Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.646 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.646 Généré par l'IA

Court dismisses request to suspend dismissal for public official convicted of passive corruption.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.646
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the execution of his dismissal due to passive corruption convictions. The court found that the disciplinary decision was properly motivated and that the official's transfer did not prevent him from knowing the alleged misconduct. Consequently, the statutory conditions for granting a suspension were not met.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1 of the Council of State laws; A disciplinary sanction cannot be suspended if the administrative act is sufficiently motivated and the statutory prerequisites for suspension are absent.

Mots-clés

Généré par l'IA
passive corruption disciplinary dismissal suspension of execution motivation duty public official status suspension de perception d'impôt sanction disciplinaire de l'avocat détournement de retenues sur les salaires

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1 of the Council of State laws
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 240.646 van 1 februari 2018

in de zaak A. 222.662/IX-9095

In zake: Geert DEKETELAERE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Francis Missault kantoor houdend te 8000 Brugge Koningin Elisabethlaan 34

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B

Koning Albert II-laan 33 bus 15

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 14 juli 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 28 april 2017 waarbij Geert Deketelaere met ingang van 1 mei 2017 de tuchtstraf van het ontslag van ambts-

wege wordt opgelegd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld.

IX-9095-1/22

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november 2017.

Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Ingrid Martens, die loco advocaat Francis Missault verschijnt voor de verzoekende partij en attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is als adviseur (klasse A3) verbonden aan het Belas-

tingcentrum van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit van de federale overheidsdienst Financiën (hierna: de FOD Financiën). Naar aanleiding van een gerechtelijk onderzoek is hij bij besluit nr. Cp.021.569 van 20 mei 2014 van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën bij ordemaatregel over-

geplaatst naar het KMO Centrum van de Algemene Administratie van de Fiscali-

teit van de FOD Financiën, met ingang van 1 juni 2014.

3.2. Bij vonnis van 10 november 2015 wordt verzoeker door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie correctio-

nele rechtbank, schuldig bevonden aan de volgende strafrechtelijke feiten:

“Bij inbreuk op de artikelen 246 §1 en 247 §1 lid 1 van het Strafwetboek, als persoon die een openbaar ambt uitoefende, te weten als Adviseur bij de FOD Financiën en leidend ambtenaar van het belastingcentrum […], rechtstreeks of door tussenpersonen, voor zichzelf of voor een derde, een

IX-9095-2/22

aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook te hebben aangenomen om een rechtmatige maar niet aan betaling onderworpen handeling van zijn ambt te verrichten, namelijk -Het aanvaarden van een etentje in het restaurant [...] en in het restaurant […] in het kader van zijn onderzoek naar de vrijwilligersvergoedingen bij […] op niet nader te bepalen data in 2012 en 2013

-Het aanvaarden van een etentje in […] in het kader van zijn onderzoek over de aankoop van schilderijen door […] op niet nader te bepalen datum na 28 april 2011 en een etentje in […] in het kader van zijn onderzoek […]

van […] op niet nader te bepalen datum na 7 februari 2012

-Het aanvaarden van een etentje in restaurant […] in het kader van zijn onderzoek rond de aankoop van een villa in […] door […], van een etentje in restaurant […] en in het restaurant […] in het kader van de financiering van deze villa op niet nader te bepalen data na 3 mei 2010.”

Verzoeker krijgt van de strafrechter de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling. In het vonnis wordt onder meer in dit ver-

band het volgende overwogen:

“Gelet op het blanco strafregister van beklaagde, het feit dat beklaagde reeds een tuchtmaatregel van zijn werkgever kreeg opgelegd, alsook het gegeven dat de feiten zich situeren tussen 2010 en 2013, is de rechtbank van oordeel te kunnen ingaan op het verzoek van de beklaagde om de op-

schorting van de uitspraak van de veroordeling in zijn hoofde te gelasten.

De openbare orde en de maatschappij zullen immers voldoende gevrij-

waard worden door de hierna vermelde maatregel.”

3.3. Met een brief van 11 januari 2016 van de procureur des Konings te Brugge wordt het definitief geworden vonnis van 10 november 2015 meege-

deeld aan de stafdienst Personeel en Organisatie, Shared Service Center Integriteit van de FOD Financiën (hierna: de stafdienst P&O).

3.4. Op 24 maart 2016 stuurt de stafdienst P&O het vonnis en het gerechtelijk dossier naar de adviseur-generaal van het KMO Centrum met de mededeling dat wanneer geoordeeld wordt dat de feiten aanleiding geven tot het instellen van een tuchtvordering, de betrokkene moet worden opgeroepen om te worden gehoord.

IX-9095-3/22

3.5. Met toepassing van artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het Rijkspersoneel’ wordt verzoeker, met een aangetekende brief van 27 april 2016, opgeroepen voor een tuchtverhoor op 19 mei 2016.

In die brief wordt onder meer het volgende vermeld:

“Uit het geheel van de stukken van dat gerechtsdossier blijkt dat u in de periode 2012 – 2013 als leidinggevend ambtenaar van het Belastingcen-

trum […] een houding zou hebben ontwikkeld en relaties met bepaalde mensen uit de bedrijfswereld hebt onderhouden die niet stroken met de deontologische en reglementaire principes en met de wijze waarop een leidinggevend ambtenaar geacht wordt om te gaan met belastingplichtigen.

Die deontologische en reglementaire tekortkomingen zijn van die aard dat zij het imago van de dienst en het vertrouwen van het publiek in de fiscale diensten ernstig in het gedrang hebben gebracht.”

In overleg met de raadsman van verzoeker wordt het tuchtver-

hoor verplaatst naar 8 juni 2016.

3.6. Het tuchtverhoor vindt plaats op 8 juni 2016. Hiervan wordt een proces-verbaal opgesteld dat gestuurd wordt naar verzoeker en zijn raadsman.

3.7. Met een nota van 23 juni 2016 reageert de raadsman van ver-

zoeker op het proces-verbaal. Hij stipt onder meer aan dat de correlatie tussen het strafdossier gepaard gaande met de verleende opschorting en de uitbreiding door het opstarten van een tuchtprocedure met een eventuele tuchtstraf tot gevolg, niet in verhouding staan met elkaar, dat het verhoor vol irrelevante vragen staat en niet concreet wordt vermeld met welke straf verzoeker geconfronteerd zou kunnen worden.

Met brieven van 28 juni 2016 wordt de lijst van mogelijke tuchtstraffen aan verzoeker en aan zijn raadsman bezorgd.

3.8. Met brieven van 1 juli 2016 deelt de centrumdirecteur van het KMO Centrum het voorlopig voorstel van tuchtstraf van 1 juli 2016 mee aan

IX-9095-4/22

verzoeker en aan zijn raadsman. De centrumdirecteur stelt voor om aan verzoeker de tuchtstraf van ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen. Er wordt aan toegevoegd dat iemand die niet de nodige integriteit aan de dag legt, geen plaats heeft in een organisatie waarbinnen ‘integer zijn’ één van de kernwaarden is. De voorgestelde tuchtstraf wordt proportioneel geacht gelet op enerzijds het definitief geschonden vertrouwen en anderzijds de vele jaren dienst waarvoor hij het recht op over-

heidspensioen behoudt.

Op 7 juli 2016 deelt de centrumdirecteur het dossier, samen met het voorlopig voorstel van tuchtstraf, mee aan de stafdienst P&O.

3.9. Met een brief van 4 augustus 2016 wordt verzoeker opgeroepen om te verschijnen op de zitting van het directiecomité van de FOD Financiën van 2 september 2016.

Bij e-mail van 10 augustus 2016 vraagt de raadsman van ver-

zoeker om de zitting onbeperkt uit te stellen gelet op de medische toestand van zijn cliënt.

Het directiecomité gaat niet in op de vraag van de raadsman van verzoeker en met een brief van 20 september 2016 wordt verzoeker opnieuw op-

geroepen om te verschijnen op de zitting van 7 oktober 2016.

3.10. Op de zitting van het directiecomité van 7 oktober 2016 legt verzoeker een schriftelijke nota neer.

Na het bezwaar onderzocht te hebben, formuleert het directie-

comité het volgende definitief voorstel van tuchtstraf:

“Na kennis te hebben genomen van het gehele dossier, met inbegrip van de door de raadsman neergelegde audiëntienota (met bijlagen);

Overwegende dat het Directiecomité de ter zake geldende procedureregels correct heeft toegepast; dat het ziekteverlof van de heer Deketelaere liep tot 30 september 2016 op het ogenblik dat hij bij brief van 20 september 2016

IX-9095-5/22

werd opgeroepen voor verhoor op 7 oktober 2016; dat de redelijke ter-

mijneis een beginsel van openbaar bestuur is en als dusdanig van toepas-

sing op besturen; dat de overheid in een tuchtprocedure niet mag stilzitten, zowel in het belang van de betrokken ambtenaar als in het belang van het bestuur; dat een tuchtprocedure gebaseerd op een voorlopig voorstel tot ontslag van ambtswege moet beschouwd worden als een dringende zaak;

Overwegende dat het tuchtrecht en het strafrecht in principe autonoom zijn, door hun eigen aard en doel; dat sommige feiten zowel een misdrijf als een tuchtfeit zijn; dat voor dezelfde feiten derhalve de cumul mogelijk is van een strafrechtelijke sanctie en een tuchtstraf; dat de strafrechter in hoofde van de heer Deketelaere feiten van passieve omkoping bewezen heeft verklaard; dat passieve omkoping gepleegd door een fiscaal ambtenaar ook als een tuchtfeit moet worden gecatalogeerd; dat artikel 8, § 3, van het voormeld KB van 2 oktober 1937 immers stipuleert dat de rijksambtenaar, noch rechtstreeks, noch door tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoe-

fening, maar uit oorzaak hiervan, giften, beloningen of enig voordeel mag vragen, eisen of aannemen; dat artikel 14 van hetzelfde KB bepaalt dat elke inbreuk op artikel 8 aanleiding kan geven tot één van de tuchtstraffen die bepaald zijn bij artikel 77; dat derhalve terecht een tuchtprocedure werd opgestart in hoofde van de heer Deketelaere;

Overwegende dat betrokken ambtenaar ten tijde van het gepleegde misdrijf de leiding had van het Belastingcentrum te […]; dat hij als dienstchef een voorbeeldfunctie had; dat hij deze voorbeeldfunctie, gelet op de hem ver-

weten feiten, volledig te grabbel heeft gegooid; dat hij zijn medewerkers een compleet verkeerd beeld heeft gegeven van hoe een fiscaal ambtenaar dient te functioneren op integere wijze; dat de geloofwaardigheid van de heer Deketelaere bij de collega’s en het publiek geschonden is en het re-

delijkerwijs niet meer mogelijk is dit vertrouwen te herstellen; dat het daarenboven een slecht signaal zou zijn dat een ambtenaar na dergelijke feiten een nieuwe kans aangeboden krijgt; dat dit zou indruisen tegen het door de administratie gevoerde integriteitsbeleid;

Overwegende dat de strafrechter ten onrechte stelt dat de opschorting van de uitspraak van de veroordeling aan betrokken ambtenaar kan worden verleend omdat hij reeds een tuchtmaatregel van zijn werkgever kreeg opgelegd; dat de heer Deketelaere ingevolge het tegen hem gevoerde strafrechtelijk onderzoek bij bewarende maatregel in het belang van de dienst naar een andere standplaats werd overgeplaatst; dat bij het opleggen van een bewarende maatregel het schuldaspect volledig buiten beschou-

wing blijft; dat het gaat om een tijdelijke maatregel ter vrijwaring van het belang van de dienst en niet om een tuchtstraf;

Overwegende dat de strafrechter van oordeel was dat de openbare orde en de maatschappij voldoende gevrijwaard worden door de maatregel op-

schorting; dat de materialiteit van de feiten bewezen is; dat het verlenen van de maatregel opschorting een recht is voor de strafrechter; dat de tuchtoverheid in principe niet gebonden is door de uitspraak van de straf-

rechter en dus discretionair kan bepalen welke sanctie zij oplegt voor welke feiten; dat evenwel rekening moet worden gehouden met het evenredig-

heidsbeginsel; dat de tuchtstraf in een redelijke verhouding moet staan tot

IX-9095-6/22

de tuchtfeiten; dat de strafrechter in het vonnis poneerde dat de personen van wie de heer Deketelaere voordelen aanvaardde zich geïntimideerd voelden door betrokkene en zich verplicht voelden om hem uit te nodigen, ook al omdat hij liet uitschijnen dat hij een belangrijke rol kon spelen bij de behandeling van hun fiscale dossiers; dat hij zich ten aanzien van de per-

sonen in kwestie opdrong en dat het aanvaarden van de voordelen steeds gebeurde in het kader van een onderzoek van een fiscale aangelegenheid;

dat een dergelijke houding in hoofde van een fiscaal ambtenaar onaan-

vaardbaar is; dat omkoping moet beschouwd worden als één van de zwaarste tekortkomingen waaraan een fiscaal ambtenaar zich schuldig kan maken; dat derhalve een zeer zware straf kan en moet worden opgelegd;

dat, zoals reeds gezegd, de credibiliteit van de heer Deketelaere als fiscaal ambtenaar immers volledig verdwenen is; dat ook de negatieve weerslag van de feiten op het aanzien van de dienst bij het publiek – ingevolge bij-

voorbeeld de publicaties in de pers – onweerlegbaar is; dat hetgeen voor-

afgaat aantoont dat het behoud van de heer Deketelaere in de diensten van de FOD Financiën onmogelijk is geworden; dat de administratie het zich immers niet kan permitteren vereenzelvigd te worden met corrupte amb-

tenaren; dat het evenredigheidsbeginsel derhalve wordt gerespecteerd;

Overwegende dat de heer Deketelaere zich door het plegen van de bewezen feiten geplaatst heeft in een toestand van belangenconflict, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door tussenpersonen een persoon-

lijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of minstens de gewettigde ver-

denking te doen ontstaan van zulke invloed;

Gelet op wat voorafgaat stelt het Directiecomité, met eenparigheid van stemmen, definitief voor aan de heer Geert Deketelaere de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen (artikel 77, § 1, 8°, van het ko-

ninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijksper-

soneel).”

3.11. Met een brief van 31 oktober 2016 worden bulletin nr. 533 van 31 oktober 2016 tot kennisgeving van het definitieve tuchtvoorstel en het uittreksel uit proces-verbaal nr. 2016-30 van het directiecomité van de FOD Financiën van 7 oktober 2016 meegedeeld aan verzoeker en aan zijn raadsman.

3.12. Op 10 november 2016 vraagt verzoeker om te worden gehoord door de interdepartementale raad van beroep.

3.13. Met een e-mail van 26 januari 2017 deelt de raadsman van verzoeker zijn opmerkingen over het definitieve tuchtvoorstel mee aan de staf-

dienst P&O, cel Integriteit.

IX-9095-7/22

3.14. Op de zitting van 16 maart 2017 geeft de interdepartementale raad van beroep het volgende advies:

“Overwegende dat, zoals trouwens ook opgemerkt werd door het Direc-

tiecomité, het tuchtrecht en het strafrecht autonoom zijn en eigen doelstel-

lingen nastreven;

Overwegende dat daaruit ook volgt dat de criteria die worden aangewend op het strafrechterlijk vlak om een sanctie op te leggen, verschillen van de criteria die in aanmerking worden genomen bij het bepalen van een tucht-

straf;

Overwegende dat bij het opleggen van tuchtsancties ook criteria zoals integriteit, de voorbeeldfunctie zowel binnen de dienst als naar buiten toe en het imago van de dienst in aanmerking genomen worden;

Overwegende dat de feiten van passieve corruptie van die aard zijn dat zij, op grond van de hierboven vermelde criteria, vereisen dat op een gepaste manier op tuchtvlak zou worden opgetreden, aangezien het vertrouwen, zowel van het publiek in de dienst als van de medewerkers binnen de dienst zelf, op een onherstelbare wijze werd geschonden;

Overwegende dat, om deze motieven en de motieven vermeld in het pro-

ces-verbaal van de zitting van het Directiecomité van 7 oktober 2016, de Raad na geheime stemming met 7 stemmen tegen 2, van oordeel is dat ‘ontslag van ambtswege’ de meest aangewezen straf is;

Om deze redenen, Brengt de Interdepartementale Raad van Beroep het advies uit dat het in-

gestelde beroep ontvankelijk is, en tevens gegrond;

Adviseert de Interdepartementale Raad van Beroep om het definitieve voorstel van tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ te behouden.”

3.15. Bij koninklijk besluit van 28 april 2017 wordt aan verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd, met ingang van 1 mei 2017 en dit op grond van de volgende overwegingen:

“Overwegende dat de aan betrokkene verweten feiten vaststaan; dat de strafrechter hem immers schuldig heeft verklaard aan passieve omkoping;

dat de heer Deketelaere meerdere etentjes in toprestaurants heeft aange-

nomen, telkens in het kader – en op het ogenblik – van de behandeling van fiscale dossiers bij de personen of zaakvoerders die hem uitnodigden; dat de vaststellingen van de strafrechter over het bestaan van de feiten bekleed zijn met een absoluut gezag van gewijsde, dat geldt voor iedereen;

Overwegende dat luidens het statuut van het rijkspersoneel, van kracht vóór de wijzigingen aangebracht door het KB van 3 augustus 2016, de strafvordering de tuchtvordering schorste; dat de schorsing van de tucht-

vordering de bedoeling had om de administratieve overheid in staat te stellen haar beslissing eventueel te gronden op feiten waarvan het bestaan

IX-9095-8/22

niet meer kan worden betwist of, omgekeerd, om te vermijden dat een ambtenaar door de administratieve overheid wordt bestraft voor feiten waarvoor de strafrechter nadien beslist dat deze feiten niet hebben plaats-

gevonden; dat de strafrechter de feiten bewezen heeft verklaard en het vonnis kracht van gewijsde heeft;

Overwegende dat de verdediging van de heer Deketelaere stelt dat het Directiecomité van de FOD Financiën zijn cliënt, na hem eerst uitstel te hebben verleend tot een zitting die zich situeert na de einddatum van het op dat ogenblik lopend ziekteverlof, reeds tijdens dezelfde maand opgeroepen heeft voor het verhoor; dat de heer Deketelaere in ziekteverlof was van 1 tot 30 september 2016; dat hij bij brief van 20 september 2016 opnieuw werd opgeroepen voor een verhoor op 7 oktober 2016, datum die dus viel na de op dat ogenblik lopende periode van ziekteverlof; dat de heer Deketelaere zijn ziekteverlof na het versturen van de oproeping heeft verlengd; dat de redelijke termijneis een beginsel van openbaar bestuur is en als dusdanig in deze zaak van toepassing; dat de overheid in een tuchtprocedure niet mag stil zitten, zowel in het belang van de betrokken ambtenaar – die niet in het ongewisse mag blijven van hetgeen hem te wachten staat – als in het belang van het bestuur zelf;

Overwegende dat de verdediging van de heer Deketelaere daarenboven stelt dat het logisch zou geweest zijn het dossier af te sluiten na het vonnis van de correctionele rechtbank, dit om volgende redenen:

- justitie had al een uitvoerig onderzoek gevoerd in deze zaak;

- de rechterlijke macht heeft opschorting verleend;

Overwegende dat de strafvordering geen afbreuk doet aan de mogelijkheid van de tuchtoverheid om een tuchtstraf uit te spreken; dat de basis van de tuchtvordering de noodzaak is om de continuïteit van de openbare dienst te verzekeren; dat de strafvordering en tuchtvordering niet van dezelfde orde zijn; dat dit verantwoordt dat beide vorderingen voor dezelfde feiten kun-

nen worden uitgeoefend;

Overwegende dat de strafrechter in zijn vonnis een vergissing heeft begaan, namelijk daar waar hij in zijn motivering voor de opschorting stelt dat de heer Deketelaere van zijn werkgever reeds een tuchtmaatregel kreeg op-

gelegd; dat er helemaal geen sprake is geweest van een tuchtmaatregel; dat de FOD Financiën de betrokken ambtenaar, van zodra werd vastgesteld dat tegen hem een strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld, bij ordemaatregel in het belang van de dienst heeft verplaatst naar een dienst waar hij geen contact had met het publiek; dat het dus ging om een bewarende maatregel, zonder dat het schuldaspect aan bod komt en puur ter bescherming van het imago van de FOD Financiën; dat deze vergissing het feit van de opschor-

ting in een aanzienlijke mate in een ander perspectief plaatst;

Overwegende dat de heer Deketelaere, in het kader van door hem uitge-

voerde taken als ambtenaar bij de FOD Financiën, zeer ernstige deontolo-

gische inbreuken heeft gepleegd, nl. passieve corruptie; dat het zeer terecht is dat de administratieve overheid in het geval van een erg zware be-

roepsfout voorstelt om een tuchtstraf op te leggen; dat artikel 8, § 3, van het statuut van het rijkspersoneel bepaalt:

IX-9095-9/22

‘De rijksambtenaar mag, noch rechtstreeks, noch door tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoefening, maar uit oorzaak hiervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen.’;

Overwegende dat artikel 14 van datzelfde statuut stipuleert:

‘Elke inbreuk op de artikelen 7, 8, 9, § 1, 10 en 12 kan aanleiding geven tot een van de tuchtstraffen die bepaald zijn bij artikel 77, onverminderd de toepassing van de strafwetten.’;

Overwegende dat de strafrechter in het vonnis stelde:

‘(...) Beklaagde heeft etentjes aangenomen van verschillende personen, (...)

die zich duidelijk geïntimideerd voelden door beklaagde en zich verplicht voelden om hem uit te nodigen voor een etentje, gelet op het feit dat hij een belangrijk persoon was bij de belastingen te […]. Uit de verklaringen van deze personen blijkt duidelijk dat beklaagde zich toch wel ten aanzien van hen heeft opgedrongen en uitpakte met zijn functie van belastingambtenaar en daarbij liet uitschijnen dat hij iets voor hen kon betekenen in de dossiers waarvan hierboven melding werd gemaakt (...).’;

Overwegende dat de tuchtoverheid zich bij de oplegging van een tuchtstraf moet houden aan het evenredigheidsbeginsel; dat anderzijds het tuchtrecht autonoom is en de tuchtoverheid niet gehouden is door de uitspraak van de strafrechter om de zwaarte van de tuchtstraf te bepalen; dat de tuchtover-

heid de feiten benadert vanuit een andere invalshoek dan de strafrechter, met name de goede werking van de dienst en het ongeschonden houden van het imago ervan;

Overwegende dat de feiten waaraan de heer Deketelaere schuldig werd verklaard niet éénmalig zijn; dat zij getuigen van een verwerpelijke attitude en bovendien van een groot gebrek aan integriteit, één van de vier waarden van de FOD Financiën; dat integriteit in dit kader als volgt wordt gedefi-

nieerd:

‘We zijn ons bewust van de maatschappelijke rol die we vervullen en hechten voldoende aandacht aan de vertrouwensband tussen burger en overheid. We handelen dan ook steeds op rechtschapen en loyale wijze en vermijden zo iedere vorm van corruptie.’;

Overwegende dat na hetgeen gebeurd is in bepaalde business- en andere kringen in […] ongetwijfeld de overtuiging bestaat dat men een fiscaal controleur best altijd uitnodigt voor een exclusief etentje; dat uit hetgeen voorafgaat effectief kan worden besloten dat de heer Deketelaere het imago van de FOD Financiën zwaar geschonden heeft; dat het dus terecht is dat, ondanks de opschorting uitgesproken door de strafrechter, de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, zeker nadat gebleken is dat de opschorting deels gemotiveerd is door een niet bestaande tuchtmaatregel;

Overwegende dat een tuchtstraf met tastbare gevolgen gepast is; dat de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege niet onevenredig is gelet op het zeer negatief imago dat de heer Deketelaere van de FOD Financiën heeft gecreëerd;

Overwegende dat de geloofwaardigheid van betrokkene bij de collega’s en bij het publiek geschonden is en het redelijkerwijs niet meer mogelijk is dit vertrouwen te herstellen; dat het daarenboven een slecht signaal zou zijn dat een ambtenaar na dergelijke feiten een nieuwe kans aangeboden krijgt;

IX-9095-10/22

dat dit zou indruisen tegen het door de administratie gevoerde integri-

teitsbeleid;

Overwegende dat het ontslag van ambtswege dan ook de meest aangewe-

zen straf is, die bovendien het best beantwoordt aan de doelstellingen van de administratie.”

Dat is het bestreden besluit.

IV. Schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

V. Ernst van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

5. Het eerste middel is geput uit de schending van artikel 77 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het Rijksperso-

neel’, gelezen in samenhang met het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Verzoeker licht dit middel toe als volgt (voetnoten weg-

gelaten):

“1. Artikel 77 van het Koninklijk Besluit houdende het statuut van het Rijkspersoneel voorzag ten tijde van de procedure in een pallet van tucht-

straffen, gaande van een terechtwijzing tot de afzetting. De op één na zwaarste tuchtstraf is het ontslag van ambtswege.

2. Artikel 77 van het Koninklijk Besluit houdende het statuut van het Rijkspersoneel geeft aan de bevoegde tuchtoverheid een beoordelings-

vrijheid bij het opleggen van de volgens hem gepaste tuchtstraf. Deze be-

IX-9095-11/22

oordelingsbevoegdheid in hoofde van de tuchtoverheid wordt begrensd door de redelijkheid. Uw Raad heeft in een arrest van 4 februari 2010 zulks uitdrukkelijk gesteld ten aanzien van een tuchtoverheid. Bij de toetsing van de redelijkheid van een beslissing van de administratieve overheid beschikt Uw Raad enkel over een marginaal toetsingsrecht, waarbij hij enkel be-

slissingen kan vernietigen die kennelijk onredelijk zijn. Dit zijn beslissin-

gen waarvan het ondenkbaar is dat een redelijk oordelende overheid, die in dezelfde omstandigheden moet beslissen, dezelfde beslissing zou nemen.

3. Verzoekende partij besluit uit het onderstaande dat de bestreden beslis-

sing kennelijk onredelijk is en aldus ook een schending impliceert van het artikel 77 van het Koninklijk Besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel.

4. Verzoekende partij verwijst vooreerst naar het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, Afdeling Brugge, Sectie Correctio-

nele Rechtbank, d.d. 10 november 2015. In het genoemde vonnis wordt aan verzoekende partij de gunst van de opschorting van de uitspraak gelast, waarbij de Strafrechter zeer uitdrukkelijk motiveert dat de ‘openbare orde en de maatschappij op voldoende wijze worden gevrijwaard met de op-

schorting als maatregel’. Het is correct dat het oordeel van de Strafrechter de tuchtoverheid niet bindt bij het opleggen van een tuchtstraf, daargelaten het geval waarin de Strafrechter de betrokken ambtenaar vrijspreekt van het strafrechtelijk sanctioneerbaar tuchtfeit, doch zulks belet niet dat er een correlatie dient te bestaan tussen enerzijds de opgelegde strafrechtelijke sanctie en anderzijds de opgelegde tuchtstraf voor dezelfde feiten. Uw Raad heeft in die zin geoordeeld in arrest van 21 december 2006, met na-

me:

‘Agent-hoofdbrigadier werd door de Corr.rb. veroordeeld wegens schen-

ding van het beroepsgeheim, dit met uitstel gedurende 3 jaar. De korpschef stelde lastens hem een tuchtverslag op waarin een tuchtsanctie van ontslag van ambtswege wordt voorgesteld op grond van de eindoverweging ‘dat de ernst van de feiten een maximum straf verantwoordt’.

RvS oordeelt dat dergelijke eindoverweging onvoldoende is en dat reke-

ning houdende met de veroordeling die volledig met uitstel werd toege-

kend, bezwaarlijk kan gesproken worden van ‘dat de ernst van de feiten een maximum straf verantwoorden.’ Agent wordt niet ambtshalve ontslagen (…)

Er dient benadrukt te worden dat indien de strafrechter gunstmaatregelen toestaat de tuchtoverheid hier slechts op uitdrukkelijk gemotiveerde wijze kan van afwijken.

(…)

Dat niet zonder meer kan voorbijgegaan worden aan de uitspraak van de strafrechter voornamelijk indien deze, zoals in casu, slechts een lichte straf uitspreekt; dat de tuchtoverheid met andere woorden rekening moet houden met die uitspraak en desgevallend slechts op gemotiveerde wijze een tuchtsanctie kan opleggen die zwaarder is dan de door de strafrechter uit-

gesproken straf’ De aangehaalde rechtspraak van Uw Raad toont afdoende aan dat de tuchtoverheid, hoewel niet gebonden door de veroordeling van de Straf-

IX-9095-12/22

rechter, toch verplicht is om deze beoordeling van de feiten door de Strafrechter mee te nemen in zijn beraad omtrent het opleggen van een gepaste tuchtstraf.

In de bestreden beslissing wordt gesteld dat de door de Strafrechter ver-

leende gunst van opschorting in wezen zou gesteund zijn op de verkeerde premisse dat verzoekende partij reeds een ‘tuchtmaatregel’ zou ondergaan hebben door zijn overplaatsing van het Belastingskantoor te […] naar het Belastingskantoor te […]. Dit standpunt overtuigt evenwel niet. In het vonnis van 10 november 2015 wordt het gelasten van de opschorting ten aanzien van verzoekende partij als volgt gemotiveerd:

‘Gelet op het blanco strafregister van beklaagde, het feit dat beklaagde reeds een tuchtmaatregel van zijn werkgever kreeg opgelegd, alsook het gegeven dat de feiten zich situeren tussen 2010 en 2013, is de rechtbank van oordeel te kunnen ingaan op het verzoek van de beklaagde om de op-

schorting van de uitspraak van de veroordeling in zijn hoofde te gelasten.

De openbare orde en de maatschappij zullen immers voldoende gevrij-

waard worden door de hierna vermelde maatregel.’ De Strafrechter nam dus meer in aanmerking dan louter het gegeven dat verzoekende partij een ordemaatregel houdende de overplaatsing van de dienst uit […] naar […] was opgelegd bij het gelasten van de opschorting.

Het feit dat de Strafrechter ten onrechte in zijn vonnis allusie maakte op een tuchtmaatregel doet aan het voorgaande geen enkele afbreuk.

Er dient besloten te worden dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is, gelet op het feit dat er geen correlatie bestaat tussen enerzijds de straf-

rechtelijke veroordeling van verzoekende partij in het vonnis van 10 no-

vember 2015 en anderzijds de tuchtstraf dat verzoekende partij opgelegd kreeg voor dezelfde feiten.

5. Vervolgens is aan verzoekende partij een ordemaatregel opgelegd hou-

dende de overplaatsing naar een andere dienst in een andere stad.

Uit de bestreden beslissing blijkt zeer nadrukkelijk dat men ervan uitging dat de weerhouden tuchtvergrijpen van die aard waren dat verzoekende partij nog onmogelijk kon functioneren in enerzijds het Belastingskantoor te […] en anderzijds in een functie waarin hij in contact kwam met rechtsonderhorige/belastingplichtige. De ordemaatregel, waarbij verzoe-

kende partij vanuit […] naar […] werd verplaatst, kwam aan deze beide bezorgheden in hoofde van de tuchtoverheid tegemoet. Voorts was het ook zo dat, door het veranderen van werkmilieu, verzoekende partij ook bij andere collega’s terecht kwam die niet noodzakelijk wisten wat er in […]

was gebeurd. Derhalve stelt zich de vraag in hoeverre er nog sprake kan zijn van het vrijwaren van de continuïteit van de openbare dienst bij het opleggen van de tuchtstraf in de bestreden beslissing.

Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat er met het opleggen van de voornoemde ordemaatregel rekening werd gehouden bij het opleggen van de tuchtstraf. Wel integendeel, de opgelegde ordemaatregel wordt in ab-

stracto als volgt beoordeeld in de bestreden beslissing:

‘Overwegende dat de strafrechter in zijn vonnis een vergissing heeft be-

gaan, namelijk daar waar hij in zijn motivering voor de opschorting stelt dat de heer Deketelaere van zijn werkgever reeds een tuchtmaatregel kreeg

IX-9095-13/22

opgelegd; dat er helemaal geen sprake is geweest van een tuchtmaatregel;

dat de FOD Financiën de betrokken ambtenaar, van zodra werd vastgesteld dat tegen hem een strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld, bij ordemaat-

regel in het belang van de dienst heeft verplaatst naar een dienst waar hij geen contact had met het publiek; dat het dus ging om een bewarende maatregel, zonder dat het schuldaspect aan bod komt en puur ter bescher-

ming van het imago van de FOD Financiën;’ Verzoekende partij komt aldus tot het besluit dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is daar waar er geen rekening wordt gehouden met de hem opgelegde ordemaatregel (die overigens ook als tuchtmaatregel kan worden opgelegd!). Uit het bovenstaande blijkt afdoende dat het uit-

gangspunt dat in de bestreden beslissing wordt ingeroepen voor het op-

leggen van de tuchtstraf – zijnde de continuïteit van de openbare dienst en het goed functioneren vrijwaren – reeds werd bereikt door het opleggen van de ordemaatregel houdende de overplaatsing naar een andere dienst en werkplaats.

7. In de bestreden beslissing wordt al evenmin rekening gehouden, bij het opleggen van de tuchtstraf, met de psychische impact dat de volledig doorlopen tuchtprocedure op verzoekende partij heeft gehad en nog steeds heeft. Uit de stukken die gevoegd zijn bij de audiëntienota, neergelegd door de raadsman van verzoekende partij naar aanleiding van de zitting d.d.

7 oktober 2016 van het Directiecomité, blijkt dat verzoekende partij tijdens de loop van de strafrechtelijke procedure lastens hem danig geleden heeft onder de volledige toestand dat hij een ernstige depressie kreeg. Geheel treffend omschrijft de echtgenote van verzoekende partij per mail van 5 oktober 2016 de voornoemde psychische gevolgen voor verzoekende partij als volgt aan diens raadsman in aanloop van de zitting voor het Di-

rectiecomité van 7 oktober 2016:

‘vrijdag is het D-Day. Ik stel al mijn vertrouwen in u om alles uit de kast te halen. Met Geert gaat het niet goed. De zelfmoordgedachten worden als-

maar sterker. Ik moet hem constant oppeppen, maar ik vrees bij een ontslag dat ik mijn man kwijt zal geraken. Ik ga hier zeker niet de emotionele kant op, maar ben realistisch.’ Op heden is de psychische toestand van verzoekende partij nog verre van ideaal.

Verzoekende partij is het standpunt toegedaan dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is in de mate dat er bij het opleggen van de tuchtstraf geen rekening is gehouden met de impact van de gevolgen van de tucht-

vergrijpen op hem zelf en zijn gezin.

8. In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk overwogen dat verzoe-

kende partij ‘zeer ernstige deontologische inbreuken heeft gepleegd’ zodat het terecht is dat de administratieve overheid in dit geval een zware tucht-

straf gaat opleggen. Door als zodanig te motiveren heeft de tuchtoverheid zichzelf de beoordelingsbevoegdheid in concreto ontnomen dewelke arti-

kel 77 van het Koninklijk Besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel hem geeft bij het opleggen van een tuchtstraf. Het is niet omdat tuchtvergrijpen als ‘ernstig’ worden gekwalificeerd dat er per se een zware tuchtstraf dient te worden opgelegd. Artikel 77 van het Ko-

IX-9095-14/22

ninklijk Besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijks-

personeel laat nu net aan de tuchtoverheid toe om ten aanzien van alle tuchtvergrijpen een gepaste tuchtstraf in concreto op te leggen. In de mate dat de tuchtoverheid bij het opleggen van een tuchtstraf aan verzoekende partij zich beperkt tot een loutere beoordeling in abstracto, schendt de be-

streden beslissing artikel 77 van het Koninklijk Besluit van 2 oktober 1937

houdende het statuut van het Rijkspersoneel.”

Beoordeling

6. De tuchtoverheid beschikt bij het bepalen van de aard en de ernst van de tuchtsanctie over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. Bij het bepalen van de tuchtsanctie zal de tuchtoverheid rekening dienen te houden met de aard van de ten laste gelegde feiten, de tuchtrechtelijk vervolgde persoon, de omstandigheden waarin de feiten gepleegd zijn, de goede werking van de dienst en de weerslag van de inbreuk en de bestraffing op het gedrag van andere personeelsleden.

De Raad van State zal bij de beoordeling van de redelijkheid van de opgelegde tuchtsanctie de beleidsvrijheid waarover het bestuur in deze aange-

legenheid beschikt, moeten respecteren. Dit betekent dat hij zich niet in de plaats van de tuchtoverheid mag stellen, maar enkel een volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf als onwettig kan kwalificeren, dit is een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen.

7. Te dezen heeft de verwerende partij beslist verzoeker de tucht-

straf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Overeenkomstig artikel 77, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 is dit de op één na zwaarste tuchtsanctie die kan worden opgelegd.

8. Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt duidelijk waarom naar het oordeel van de verwerende partij de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege dient te worden opgelegd. Het zijn overwegingen die concreet op de zaak zijn toegespitst.

IX-9095-15/22

De verwerende partij wijst vooreerst op de ernst van de feiten, waaraan zij zeer zwaar tilt. Het kan niet worden ontkend dat dergelijke feiten die de tuchtoverheid als zeer ernstig aanziet een zwaardere tuchtsanctie kunnen recht-

vaardigen. Zij stelt in het bestreden besluit uitdrukkelijk dat verzoeker “zeer ern-

stige deontologische inbreuken heeft gepleegd”, dat het gaat om “een erg zware beroepsfout” en dat verzoeker een “zeer negatief imago […] van de FOD Finan-

ciën heeft gecreëerd” waarvoor een tuchtstraf moet worden opgelegd “met tastbare gevolgen”. Daarbij komt nog dat de feiten van die aard zijn dat verzoeker ermee de integriteit die de verwerende partij van haar ambtenaren verwacht in het gedrang heeft gebracht. Aan dit element heeft de verwerende partij eveneens een belangrijk gewicht gegeven bij het bepalen van de strafmaat. Daarbovenop vertonen de feiten dan nog een repetitief karakter, wat de verwerende partij eveneens mee in haar beoordeling van de strafmaat heeft betrokken. Al deze elementen in acht genomen kan het opleggen van het ontslag van ambtswege – en dus de op één na zwaarste tuchtsanctie – bezwaarlijk een onredelijke beoordeling worden genoemd.

Daarmee wil niet gezegd zijn dat de tuchtoverheid geen lichtere straf had kunnen opleggen die evengoed binnen de grenzen van haar beoorde-

lingsbevoegdheid lag. Het is nu eenmaal eigen aan de uitoefening van een discre-

tionaire bevoegdheid zoals de tuchtbevoegdheid, dat uiteenlopende beslissingen denkbaar zijn, die nochtans alle de toets aan de proportionaliteit doorstaan.

9.1. Verzoeker voert nog aan dat hij van de strafrechter de gunst van de opschorting van de uitspraak heeft verkregen, waarbij de strafrechter zeer uit-

drukkelijk heeft gemotiveerd dat de “openbare orde en de maatschappij op vol-

doende wijze worden gevrijwaard met de opschorting als maatregel”. Volgens verzoeker moet er een “correlatie bestaa[n] tussen enerzijds de strafrechtelijke veroordeling van verzoekende partij in het vonnis van 10 november 2015 en an-

derzijds de tuchtstraf dat verzoekende partij opgelegd kreeg voor dezelfde feiten”.

9.2. Artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937

bepaalt dat, ongeacht het resultaat van de strafvordering, alleen de administratieve

IX-9095-16/22

overheid oordeelt over de gepastheid een tuchtstraf uit te spreken. De tuchtover-

heid is niet gebonden door beslissingen op strafrechtelijk vlak om de zwaarte van de tuchtsanctie te bepalen. Zij oordeelt hierover op basis van haar eigen be-

voegdheid en beschikt dienaangaande over een ruime beleidsvrijheid. Aan de keuze op strafrechtelijk vlak voor het verlenen van de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling, is geen enkel gezag van gewijsde gebonden, zodat hierdoor de tuchtvervolging – en dus ook het bepalen van de strafmaat op tuchtrechtelijk vlak – niet belemmerd wordt. De omstandigheid dat er op straf-

rechtelijk vlak werd geopteerd voor de opschorting, belet aldus niet dat verzoeker op tuchtrechtelijk vlak de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege kan worden opgelegd.

10. Voor zover verzoeker nog aanvoert dat hij bij ordemaatregel werd overgeplaatst naar een andere dienst in een andere stad waardoor aan de bezorgdheden van de tuchtoverheid werd tegemoetgekomen – andere stad en geen contact meer met rechtsonderhorigen – dient erop te worden gewezen dat die maatregel geen tuchtsanctie was, maar slechts een bewarend en tijdelijk karakter had waarbij het schuldaspect buiten beschouwing is gelaten.

11. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de opgelegde tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege volkomen in wan-

verhouding staat tot de vastgestelde feiten.

12. Het eerste middel is niet ernstig.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

13. Het tweede middel is geput uit de schending van artikel 77 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het Rijks-

personeel’, gelezen in samenhang met de motiveringsplicht en het redelijkheids-

IX-9095-17/22

beginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van de artikelen 1 tot 3

van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Verzoeker licht dit middel toe als volgt (voetnoten wegge-

laten):

“1. Het opleggen van een tuchtstraf, zoals bedoeld in artikel 77 van het Koninklijk Besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, veronderstelt dat dit gepaard gaat met een deugdelijke onderbouwing van deze tuchtstraf.

2. De bestreden beslissing is een administratieve rechtshandeling met in-

dividuele strekking zodat deze zowel materieel als formeel afdoende ge-

motiveerd te zijn. Hieronder wordt naar genoegen van Recht aangetoond dat de bestreden beslissing zowel materieel als formeel niet afdoende is gemotiveerd.

3. De materiële motiveringsplicht of de eis van interne legaliteit houdt in dat elke administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waar-

van het feitelijk bestaan naar behoren bewezen is en die in rechte ter ver-

antwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.

In de bestreden beslissing wordt de tuchtstraf houdende het ontslag van ambtswege onder meer als volgt gemotiveerd:

-de tuchtvergrijpen zouden niet eenmalig zijn, getuigen van een verwer-

pelijke attitude en een groot gebrek aan integriteit;

-er in ‘business- en andere kringen’ in […] ‘ongetwijfeld’ de overtuiging zou bestaan dat men één en ander geregeld krijgt als men een fiscaal con-

troleur uitnodigt voor een exclusief etentje -het handelen van verzoekende partij zou geleid hebben tot een ‘zeer ne-

gatief imago’ van de FOD Financiën;

-verzoekende partij zijn geloofwaardigheid heeft verloren bij zijn collega’s en het publiek;

-een nieuwe kans voor verzoekende partij zou danig ingaan tegen het ge-

voerde integriteitsbeleid.

Geen van deze motieven houdt steek, net zo min dat ze gesteund zijn op feiten die afdoende naar Recht zijn bewezen.

Anders dan dat de tuchtoverheid lijkt aan te nemen betreffen de weerhou-

den tuchtvergrijpen geenszins een samengestelde cluster van gelijkaardige feiten. De weerhouden tenlasteleggingen hebben betrekking op vijf feiten (of etentjes) waarbij verzoekende partij een etentje zou aanvaard hebben van een derde, gespreid zijnde over een periode vanaf 3 mei 2010 tot 2013.

Wanneer de datering van de feiten voor ogen worden genomen, blijkt duidelijk dat de vijf feiten op zichzelf staande feiten zijn, en geen verband houden met elkaar. Voorts dient opgemerkt te worden dat vijf feiten ge-

spreid over drie jaar, te schaars is om te gewagen van een ‘verwerpelijke attitude’ (een term dat de Strafrechter overigens niet in de mond heeft genomen in het vonnis van 10 november 2015).

Waar de tuchtoverheid stelt dat ingevolge de weerhouden tuchtvergrijpen er in […] in ‘business- en andere kringen’ er ‘ongetwijfeld’ een overtuiging

IX-9095-18/22

is ontstaan dat er ‘wat’ te regelen is indien men de bevoegde fiscaal amb-

tenaar uitnodigt voor een exclusief etentje, betreft dit een loutere veron-

derstelling of assumptie waarvan het voorliggend dossier niet het minste (zelfs niet het begin van) bewijs oplevert. In de bestreden beslissing wordt geen enkel concreet element aangereikt die zou toelaten om tot een derge-

lijke conclusie te komen. Er is bezwaarlijk sprake van een motief dat ge-

steund is op een feit of dossiergegeven dat naar genoegen van Recht is bewezen, en dus vaststaand is. Hetzelfde geldt ten aanzien van de over-

weging dat het handelen van verzoekende partij ertoe zou geleid hebben dat het imago van de FOD Financiën op ernstige wijze schade zou hebben geleden. Dat dit op heden nog het geval zou zijn wordt op generlei wijze geconcretiseerd in de bestreden beslissing door feitelijkheden of gegevens die Rechtens afdoende zijn aangetoond.

Het motief betreffende het gebrek aan geloofwaardigheid ten aanzien van de collega’s en het publiek kan evenmin worden aangenomen. De inge-

roepen tuchtvergrijpen hebben enkel plaatsgevonden binnen de context van het Belastingskantoor te […]. Bij ordemaatregel van 1 juni 2014 is ver-

zoekende partij overgeplaatst naar een geheel ander werkmilieu alwaar de collega’s geen kennis hadden van hetgeen gebeurd is in […]. De orde-

maatregel had ook tot gevolg dat verzoekende partij niet meer in contact met het publiek of de belastingplichtige kwam. Met andere woorden door het opleggen van de ordemaatregel werd bereikt:

-dat de continuïteit van de openbare dienst en het goed functioneren ervan werd gevrijwaard;

-dat het functioneren als ambtenaar in hoofde van verzoekende partij mo-

gelijk bleef. Verzoekende partij treedt niet langer op in de zaken van voorheen alsook niet langer op de dienst van voorheen. In de bestreden beslissing wordt niet aangetoond noch gemotiveerd waarom verzoekende partij niet perfect had kunnen functioneren naar de toekomst toe op zijn laatste dienstpost te […].

In het licht van deze bereikte doelstellingen is het onduidelijk waarom in de bestreden beslissing gewag wordt gemaakt van een ‘definitief geschonden vertrouwen’. Bovendien heeft de Strafrechter de stelling weerhouden dat de openbare orde en de maatschappij voldoende gevrijwaard zijn met de opschorting als maatregel, waardoor in de bestreden beslissing de bescha-

diging van het vertrouwen van het publiek in het instituut van de FOD

Financiën niet kan worden aangehouden. Dezelfde argumenten gaan op voor het ingeroepen motief dat het ‘geven van nieuwe kans’ aan verzoe-

kende partij een ‘slecht signaal’ zou geven aan de collega’s en het publiek.

De bovenstaande weerlegging van de in de bestreden beslissing weerhou-

den motieven toont eens te meer aan dat ten deze sprake is van een opge-

legde tuchtstraf met een totaal disproportioneel karakter. De schending van het redelijkheidsbeginsel is manifest en voor weinig ernstige betwisting vatbaar.

4. De formele motiveringsplicht of de eis van externe legaliteit veronder-

stelt het veruitwendigen van de motieven, en volgt uit de artikelen 1 tot 3

van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De administratieve overheid wordt verplicht in de

IX-9095-19/22

akten de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de be-

slissing ten grondslag liggen. De motivering dient afdoende te zijn, hetgeen conform de rechtspraak van Uw Raad neer komt op een motivering dat pertinent en draagkrachtig is en waarvan de redengeving aldus moet vol-

staan om de beslissing te schragen.

Uit randnummer 3 van onderhavig middel dient besloten te worden dat geen van de aangehaalde motieven pertinent en draagkrachtig is. Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat de bestreden beslissing, in strijd met de vaste rechtspraak van Uw Raad, geen enkel concreet motief aanreikt waarom ten dezen een veel zwaardere tuchtstraf wordt opgelegd dan de door de Strafrechter aan verzoekende partij gelaste opschorting. Hetgeen nog meer klemt nu de Strafrechter in het vonnis van 10 november 2015 in het motiverend gedeelte uitdrukkelijk stelt dat de openbare orde en de maatschappij voldoende gevrijwaard zijn met de opschorting als maatre-

gel.”

Beoordeling

14. Verzoeker voert aan dat het opleggen van een tuchtstraf gepaard moet gaan met een deugdelijke onderbouwing. Volgens verzoeker is de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd. Hij ziet hierin onder meer een schending van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht.

15.1. De formelemotiveringsplicht, die te dezen vervat is in de arti-

kelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, houdt in tuchtzaken in dat het tuchtrechtelijk ge-

sanctioneerde personeelslid uit de tuchtbeslissing zelf moet kunnen vernemen welke feiten in aanmerking worden genomen, waarom die feiten als tuchtinbreu-

ken worden beschouwd en hem worden toegerekend en waarom ze de opgelegde tuchtsanctie rechtvaardigen.

15.2. Wat de materiëlemotiveringsplicht betreft, welke inhoudt dat elke administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven die in feite juist en in rechte aanvaardbaar zijn en die daarom in het kader van het wettigheidstoezicht moeten kunnen worden gecontroleerd aan de hand van het administratief dossier, dient te worden opgemerkt dat een tuchtsanctie, rekening houdend met het ver-

moeden van onschuld, alleen wettig kan worden opgelegd, wanneer de tucht-

IX-9095-20/22

overheid over voldoende gegevens beschikt om de ten laste gelegde feiten voor bewezen te houden.

16. In casu moet worden vastgesteld dat met betrekking tot de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de tuchtvordering en het uiteindelijk opleggen van de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege, de strafrechter verscheidene feiten voor bewezen heeft gehouden en deze als passieve corruptie heeft gekwali-

ficeerd. Het is niet onredelijk om daaruit te concluderen dat het om een verwer-

pelijke attitude gaat die een ernstige beschadiging van het imago van de verwe-

rende partij met zich meebrengt. Dat het imago wel degelijk geschaad is, blijkt onder meer uit de diverse berichten in de geschreven pers. Uit die berichten blijkt evenzeer dat melding wordt gemaakt van het feit dat verzoeker werd overgeplaatst zodat het weinig waarschijnlijk is dat aldaar niet zou zijn geweten wat er elders is voorgevallen.

Uit het bestreden besluit, alsook uit de stukken van het dossier blijkt afdoende wat aan verzoeker wordt verweten waardoor hij niet meer het vertrouwen kan genieten dat de verwerende partij in hem dient te hebben om een professionele samenwerking te kunnen voortzetten en waarom de feiten de opge-

legde tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege rechtvaardigen.

De formele- en de materiëlemotiveringsplicht zijn gerespec-

teerd.

17. In de mate dat verzoeker in het tweede middel nog de schending aanvoert van artikel 77 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het Rijkspersoneel’, gelezen in samenhang met het redelijkheids-

beginsel, kan worden verwezen naar hetgeen hieromtrent is gesteld bij de beoor-

deling van het eerste middel.

18. Het tweede middel is niet ernstig.

IX-9095-21/22

19. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumula-

tief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 februari 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Bruno Seutin

IX-9095-22/22

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.646