worden afgewacht, maar zelfs niet een schorsing die volgens de gewone procedure zou worden bevolen.
Wie beweert in een dergelijk geval te verkeren, moet zich daar naar gedragen. Een verzoekende partij is ongeloofwaardig wanneer zij zonder afdoende verantwoording een situatie gedurende lange(re) tijd aankijkt en passief ondergaat, om dan plotsklaps te betogen dat aan diezelfde situatie zodanig hoogdringend een einde moet worden gesteld dat zelfs een gewone schorsingsvordering niet tijdig soelaas kan bieden.
6. Te dezen kreeg verzoekster, zoals blijkt uit stuk 24 van het administratief dossier, de bestreden beslissing op 13 november 2017 betekend.
De beslissing vermeldt expliciet:
X-17.101-3/7
“U wordt erop gewezen dat de uitbating van het massagesalon thans verboden is. De politie zal dit nauwkeurig controleren. Als u het massagesalon toch uitbaat, kan de politie de zaak sluiten.”
Tevens wordt verzoekster er uitdrukkelijk op geattendeerd dat tegen de beslissing “binnen de zestig (60) dagen na ontvangst een verzoekschrift tot schorsing of vernietiging” kan worden ingediend bij de Raad van State.
7. Omdat “de onmiddellijke sluiting van de zaak desastreuze financiële gevolgen zou hebben voor Verzoekster”, zo verklaart verzoekster, heeft zij “met de Stad gecommuniceerd”, waarna de stad feitelijk zou hebben gedoogd dat verzoekster haar werkzaamheden noodgedwongen voortzette. Dit heeft bij haar valse verwachtingen gewekt.
Stuk 24 van het administratief dossier bevestigt dat er effectief tussen partijen is gecommuniceerd. Verzoekster vroeg met een e-mail van 13 november 2017 aan de behandelende ambtenaar om voorlopig de uitbating van het massagesalon op de Oude Koornmarkt te gedogen. Vanwege de verwerende partij werd daar evenwel op geantwoord met een e-mail van 15 november 2017 dat de beslissing van de burgemeester thans definitief is, dat de administratie niet de bevoegdheid heeft een andersluidende beslissing te nemen, en dat het verzoekster vrij staat de rechtsmiddelen aan te wenden die ter beschikking staan.
Van het opwekken, door de verwerende partij, van de verwachting dat zou worden gedoogd dat verzoekster de uitbating van het massagesalon in weerwil van de weigering van de burgemeester continueert, blijkt er dus hoegenaamd geen sprake te zijn.
Toch ziet verzoekster geen aanleiding om een procedure tegen de weigering van de vestigingstoelating in te stellen.
8. Evenmin wendt zij zich tot de Raad van State als – of kort nadat – zij op 8 december 2017 voor de voortzetting van de uitbating geverbaliseerd wordt door de politie.
X-17.101-4/7
Zelfs dan duurt het nog bijna een volle maand, tot 5 januari 2018, vooraleer verzoekster uiteindelijk alleen een verzoekschrift tot nietigverklaring tegen de weigering indient.
Niettegenstaande in dat verzoekschrift kan worden gelezen dat zij dagelijks zeer grote schade lijdt “gezien zij thans haar werkzaamheden volledig moet stilleggen naar aanleiding van de beslissing van de Stad”, vordert verzoekster niettemin geen schorsing.
Ter verklaring argumenteert verzoekster dat zij ervan uitging dat de verwerende partij wel “zou afwachten alvorens aan de Politie nogmaals de instructie te geven om de zaak te controleren en te sluiten” en dat zij verwachtte dat “haar de mogelijkheid zou gegeven worden verder te werken gedurende de procedure bij de Raad van State”.
Wat verzoekster tot die denkbeelden brengt, is volslagen onduidelijk. Juist het tegendeel moest zij verwachten.
9. Pas nadat door de politie op 22 januari 2018 andermaal een proces-verbaal werd opgesteld wegens de uitbating van een massagesalon zonder de vereiste toelating, komt verzoekster er op 31 januari 2018 toe de voorliggende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen.
Dit is bijna tachtig dagen nadat haar de bestreden beslissing is meegedeeld.
10. Niet zonder overtuigingskracht merkt de verwerende partij met betrekking tot het voorgaande op:
“Er dient [..] te worden gesteld dat in rechte de door verzoekende partij aangevoerde elementen van uiterst dringende noodzakelijkheid reeds op 13 november, uiterlijk 15 november 2017 aanwezig waren. Meer nog:
verwerende partij ziet in het geheel niet in hoe verzoekende partij met ernst kan voorhouden dat haar situatie thans, objectief beschouwd, meer spoedeisend is geworden dat zij op 5 januari 2018 was. Met andere woorden, het instellen van enkel een beroep tot nietigverklaring op
X-17.101-5/7
5 januari 2018, houdt, gelet op de juridisch niet gewijzigde omstandigheden, de negatie in van de uiterst dringende noodzakelijkheid die thans wordt aangevoerd.”
11. De Raad van State neemt met de verwerende partij aan dat de houding die verzoekster heeft vertoond, het voorhanden zijn van een uiterst dringende noodzakelijkheid tegenspreekt en ontkracht.
Als het inderdaad zo zou zijn als verzoekster beweert, namelijk dat zij ten gevolge van de bestreden beslissing “zo goed als” al haar inkomsten ziet wegvallen en haar deuren definitief dient te sluiten, dan is dat iets wat zij al sinds midden november 2017 kon en moest weten. Die gevolgen kunnen in dat geval niet plots, tweeënhalve maand later, een uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsen verantwoorden – althans voor zoveel er voor dat lange tijdsinterval geen deugdelijke reden wordt gegeven.
Die reden is voor de Raad van State niet gebleken.
12. Hieruit volgt dat alvast één van de cumulatieve voorwaarden voor een schorsing niet is vervuld. Deze vaststelling volstaat om de vordering in haar geheel te verwerpen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
X-17.101-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen februari 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Johan Lust
X-17.101-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.704