Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.685 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.685 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request for police detachment due to lack of irreparable harm.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.685
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of a police detachment order. The applicant, a police commissioner facing dismissal, argued that the detachment would prevent his return to his former role, but the court found no concrete evidence of irreparable harm. The court ruled that the detachment is temporary and revocable, meaning any potential dismissal remains hypothetical and insufficient to justify suspending the order.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Act; An urgent suspension requires proof of irreparable harm, which is absent when the contested measure is temporary and revocable.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension irreparable harm police detachment administrative law Council of State temporary measure dismissal threat révocation disciplinaire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Act

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Council of State, no. 237.002 of 11 January 2017
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 240.685 van 8 februari 2018

in de zaak A. 224.368/XIV-37.625

In zake: Roel DOM

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Catherine Bibaer kantoor houdend te 2990 Wuustwezel Bredabaan 1017

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de STAD ANTWERPEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Inge Derde en Karel De Schoenmaeker kantoor houdend te 1930 Zaventem Luchthaven Nationaal 1J

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 30 januari 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “het besluit van de burgemeester van de stad Antwerpen dd. 29 januari 2018 tot detachering van een personeelslid van PZ Antwerpen naar de coördinatie en steundienst (CSD).”

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.

XIV-37.625-1/9

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018, om 11.30 uur.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Verzoeker, bijgestaan door advocaat Catherine Bibaer, en advocaat Inge Derde, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is commissaris van politie bij de lokale politie Antwerpen.

3.2. Met een beslissing van de burgemeester van de stad Antwerpen van 10 juni 2016 wordt aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd.

Verzoeker heeft tegen die beslissing een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ingesteld en met ‟s Raads arrest nr. 237.002 van 11 januari 2017 wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de meerge-

noemde beslissing van 10 juni 2016 bevolen.

3.3. Verzoeker wil op grond van het schorsingsarrest terug in zijn oude functie worden tewerkgesteld doch volgens de verwerende partij bestaat deze

XIV-37.625-2/9

functie niet meer en is geen andere functie van commissaris beschikbaar binnen het korps.

Op 1 februari 2017 dagvaardt verzoeker de verwerende partij voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen, afdeling Antwerpen, zetelend in kort geding, om “de stad Antwerpen te horen bevelen de heer Dom te werk te stellen in zijn functie die hij bekleedde op het ogenblik dat de tuchtsanctie van 10 juni 2016 werd opgelegd, met name de functie van Peletonscommandant PROA bij de lokale Politie Antwerpen en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 EUR per dag vertraging na de betekening van de beschikking”.

Verzoekers vordering wordt in eerste aanleg afgewezen doch in graad van beroep beveelt het hof van beroep te Antwerpen de verwerende partij “in uitvoering van het arrest nr. 237.002 van de XIVe kamer van de Raad van State van 11 januari 2017, […] om de heer Roel Dom tewerk te stellen in een gelijkwaardige functie van commissaris van politie bij de lokale politie Antwerpen, dit binnen een termijn van 3 maanden, na betekening van huidig arrest, onder verbeurte van een dwangsom van 1 000 EUR per dag vertraging met een maximum van 150.000

EUR”.

3.4. Op 29 januari 2018 beslist de burgemeester van de stad Antwerpen tot detachering van verzoeker van de politiezone Antwerpen naar de Coördinatie en Steundirectie (hierna: de CSD), met “aanvang op 30/01/2018 en dit voor 6 maanden, desgevallend verlengbaar”. Dit is de thans bestreden beslissing.

IV. De schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende

XIV-37.625-3/9

noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

V. Uiterst dringende noodzakelijkheid

Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid

5. Onder het kopje “II. Feiten en gegevens die het bevelen van de voorlopige schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoorden”

laat verzoeker met verwijzing naar een e-mail van 25 januari 2018 van het diensthoofd HRM van de lokale politie Antwerpen gelden dat de verwerende partij uitdrukkelijk dreigt met ontslag indien hij geen gevolg zou geven aan de hem opgelegde detachering. Hij wijst erop dat werkweigering reeds na tien dagen kan worden ingeroepen zodat hij “alle belang” heeft bij een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

Onder het kopje “III. Feiten die de spoedeisendheid van het bevelen van de schorsing rechtvaardigen” benadrukt verzoeker in de eerste plaats dat men zich voor de invulling van het begrip spoedeisendheid moet laten leiden door de definitie ervan zoals die werd ontwikkeld in de rechtsleer en in de rechtspraak van de rechtscolleges van de rechterlijke orde. Verzoeker wijst erop dat de Raad van State in het schorsingsarrest nr. 237.002 van 11 januari 2017 reeds heeft gewezen op de “morele schandvlek en imagoschade ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing” tot ontslag van ambtswege. De reeds aanvaarde morele schade wordt nog vergroot door toedoen van de verwerende partij die weigert gevolg te geven aan het voornoemde arrest van 11 januari 2007 en aan het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 18 oktober 2017. Verzoeker kan een procedure tot nietigverklaring niet afwachten omdat zijn morele schade niet zal kunnen worden vergoed bij een vernietiging van de bestreden beslissing.

XIV-37.625-4/9

Verzoeker vervolgt dat de detachering is opgelegd voor een verlengbare periode van zes maanden en dat hij ze enkel kan beëindigen door gebruik te maken van de mobiliteitsregeling, hetgeen echter een screening en deelname aan een selectieprocedure inhoudt. Gezien de houding van de verwerende partij, vreest verzoeker met reden dat hij niet zal kunnen terugkeren naar de lokale politie Antwerpen. Hij kan dan ook niet het resultaat van een procedure tot nietigverklaring afwachten zonder zich te zullen bevinden in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen.

Beoordeling

6. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij.

De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.

Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen

XIV-37.625-5/9

om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.

De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is.

Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).

7. Het gegeven dat de Raad van State bij de invulling van het begrip spoedeisendheid, aanknoping dient te zoeken bij de vereiste zoals die geldt voor de civiele kortgedingrechter, staat er niet aan in de weg dat bij de invulling van het begrip spoedeisendheid rekening moet worden gehouden met de eigen omstandigheden van het objectief contentieux van de Raad van State (Parl. St.

Senaat, 2012-2013, nr.5-2271/1, 13).

8. Waar verzoeker voorhoudt dat een gewone vordering tot schorsing of een beroep tot nietigverklaring niet zou volstaan omdat een arrest slechts zou tussenkomen na het verstrijken van de termijn van de bestreden beslissing, is hoger reeds aangegeven dat die enkele omstandigheid niet volstaat om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden.

XIV-37.625-6/9

9. Het komt verzoeker toe aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen te oordelen dat hij de met de thans bestreden beslissing bevolen detachering onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde of via de gewone schorsingsprocedure, omdat de schadelijke gevolgen of nadelen die hij door die verlenging dreigt te ondergaan, van dien aard zijn dat verzoeker het resultaat van de procedure hierdoor niet kan afwachten.

Met de verwijzing naar “morele schade” toont verzoeker niet in concreto aan waarom deze van dien aard zou zijn dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest hem niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen, zodat hij aldus het resultaat van de procedure ten gronde niet zou kunnen afwachten. Zijn verwijzing naar ‟s Raads arrest nr. 237.002 van 11 januari 2017 is niet dienend omdat dat arrest betrekking had op een zware tuchtstraf, met name het ontslag van ambtswege, terwijl de thans bestreden beslissing in beginsel van voorlopige, tijdelijke en niet-tuchtrechtelijke aard is, met name een detachering gedurende zes maanden.

Het gevaar voor ontslag indien verzoeker geen gevolg zou geven aan de thans bestreden beslissing heeft vooralsnog een hypothetisch karakter. Al voorziet artikel 125 van de wet van 7 december 1998 „tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus‟ inderdaad de mogelijkheid van ontslag wanneer politieambtenaren meer dan tien dagen onregelmatig afwezig zijn gebleven, het betreft een afzonderlijke en aanvechtbare beslissing waarbij artikel IX.I.6 van het RPPol onder meer voorziet dat de betrokkene vooraf zijn argumenten of gegevens kan meedelen.

Verzoeker maakt niet aannemelijk dat zijn terugkeer naar de lokale politie Antwerpen onmogelijk zou worden door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Daargelaten de mogelijkheid voor verzoeker om gebruik te maken van de mobiliteitsregeling, heeft de detachering immers een tijdelijk karakter en kan zij ook worden beëindigd door de burgemeester van de stad Antwerpen en de commissaris-generaal.

XIV-37.625-7/9

Het blijkt niet dat de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing zonder een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid onherroepelijke schadelijke gevolgen zou veroorzaken.

10. De uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve niet aangetoond.

VI. Conclusie

11. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

XIV-37.625-8/9

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht februari tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Carlo Adams

XIV-37.625-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.685