Administrative appeal dismissed for inadmissibility due to failure to substantiate alleged legal violations in the request.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the administrative appeal filed by the Pauly family against the Flemish Minister of Environment. The applicants failed to specify which legal provisions were violated or how they were breached in their initial request. Consequently, the court declared the appeal inadmissible and ordered the applicants to pay legal costs. The decision emphasizes that vague allegations without concrete legal grounds do not constitute a valid basis for judicial review.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Administrative Justice Act; An administrative appeal is inadmissible if the applicant fails to clearly identify the specific legal provisions allegedly violated and explain the manner of the alleged breach.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 240.600 van 29 januari 2018
in de zaak A. 217.514/VII-39.535.
In zake : 1. Martinus Victor Leonardus PAULY
2. Ariana Maria Antoinette PAULY
3. Marcus Antonius Henricus PAULY
4. Henrica Arnoldina PAULY-DAEMS
wonende te 3920 Lommel Luikersteenweg 639
alwaar woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 26 oktober 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 16 september 2015 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 26 maart 2015, houdende aktename van een mededeling kleine verandering, voor het veranderen van een melkveehouderij, gelegen aan de Luikersteenweg 637 te Lommel, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd.
VII-39.535-1/8
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 december 2017.
Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Jana Vlassenbroek, die loco advocaat Dirk De Greef verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord.
Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 13 augustus 2009 verleent de deputatie van de provincieraad van Limburg een milieuvergunning voor een termijn van 20 jaar voor de exploitatie van een melkveehouderij met 180 runderen, gelegen te 3920 Lommel,
VII-39.535-2/8
Luikersteenweg 637, kadastraal gekend afd. 5, Sie B, perceelnummer 13V12.
Volgens het bij koninklijk besluit van 22 maart 1978 vastgesteld gewestplan Neerpelt-Bree is de voormelde inrichting deels gelegen in woongebied met landelijk karakter en deels in agrarisch gebied.
3.2. Op 14 november 2014 (datum van ontvangst) doet de begunstigde mededeling van een “kleine verandering”. Deze verandering heeft volgens het bestreden besluit betrekking op het “uitbreiden met een opslag van 100 m³ vaste mest” (1.703 m³ mengmest is reeds vergund) en het “uitbreiden met een grondwaterwinning bestaande uit een put van 20 m diepte voor beregening met een maximum debiet van 375 m³/dag en max. 2.700 m³/jaar”. Een grondwaterwinning bestaande uit een put van 14 m diep voor het drinkwater van de dieren met een maximum debiet van 6 m³/dag en max. 2.300 m³ per jaar is reeds vergund.
3.3. De deputatie van de provincieraad van Limburg neemt op 26 maart 2015 akte van de mededeling kleine verandering en legt bijzondere voorwaarden op.
3.4. Enkele omwonenden, waaronder de verzoekende partijen, tekenen tegen de voormelde beslissing administratief beroep aan bij de Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu. Zij hebben kritiek op de overlast ingevolge geur, vliegen en lawaai en voeren aan dat de bijkomende grondwaterwinning voor een lagere grondwaterstand en voor meer lawaai tijdens de nacht zorgt. Ze stellen ook de wenselijkheid van het bedrijf op de kwestieuze locatie in vraag, gelet op de omvang ervan en de ligging tussen particuliere bebouwing.
3.5. Met het bestreden besluit van 16 september 2015 verklaart de bevoegde Vlaamse minister het beroep ongegrond en bevestigt zij de beslissing van de deputatie.
VII-39.535-3/8
Dit besluit bepaalt onder meer:
“Overwegende dat de exploitant vergund is voor de opslag van 1.703 m³ mengmest; dat een uitbreiding wordt gevraagd van de mestopslag met 100 m³ vast mest; dat de mestvaalt voorzien wordt achter stal 2; dat de locatie van de mestvaalt zo is gekozen dat de hinder voor de buurt maximaal wordt beperkt;
dat de mestvaalt is gelegen op circa 70 m en 80 m van de meest nabije woningen; dat gelet op de beperkte opslag voor vaste stalmest de geurhinder afkomstig van de mestvaalt tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt;
Overwegende dat de mestvaalt zal bestaan uit mestdichte wanden en vloer;
dat het afvloeiwater opgevangen zal worden in de mestkelder van stal 2; dat bijgevolg het risico op bodemverontreiniging tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt;
[…]
Overwegende dat de bouw van de mestvaalt een beperkte ruimtelijke impact heeft; dat uit bovenstaande overwegingen blijkt dat de hinder en de draagkracht tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt;
[…]
Overwegende dat de hinder en de effecten op mens en milieu en de risico’s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de aangevraagde inrichting, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt;
[…]”.
IV. Rechtspleging
4. De “pleitnotitie ten behoeve van de zitting” van 7 december 2017
van de verzoekende partijen betreft een niet in het algemeen procedurereglement voorzien stuk. Ter terechtzitting vraagt de verwerende partij terecht dat dit stuk van de verzoekende partijen, die zelf niet ter terechtzitting verschijnen of vertegenwoordigd zijn, uit het debat wordt geweerd.
V. Ontvankelijkheid van het beroep
Standpunt van de partijen
5.1. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het beroep niet ontvankelijk is omdat geen ontvankelijk middel wordt aangevoerd.
VII-39.535-4/8
5.2. De verzoekende partijen repliceren in hun memorie van wederantwoord dat zij hun grieven zo goed als mogelijk hebben uiteengezet.
5.3. In haar laatste memorie volhardt de verwerende partij in haar exceptie en stelt zij dat het middel in het auditoraatsverslag wordt geconstrueerd.
Beoordeling
6.1. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen moet bevatten.
6.2. Een middel bestaat uit de omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden beslissing zou zijn geschonden.
Het staat niet aan de Raad van State om het middel in de plaats van de verzoekende partijen te adstrueren.
6.3. De verzoekende partijen zetten in hun verzoekschrift uiteen dat het bestreden besluit “geen stand kan houden”. Zij “bestrijden dat het hier om ‘kleine’ veranderingen gaat” omdat “zowel de waterputten als de mestopslag […]
een vergroting van de reeds bestaande overlast tot gevolg [hebben]”. Zij wijzen “op de milieucirkels welke op grond van de milieuwetgeving om agrarische bedrijven heen worden getrokken” en menen dat binnen de afstand tot hun woning “overlast veroorzakende activiteiten niet mogen toenemen”, “terwijl juist dat is wat er gebeurt”: “de toevoeging van een open mestopslag veroorzaakt extra emissie vlak bij onze woning en ook de waterputten zullen extra geluidsoverlast veroorzaken”. Verder “wijzen” zij “erop geen vertrouwen te hebben in de plicht van de heer [B] om de overlast afkomstig van het bedrijf tot een minimum te beperken”.
VII-39.535-5/8
6.4. In het auditoraatsverslag wordt aangegeven dat op het bestreden besluit het toentertijd geldende artikel 27, §§ 1 en 2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning toepassing vindt, dat luidt:
“§ 1. Een vergunning moet worden aangevraagd telkens de verandering van een vergunde inrichting de indeling van die inrichting in een hogere klasse tot gevolg heeft, en bij toevoeging. De aanvraag wordt ingediend bij de overheid die bevoegd is om in eerste aanleg uitspraak te doen overeenkomstig de klasse waartoe de inrichting behoort.
§ 2. In de andere gevallen moet de verandering worden meegedeeld aan de overheid die in eerste aanleg bevoegd is.
Die overheid kan de verandering bij wege van aktename vergunnen. Op de aktename zijn de bepalingen van artikel 14, § 1 inzake bekendmaking en artikel 23 van toepassing.
Een vergunning moet worden aangevraagd indien deze overheid vaststelt dat de verandering van die aard is dat zij een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt of de bestaande hinder vergroot.
In afwijking van § 1, en het derde lid van deze paragraaf, moet als de verandering louter betrekking heeft op onderdelen die op zich in de derde klasse zijn ingedeeld, geen vergunning worden aangevraagd en de verandering enkel worden meegedeeld zoals bepaald in het eerste en tweede lid van deze paragraaf”.
6.5. Niet alleen voeren de verzoekende partijen in hun verzoekschrift de schending van de voormelde bepaling niet aan, zij zetten evenmin op een voldoende duidelijke wijze uiteen op welke wijze die bepaling - of enige andere bepaling - zou geschonden zijn.
6.6. In zoverre de verzoekende partijen er in hun verzoekschrift nog op “wijzen […] geen vertrouwen te hebben in de plicht van de heer [B] om de overlast afkomstig van het bedrijf tot een minimum te beperken”, voeren zij evenmin een middel zoals begrepen onder randnummer 6.2 aan.
6.7. Het besluit is dat het verzoekschrift geen ontvankelijk middel bevat, zodat het beroep zelf onontvankelijk is.
VII-39.535-6/8
VI. Kosten
7.1. De verwerende partij vraagt om de verzoekende partijen te veroordelen tot het betalen van de basisrechtsplegingsvergoeding van 700 euro.
7.2. Overeenkomstig artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de afdeling bestuursrechtspraak een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
7.3. Er is te dezen grond om met toepassing van deze bepaling de verwerende partij de gevraagde basisrechtsplegingsvergoeding van 700 euro toe te kennen, nu zij ingevolge het onontvankelijk bevinden van het beroep als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd.
7.4. Het betoog in de memorie van wederantwoord van de verzoekende partijen dat door het opleggen van een rechtsplegingsvergoeding “een financiële drempel wordt opgeworpen en de toegang tot de rechter de facto wordt beperkt”, kan geen bijval vinden (zie o.m. Grond. Hof, nr. 48/2015, 30 april 2015;
RvS, nr. é.609 van 26 januari 2016).
7.5. De veroordeling van een partij tot de door artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorziene rechtsplegingsvergoeding vereist voorts geen procesrechtmisbruik in hoofde van die partij. Het betoog van de verzoekende partijen dat “er in casu geen sprake van misbruik van procesrecht [is]”, verhindert hun veroordeling tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding dan ook niet.
7.6. Ten slotte kan met het “secundair” verzoek “tot nihielstelling”
van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding vanwege de verzoekende partijen, “in verband met [hun] beperkte financiële draagkracht”, evenmin ingestemd worden. De verzoekende partijen staven dit verzoek immers met geen enkel
VII-39.535-7/8
concreet element of stuk.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, elk voor een vierde, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig januari tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Roger Stevens, eerste voorzitter van de Raad van State, Stephan De Taeye, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Roger Stevens
VII-39.535-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.600