Court partially annuls Flemish personnel statute amendment regarding federal staff transfer transition rules.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State partially annulled Article 9 of the Flemish Government's 2015 decision amending the Flemish personnel statute. The applicant, a former federal official transferred to the Flemish administration, challenged the new transitional provisions inserted into Article VII 179. The court ruled that since the applicant's specific grievance was fully addressed by invalidating only the contested insertion, the remaining parts of the decision could stand without reforming the government's policy.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 9 and 10 of the Law of 13 January 1973 on the Council of State; The Council of State may partially annul an administrative decision if the applicant receives full satisfaction and the annulled provisions can be separated from the rest without requiring the authority to re-formulate its policy.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 240.655 van 5 februari 2018
in de zaak A. 218.406/IX-8817
In zake: Nicole VANDICKELEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Meindert Gees kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 15 februari 2016, strekt tot de nietig-
verklaring van artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2015 ‘tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, in het raam van de overheveling vanaf 1 januari 2015 van personeelsleden van de fede-
rale overheid naar de Vlaamse overheid naar aanleiding van een staatshervor-
ming’, voor zover het artikel VII 179 invoegt in het Vlaams personeelsstatuut.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-
diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
IX-8817-1/16
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag op-
gesteld.
De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laat-
ste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2017.
Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Guillaume Vyncke, die loco advocaten Steve Ronse en Meindert Gees verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi-
neerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster was vóór 1 januari 2015 statutair personeelslid van niveau C bij het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau.
3.2. Naar aanleiding van de zesde staatshervorming werd zij bij koninklijk besluit van 19 december 2014 overgedragen aan de Vlaamse Regering.
Deze overdracht trad in werking op 1 januari 2015.
IX-8817-2/16
3.3. In het Belgisch Staatsblad van 17 december 2015 werd het be-
sluit bekendgemaakt van de Vlaamse Regering van 13 november 2015 ‘tot wijzi-
ging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, in het raam van de overheveling vanaf 1 januari 2015 van personeelsleden van de federale overheid naar de Vlaamse overheid naar aanleiding van een staatshervorming’ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2015). Het heeft uitwerking gekregen vanaf 1 januari 2015.
Artikel 9 van dit besluit voegt aan deel VII, titel 5, van het be-
sluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 ‘houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid’ (hierna:
het Vlaams personeelsstatuut) een hoofdstuk 2 toe, houdende ‘[o]vergangsbepalingen voor de vanaf 1 januari 2015 in het kader van een staats-
hervorming van de federale overheid overgehevelde personeelsleden’. Dit hoofd-
stuk omvat de artikelen VII 176 tot VII 194.
Het nieuw ingevoegde artikel VII 179 van het Vlaams perso-
neelsstatuut luidt als volgt:
“§ 1. Het vanaf 1 januari 2015 in het kader van een staatshervorming van de federale overheid overgehevelde personeelslid dat op de datum van de over-
heveling bij de federale overheid de premie voor competentieontwikkeling genoot en federaal na afloop van de geldigheidsduur van deze toelage een ho-
gere salarisschaal zou toegekend geweest zijn, behoudt enerzijds die premie bij de diensten van de Vlaamse overheid voor dezelfde geldigheidsduur als ze toegekend zou zijn bij de federale overheid en wordt anderzijds na afloop van deze geldigheidsduur op basis van de federale schaal die hem zou toegekend geweest zijn, heringeschaald conform bijlage 14 bij dit besluit.
§ 2. Artikel VII 178 § 2 geldt niet voor de in paragraaf 1 vermelde perso-
neelsleden.
§ 3. De in § 1 vermelde personeelsleden bouwen gedurende de geldig-
heidsduur van de premie voor competentieontwikkeling geen schaalanciënniteit op. Vanaf de in § 1 bedoelde herinschaling na afloop van de geldigheidsduur van de premie voor competentieontwikkeling wordt in de nieuw toegekende organieke schaal schaalanciënniteit opgebouwd.
§ 4. Paragraaf 3 geldt niet voor de personeelsleden die bij de in paragraaf § 1 bedoelde herinschaling dezelfde organieke schaal toegekend krijgen als bij de inschaling op de datum van de overheveling.”
IX-8817-3/16
Het is dit artikel dat door verzoekster wordt geviseerd en waarvan de invoeging in het Vlaams personeelsstatuut bij artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2015 het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep (hierna: de bestreden regeling).
Bijlage 14 bij het Vlaams personeelsstatuut, zoals ingevoegd bij artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2015, waarnaar het voormelde artikel VII 179 verwijst, is vernietigd bij arrest nr. 240.654
van heden. Dit is evenzo het geval voor artikel VII 178 van het Vlaams perso-
neelsstatuut, zoals eveneens ingevoegd bij artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2015.
IV. Onderzoek van het enige middel
Standpunt van de partijen
4. Verzoekster voert in een enig middel de schending aan van artikel 88, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: BWHI), artikel 4 van het koninklijk besluit van 25 juli 1989
‘tot vaststelling van de wijze waarop personeelsleden van de federale ministeries overgaan naar de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en naar het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie’ (hierna ook: het koninklijk besluit van 25 juli 1989) en het gelijkheidsbeginsel vervat in de arti-
kelen 10 en 11 van de Grondwet.
Zij licht het middel toe als volgt:
“Zowel artikel 88 § 2 van de Wet van 8 augustus 1980 als artikel 4 § 1 van het KB van 25 juli 1989 stellen zeer uitdrukkelijk dat bij een overgang zowel de graad, klasse als de administratieve en geldelijke anciënniteit dienen te worden behouden, alsook de toelagen, vergoedingen of premies en andere voordelen.
Hieruit volgt dat wanneer een federaal ambtenaar verplicht overgedragen wordt naar de diensten van de Vlaamse overheid, dan dient de Vlaamse over-
heid de opgebouwde rechten en vergoedingen integraal te behouden en kunnen hieraan geen wijzigingen worden aangebracht.
IX-8817-4/16
Bij de overheveling heeft de Vlaamse overheid geen schaalanciënniteit toegekend voor wie geslaagd is in een gecertificeerde opleiding, waarna bij afloop van de duurtijd van de premie, een garantie op verhoging van de loon-
schaal was bij de Federale overheid.
Na de overheveling behoudt men weliswaar de garantie op verhoging van loonschalen. Zo zal een CA1 na afloop van de duurtijd van de competentie-
premie (8 jaar) heringeschaald worden in een CA2 bij de Federale overheid.
Volgens de bijlage 14 van het bestreden besluit zal het personeelslid in een CAl bij overdracht ingeschaald worden in C111 en na afloop van de looptijd van de competentiepremie heringeschaald worden in C112.
Evenwel, zal de geslaagde CA1 tijdens de looptijd van de competentie-
premie na overheveling in C111 geen schaalanciënniteit opbouwen bij de Vlaamse overheid. Na de herinschaling naar C112 zal men starten met 0 jaar schaalanciënniteit in deze schaal en vanaf dan wel verder schaalanciënniteit opbouwen. De schaalanciënniteit is cruciaal voor een opbouw in de functionele loopbaan bij de Vlaamse overheid (art. VI 190 VPS). Zo zal een ambtenaar in C111 overgaan naar C112 na 8 jaar schaalanciënniteit en vervolgens na 10 jaar schaalanciënniteit in C112 een sprong maken naar C113.
Door het feit dat de schaalanciënniteit gedurende de looptijd van de com-
petentiepremie wordt bevroren, kan de geslaagde CA1 in een gecertificeerde proef een nadeel hebben ten opzichte van een niet-geslaagde CA1 in dezelfde situatie bij overheveling. Doordat de niet-geslaagde wel van bij overheveling opbouw van schaalanciënniteit heeft bij de Vlaamse overheid, bestaat de kans dat die sneller doorgroeit van C111 naar C112 dan diegene die wel geslaagd was.
Door het bevriezen van de schaalanciënniteit worden ook de bevorde-
ringskansen beperkt. Het VPS bepaalt dat voor een bevordering binnen de graad de kandidaat moet beschikken over 6 jaar relevante ervaring of 6 jaar schaal-
anciënniteit in de betrokken graad. Wanneer het personeelslid bij inschaling een schaalanciënniteit heeft van minder dan 6 jaar, en zijn schaalanciënniteit wordt geblokkeerd gedurende de geldigheidsduur van de competentiepremie, dan kan betrokkene gedurende meerdere jaren niet kandideren voor een bevorderings-
functie.
Zo is verzoekster op 1 januari 2015 overgeheveld naar de Vlaamse over-
heid. Federaal was ze ingeschaald in de loonschaal CA1 met 17 jaar geldelijke anciënniteit.
Door toepassing van de inschalingsmethode, wordt ze bij de Vlaamse overheid organiek ingeschaald in loonschaal C111, zonder overgangsschaal, met 17 jaar geldelijke anciënniteit.
Verzoekster is geslaagd voor een gecertificeerde opleiding met een federaal gegarandeerde loonsprong na afloop van de duurtijd van de competentiepremie.
Deze liep af op 30 april 2015. Hierdoor zou verzoekster federaal vanaf 1 mei 2015 van de loonschaal CA1 overgaan naar de CA2.
Op het ogenblik van de overdracht (1 januari 2015) heeft betrokkene meer dan 8 jaar schaalanciënniteit opgebouwd. Door de inschalingsmethode bij overheveling kent men verzoekster dus voor vier maanden geen opbouw van schaalanciënniteit toe, gezien ze geslaagd is in een gecertificeerde proef met competentiepremie en nadien een verhogingsgarantie naar CA2.
IX-8817-5/16
Bij de Vlaamse overheid zal men verzoekster desgevallend op 1 mei 2015
herinschalen in loonschaal C112. Vanaf dat ogenblik zal betrokkene wel schaalanciënniteit beginnen opbouwen in C112.
Indien verzoekster niet geslaagd zou zijn in een competentieproef (dus zonder competentiepremie), zou men bij overdracht onmiddellijk inschalen in C112 op basis van de reeds opgebouwde schaalanciënniteit bij de Federale overheid die men in de aanmerking neemt bij de Vlaamse overheid. Hierdoor zou ze reeds met ingang vanaf 1 januari 2015 in C112 worden ingeschaald en reeds verder schaalanciënniteit opbouwen in deze schaal.
Hierdoor zou ze 4 maanden eerder in Cl12 ingeschaald worden met op-
bouw van schaalanciënniteit. Als gevolg hiervan zou betrokkene reeds op 1 juli 2024 overgaan naar C113 doordat op dat ogenblik reeds 10 jaar schaalanciën-
niteit opgebouwd zou zijn in C112. Artikel VI 109 van het VPS bepaalt immers dat een ambtenaar na 10 jaar schaalanciënniteit in C112 overgaat naar C113, de zogenaamde functionele loopbaan. (zie tabel)
Verzoekster is echter geslaagd in een gecertificeerde proef (met compe-
tentiepremie en na afloop van de premie een spronggarantie naar CA2). Zoals uit de tabel kan afgeleid worden zal verzoekster door de inschalingsmethodiek pas op 1 mei 2025 overgaan van C112 naar C113. Pas dan zal ze immers 10 jaar schaalanciënniteit bereikt hebben in C112.
Verzoekster wordt dus benadeeld ten opzichte van de situatie van een niet-geslaagd persoon in dezelfde omstandigheden, zodat ze in heel haar ver-
dere loopbaan 4 maanden later een verhoging zal krijgen. Deze opgelopen achterstand kan verzoekster op geen enkele wijze goed maken, zodat zij hier-
door wordt benadeeld.
Hier is dus sprake van een ongelijke behandeling en discriminatoire bepa-
lingen.”
5. De verwerende partij antwoordt vooreerst dat de bestreden re-
geling er is gekomen naar aanleiding van het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State over het ontwerp van besluit dat het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2015 is geworden. Zij stelt erin te hebben voorzien dat de personeelsleden die op de datum van hun overdracht geslaagd waren voor een gecertificeerde opleiding waaraan na afloop van de geldigheidsduur van de com-
petentiepremie een federale bevordering in een hogere schaal verbonden was, op de datum van die bevordering worden heringeschaald overeenkomstig de tabel in bijlage 1 van het voornoemde besluit. Om een “dubbel loopbaanvoordeel” te voorkomen, werd evenwel bepaald dat de betrokken personeelsleden in de periode tussen de datum van hun overdracht en de datum van hun herinschaling geen schaalanciënniteit opbouwen en dat de Vlaamse functionele loopbaan derhalve wordt opgeschort zolang het overgedragen personeelslid een recht kan doen gelden
IX-8817-6/16
op een loopbaanstap op basis van zijn federale loopbaan. De verwerende partij besluit uit “[e]en en ander” dat de personeelsleden die op de datum van hun overdracht geslaagd waren voor een competentietest die volgens de federale loopbaanbepalingen recht gaf op een bevordering in salarisschaal, deze loop-
baangarantie middels een herinschaling in de Vlaamse functionele loopbaan be-
houden.
De verwerende partij stelt voorts vast dat verzoekster in wezen enkel een schending van het gelijkheids- en discriminatiebeginsel beoogt aan te voeren, maar dat de personeelscategorieën die zij voor ogen heeft, niet vergelijk-
baar zijn. Zo behouden de personeelsleden die de premie voor competentieont-
wikkeling genieten omdat zij slaagden voor een competentiemeting of een gecer-
tificeerde opleiding, bij de overheveling naar de diensten van de Vlaamse overheid deze premie tijdens de geldigheidsduur ervan en worden zij na afloop van die periode – indien hen bij de federale overheid een hogere federale salarisschaal zou zijn toegekend – ingeschaald in de Vlaamse salarisschaal die overeenstemt met die federale salarisschaal. Dit heeft volgens de verwerende partij tot gevolg dat de betrokken personeelsleden zich binnen de diensten van de Vlaamse overheid in eenzelfde situatie zullen bevinden als die waarin zij bij de federale overheid zou-
den terechtkomen. De personeelsleden daarentegen die geen premie voor compe-
tentieontwikkeling genieten en dus niet geslaagd zijn voor een competentiemeting of een gecertificeerde opleiding, zullen pas in een hogere salarisschaal terecht-
komen zodra zij in hun lagere salarisschaal over voldoende schaalanciënniteit beschikken.
Volgens de verwerende partij valt het niet uit te sluiten dat personeelsleden die niet geslaagd zijn voor een competentietest en in de periode tussen de overheveling tot de datum van de herinschaling wel schaalanciënniteit opbouwen, in bepaalde gevallen hun volgende schaal in de functionele loopbaan sneller kunnen bereiken dan het geval zou zijn bij een honorering van de federale loopbaanstap. Dit wordt echter gerechtvaardigd, zo stelt de verwerende partij, doordat de personeelsleden geen twee loopbanen kunnen of mogen cumuleren of
IX-8817-7/16
geen parallelle loopbanen kunnen of mogen opbouwen, zoals ook blijkt uit de artikelsgewijze bespreking van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 no-
vember 2015. Aangezien rekening wordt gehouden met de federale loopbaan – gelet op de herinschaling – staat de Vlaamse functionele loopbaan in de desbe-
treffende periode op non-actief en wordt er geen schaalanciënniteit opgebouwd.
Volgens de verwerende partij verkrijgt verzoekster door de herinschaling datgene waar zij recht op heeft, namelijk de toekenning van de hogere schaal op de datum dat zij haar federale loopbaanstap zou zetten. Deze werkwijze stemt, aldus de verwerende partij, volledig overeen met artikel 88, § 2, BWHI.
Ten slotte betwist de verwerende partij dat de bestreden regeling verzoeksters bevorderingskansen zou beperken, aangezien zij voor een bevorde-
ring over voldoende relevante beroepservaring beschikt en zij daarvoor geen schaalanciënniteit nodig zal hebben. De verwerende partij verwijst in dit verband naar de bevorderingsvoorwaarden die in artikel VI 39, §§ 1 en 4, en artikel VI 40, §§ 1 en 5, van het Vlaams personeelsstatuut worden gesteld.
6. In haar memorie van wederantwoord repliceert verzoekster:
“Verzoekster vraagt [...] geen cumul van de 2 loopbanen. Verzoekster vraagt enkel dat zij niet nadeliger behandeld wordt dan een ambtenaar die op het moment van overheveling niet geslaagd was voor een competentieproef, en dat zij niet minder zou verdienen dan wanneer zij bij de federale overheid zou ge-
bleven zijn. Het VPS werkt bij inschaling reeds met de methode van over-
gangsschalen. Het zou perfect mogelijk zijn om er door middel van over-
gangsschalen voor te zorgen dat verzoekster bij de Vlaamse overheid in orga-
nieke regeling recht heeft op de normale schaalovergang volgens de voor-
waarden die elke Vlaamse ambtenaar geniet (d.i. zonder bevriezing van schaalanciënniteit) en in overgangsregeling recht heeft op een schaalovergang op basis van haar geslaagd zijn in een competentieproef met spronggarantie;
waarbij ze steeds recht heeft op de voordeligste van die twee regelingen.
Want zoals verweerster in haar memorie het zelf heeft verwoord is in het ene geval de federale loopbaan gunstiger en in het andere geval de Vlaamse functionele loopbaan.
Het valideren van de toegekende rechten aan verzoekster kan derhalve enkel op een gerechtvaardigde wijze gebeuren door haar het voordeel van de bevordering toe te kennen op het criterium dat zich het eerst zal aandienen.
IX-8817-8/16
Verweerster stelt verder in haar memorie van antwoord dat verzoekster voor haar bevordering geen schaalanciënniteit nodig heeft, aangezien zij over voldoende relevante beroepservaring zal beschikken.
Dergelijk standpunt is niet correct!
Verzoekster kan nooit a priori de (rechts)zekerheid verwerven dat haar beroepservaring zal gekwalificeerd worden als relevante beroepservaring voor een leidinggevende functie.
Het oordeel of een beroepservaring al dan niet relevant is, is steeds een subjectieve beoordeling en is afhankelijk van de uitgeoefende activiteiten, terwijl een schaalanciënniteit een objectieve parameter is die geen enkele in-
terpretatie behoeft.
Derhalve kan de verantwoording van verweerster dat er geen sprake is van enige discriminatie de grondwettelijkheidstoets niet doorstaan.”
Beoordeling
7. Artikel 88, §§ 1 en 2, BWHI luidt:
“§ 1. Personeelsleden van de ministeries worden, bij in Ministerraad over-
legd koninklijk besluit, overgedragen naar de Regeringen met het oog op de uitoefening van de aan de Gemeenschappen en de Gewesten toegewezen be-
voegdheden.
§ 2. Na overleg met de representatieve vakorganisaties van het personeel, bepaalt de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit, de datum en de nadere regelen van de overgang van de personeelsleden bedoeld in § 1 naar de res-
pectieve Regeringen.
De overgang van de personeelsleden geschiedt met hun graad of een ge-
lijkwaardige graad en in hun hoedanigheid.
Zij behouden ten minste de bezoldiging en de anciënniteit die zij hadden of zouden verkregen hebben indien zij in hun dienst van herkomst het ambt hadden blijven uitoefenen dat zij bij hun overplaatsing bekleedden.
[…].”
In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de BWHI werd opgemerkt dat “erover gewaakt [moet] worden dat bij deze over-
dracht de rechten van het betrokken personeel niet geschaad worden” (Parl.St.
Senaat 1979-80, nr. 434/1, 59).
Artikel 88, § 2, tweede en derde lid, BWHI is het resultaat van een regeringsamendement dat werd ingediend in antwoord op de vraag van ver-
scheidene leden van de Senaat om het ontwerp van bijzondere wet “in die zin te
IX-8817-9/16
wijzigen dat het personeel dat zal worden overgeheveld naar de Gewesten en de Gemeenschappen de zekerheid zal hebben zijn verkregen rechten te behouden”.
Hierop diende de regering een amendement in dat bepaalde dat de personeelsleden in kwestie “met hun graad of een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid”
worden overgedragen en dat zij “ten minste de bezoldiging en de anciënniteit [behouden] die zij hadden of zouden bekomen hebben indien zij in hun dienst van herkomst het ambt dat zij bij hun overplaatsing bekleedden [...] hadden uitgeoe-
fend” (Parl.St. Senaat 1979-80, nr. 434/2, 302).
Er moet dan ook worden aangenomen dat zowel de graad als de hoedanigheid, de bezoldiging en de anciënniteit deel uitmaken van de “verkregen rechten” die de betrokken personeelsleden behouden.
8. Artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 juli 1989 ‘tot vaststelling van de wijze waarop personeelsleden van de federale ministeries overgaan naar de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en naar het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie’ bepaalt:
“De aan een Regering overgedragen personeelsleden behouden hun hoeda-
nigheid, hun graad of klasse, hun administratieve en geldelijke anciënniteit.
Onverminderd de bepalingen van § 2, behouden zij ook de toelagen, vergoe-
dingen of premies en andere voordelen waarop zij in het traditionele ministerie aanspraak konden maken overeenkomstig de reglementering die op hen van toepassing was en vanaf de datum waarop het recht werd verworven.
Zij behouden de voordelen verbonden aan een functie slechts in zoverre de voorwaarden voor de toekenning ervan blijven bestaan in de diensten van de Regering.”
9. Verzoekster voert in haar enige middel wezenlijk aan dat zij bij haar overheveling van de federale overheid naar de Vlaamse overheid wordt in-
geschaald in salarisschaal C111, dat zij weliswaar de garantie heeft na afloop van de looptijd van de competentiepremie te worden ingeschaald in de hogere sala-
risschaal C112, maar dat haar gedurende de resterende looptijd van de competen-
tiepremie geen schaalanciënniteit wordt toegekend in de salarisschaal C111 en zij pas vanaf het ogenblik van de inschaling in de salarisschaal C112 schaalanciën-
IX-8817-10/16
niteit zal opbouwen. Volgens haar kan het personeelslid dat slaagde voor een gecertificeerde proef bij zijn overheveling, ingevolge de bevriezing van zijn an-
ciënniteit in de salarisschaal waarin het initieel is ingeschakeld, een nadeel lijden in vergelijking met een personeelslid dat niet slaagde voor dezelfde proef. Het is immers niet uitgesloten dat het minder snel overgaat van salarisschaal C111 naar salarisschaal C112 en dat ook het vervolg van de functionele loopbaan wordt ver-
traagd. Tevens volgt hieruit, volgens verzoekster, een beperking van de bevorde-
ringskansen, omdat een minimale schaalanciënniteit een voorwaarde kan zijn voor het verkrijgen van een bevordering binnen hetzelfde niveau.
Verzoekster onderkent hierin een schending van de waarborgen die op het vlak van het behoud van haar bij de federale overheid verworven rechten zijn bepaald door artikel 88, § 2, BWHI en artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 juli 1989, alsook een schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.
10. Wat de aangevoerde schending van artikel 88, § 2, BWHI en artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 juli 1989 betreft, dient te worden vastgesteld dat verzoekster helemaal niet aantoont dat de bestreden regeling af-
breuk doet aan haar bij de federale overheid verworven rechten. Integendeel, voorziet de bestreden regeling uitdrukkelijk erin dat het overgedragen personeels-
lid vooreerst de premie behoudt die het bij de federale overheid genoot op grond van zijn slagen voor een gecertificeerde proef en voorts ook de garantie heeft van een herinschaling bij de afloop van de competentiepremie op basis van de wed-
deschaal die bij de federale overheid zou worden toegekend. Verzoeksters ver-
worven rechten zijn aldus afdoende gewaarborgd. De bepaling van artikel VII 179, § 3, van het Vlaams personeelsstatuut dat het overgedragen personeelslid tijdens de geldigheidsduur van de competentiepremie geen schaalanciënniteit verwerft, ontneemt aan het betrokken personeelslid niets dat het bij de federale overheid had verworven.
IX-8817-11/16
Voor zover het enige middel de schending aanvoert van arti-
kel 88, § 2, BWHI en artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 juli 1989, is het niet gegrond.
11.1. Evenwel voert verzoekster ook de schending aan van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, doordat de bestreden regeling het overgedra-
gen personeelslid dat de competentiepremie ontvangt, op het vlak van de voort-
gang van de functionele loopbaan bij de Vlaamse overheid en de bevorderings-
kansen die mede gebaseerd zijn op een minimaal vereiste schaalanciënniteit, be-
nadeelt ten aanzien van het overgedragen personeelslid dat die competentiepremie niet ontvangt.
11.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maat-
regel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van ge-
lijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
11.3. In dit geval worden de overgedragen personeelsleden door de bestreden regeling op het vlak van het verwerven van anciënniteit in de Vlaamse salarisschaal waarin zij op het ogenblik van hun overdracht zijn ingeschaald, verschillend behandeld al naargelang zij op het ogenblik van hun overdracht al dan niet een competentietoelage ontvangen die zij behouden en waaraan de waarborg kleeft van een herinschaling in een hogere salarisschaal na afloop van de geldig-
heidsduur van deze premie. Het overgedragen personeelslid dat een competentie-
premie ontvangt, verwerft in afwachting van zijn herinschaling bij de afloop van de competentiepremie geen schaalanciënniteit, terwijl het overgedragen personeelslid
IX-8817-12/16
dat geen competentiepremie heeft verworven, meteen schaalanciënniteit verwerft en daardoor vlugger zal kunnen evolueren in de Vlaamse functionele loopbaan.
Het al dan niet behouden van de competentiepremie, met de garantie van een herinschaling na afloop van de geldigheidstermijn daarvan, is voorzeker een objectief criterium van onderscheid.
De vraag rijst evenwel of de onderscheiden behandeling waartoe het aanleiding geeft, evenredig is met het doel dat ermee wordt beoogd.
Volgens de verwerende partij “kan [het] uiteraard niet de be-
doeling zijn te werken met parallelle loopbanen (dus zowel Vlaamse als federale bevordering)”.
Alhoewel die bekommernis bijval verdient, vermag ze als zo-
danig niet genoegzaam de gemaakte keuze te verantwoorden dat de overgedragen personeelsleden mét een competentietoelage geen schaalanciënniteit kunnen verwerven in de oorspronkelijk toegekende Vlaamse salarisschaal en dus geen voortgang kunnen maken in de Vlaamse functionele loopbaan en de overgedragen personeelsleden zónder competentietoelage wel. De eerstgenoemde categorie kan immers in vergelijking met de laatstgenoemde categorie aldus worden achteruit-
gesteld in de ontwikkeling van hun functionele loopbaan bij de Vlaamse overheid.
Met verzoekster moet worden vastgesteld dat het door de ver-
werende partij beoogde doel, namelijk te vermijden dat de overgedragen perso-
neelsleden “parallelle loopbanen” hebben, ook gediend kan zijn door de minder verregaande optie dat de overgedragen personeelsleden met een competentiepre-
mie de mogelijkheid hebben een keuze te maken tussen het ene dan wel het andere voordeel al naargelang hetgeen het best aan hun belangen tegemoetkomt.
Uit niets blijkt dat de verwerende partij bij het tot stand brengen van de bestreden regeling die afweging heeft gemaakt.
IX-8817-13/16
In die omstandigheden houdt het door verzoekster aangeklaagde onderscheid een schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel in.
11.4. Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond.
V. Omvang van de uit te spreken nietigverklaring
12. Een reglementair besluit is in beginsel één en ondeelbaar. Dit betekent dat wanneer de Raad van State, zoals in dit geval, in het kader van een ontvankelijk annulatieberoep vaststelt dat een gegrond middel wordt aangevoerd tegen sommige bepalingen van dat besluit, hij het besluit in beginsel in zijn geheel dient nietig te verklaren.
In afwijking van het voornoemde beginsel vermag de Raad van State slechts over te gaan tot een gedeeltelijke nietigverklaring van het desbetref-
fende besluit, indien aan twee voorwaarden is voldaan.
Vooreerst moet blijken dat de gedeeltelijke nietigverklaring van dat besluit aan de verzoekende partij volledige genoegdoening geeft in het licht van haar belang bij het beroep. Voorts moet vaststaan dat de nietig te verklaren bepalingen kunnen worden afgesplitst van de rest van het besluit en dat de overheid ook afgezien van die bepalingen voor het overige hetzelfde besluit zou hebben genomen. Anders zou de Raad van State het desbetreffende besluit als het ware hervormen en zich aldus begeven op het domein van de beleidsuitoefening van de betrokken overheid.
13. In acht genomen dat verzoekster blijkens haar inleidend ver-
zoekschrift en het daarin aangevoerde enige middel zich slechts gegriefd acht door de regeling van artikel VII 179 van het Vlaams personeelsstatuut, zoals ingevoegd door artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2015, wordt alvast genoegzaam aan haar belangen tegemoetgekomen door de nietigver-
klaring van die regeling.
IX-8817-14/16
14. Uitdrukkelijk door de Raad van State ondervraagd over de om-
vang van een eventueel uit te spreken nietigverklaring, heeft de verwerende partij ter terechtzitting niet tegengesproken dat artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2015 voor zover het een nieuw artikel VII 179 invoegt in het Vlaams personeelsstatuut, kan worden afgesplitst van de overige bepalingen van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering.
15. Voor zover het ingevoegde artikel VII 179 van het Vlaams personeelsstatuut verwijst naar het eveneens door artikel 9 van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering in het Vlaams personeelsstatuut ingevoegde artikel VII 178, alsook naar de door artikel 15 van dat besluit ingevoegde bijlage 14
van het Vlaams personeelsstatuut, weze herhaald dat deze laatstgenoemde bepa-
lingen werden vernietigd bij arrest nr. 240.654 van heden.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Re-
gering van 13 november 2015 ‘tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, in het raam van de overheveling vanaf 1 januari 2015
van personeelsleden van de federale overheid naar de Vlaamse overheid naar aanleiding van een staatshervorming’, voor zover het artikel VII 179 invoegt in het Vlaams personeelsstatuut.
2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering.
3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie-
tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-
vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
IX-8817-15/16
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 5 februari 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Geert Van Haegendoren
IX-8817-16/16
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.655