Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.570 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.570 Généré par l'IA

Belgian court dismisses asylum seeker's claim that age assessment violated fair trial rights.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.570
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal against the appointment of a guardian based on age assessment findings. The applicant argued that the medical report was flawed and that his right to an interpreter was violated, but the court found no standing regarding the report's content. Consequently, the decision was upheld because the applicant was competent to understand the proceedings and the medical conclusion clearly indicated he was over 18.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 2 and 3 of the Law of 29 July 1991; The court holds that an applicant lacks standing to challenge the content of a medical age assessment report if they are aware of it and can comment on it, and that the absence of a mandatory interpreter does not violate fair trial rights if the applicant speaks the language and understands the process.

Mots-clés

Généré par l'IA
age assessment asylum seeker fair trial rights interpreter requirement medical report validity guardian appointment procedural standing asile pour mineurs

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 2 and 3 of the Law of 29 July 1991
Article 5 of Title XIII, Chapter 6 of the 2002 Programme Law
Article 24, Section 1, Paragraph 2 of the 2002 Programme Law
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 240.570 van 25 januari 2018

in de zaak A. 222.811/XIV-37.487

In zake: Mohammad MEHDI

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Louise Zwart kantoor houdend te 1060 Brussel Roemeniëstraat 26

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Verbouwe kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270

I. Voorwerp van het beroep

1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 3 augustus 2017

een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 16 juni 2017 waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker “voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002”, zodat wordt overgegaan tot de aanstelling van een voogd en dat bij artikel 24, § 1, tweede lid, van de voornoemde wet, de voogdij van rechtswege wordt beëindigd op 21 augustus 2017.

XIV-37.487-1/8

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 december 2017.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Louise Zwart, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Verzoeker is België binnengekomen en hij dient op 7 juni 2017

een asielaanvraag in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en

XIV-37.487-2/8

geboren te zijn op 19 augustus 2001. Verzoeker wordt onder de hoede geplaatst van de dienst Voogdij doch de dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers leeftijd.

Verzoeker ondergaat op 9 juni 2017 een medisch onderzoek in het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël (KU Leuven). De arts besluit dat verzoeker “op datum van 09-06-2017 een leeftijd heeft van 19,3 jaar met een standaarddeviatie van 1,5 jaar”.

Op 16 juni 2017 beslist de dienst Voogdij dat verzoeker “voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6

‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002 zodat er overgegaan wordt tot de aanwijzing van een voogd” en dat, in het geval dat artikel 24, § 1, 2°, van de voornoemde wet van toepassing is, “de voogdij […] van rechtswege [zal] beëindigd worden op 21 augustus 2017”. Dit is de bestreden beslissing.

IV. Onderzoek van de middelen

Enig middel

Uiteenzetting van het middel

4. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de artikelen 3 en 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002

(hierna: de voogdijwet), van “het algemeen beginsel van voorzichtigheid” en van “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van redelijkheid en zorgvuldigheid”.

XIV-37.487-3/8

In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat de datum waarop de voogdij van rechtswege wordt beëindigd, 21 augustus 2017, niet overeenstemt met het resultaat van het medisch onderzoek en dat daar geen motivering voor wordt gegeven. Naar luid van artikel 7, § 3, van de voogdijwet wordt, ingeval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek, rekening gehouden met de jongste leeftijd. Volgens verzoeker zijn de op hem uitgevoerde onderzoeken, te weten een radiografie van de tanden, een radiografie van de sleutelbeenderen en een hand-polsradiografie, “zowel wetenschappelijk als politiek gezien twijfelachtig en dubieus” om een leeftijd te schatten. Hij citeert daartoe een bijdrage uit een juridisch tijdschrift en hij wijst op een zaak die hangend is voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Verzoeker laat gelden dat inhoudelijk twijfel bestaat over de uitgevoerde medische tests waar te dezen de hand-polsradiografie een leeftijd aangeeft van “minstens 18 jaar” zonder standaarddeviatie, de radiografie van de sleutelbeenderen een leeftijd aangeeft van “rond 20 jaar” met een standaarddeviatie van 2 jaar en het orthopantomogram een leeftijd aangeeft van 19,3 jaar met een standaarddeviatie van 1,5 jaar. Vermits niet is aangegeven waarom de verwerende partij verzoekers geboortedatum desondanks op 21 augustus 1999 bepaalt, acht verzoeker de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 geschonden.

In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 zijn geschonden omdat het medisch verslag hem niet tegelijk met de bestreden beslissing ter kennis werd gesteld.

In een derde middelonderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing is gesteund op een tegenstrijdig medisch verslag vermits daarin staat “dat alle tanden volledig afgevormd zijn” terwijl volgens een door verzoeker bijgebracht medisch attest “niet alle verstandskiezen zijn volledig ontwikkeld”. Verzoeker acht daarom de wet van 29 juli 1991 geschonden.

XIV-37.487-4/8

In een vierde middelonderdeel voert verzoeker aan dat hij geen Nederlands, Frans of Engels doch enkel Pashtou verstaat en dat noch een voogd noch een tolk aanwezig was toen de medische tests werden uitgevoerd. In die omstandigheden kan geen sprake zijn van toestemming voor een bepaald klinisch onderzoek vermits verzoeker hierover niet uitgebreid werd geïnformeerd in een taal die hij begrijpt. Zodoende acht verzoeker de motivering van de bestreden beslissing illegaal.

Beoordeling

5. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek.

Verzoeker weidt uit over de (on)betrouwbaarheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling en verwijst in het bijzonder naar een standpunt in de rechtsleer en een zaak die hangende is voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Hij beperkt zich tot algemene kritiek doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap

XIV-37.487-5/8

gemeenzaam worden aanvaard.

Uit het verslag van het medisch onderzoek blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Concreet gaat het dus om 19,3 jaar met een standaarddeviatie van 1,5 jaar op 9 juni 2017, hetgeen inhoudt dat verzoeker op dat ogenblik 17,8 jaar was. Daarom werd ook een voogd aangesteld voor de periode totdat verzoeker 18 jaar zou worden. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Bovendien is daarmee het “laagste” resultaat van de drie deelonderzoeken in aanmerking genomen. Verzoeker kan er zich bezwaarlijk op beroepen dat geen rekening is gehouden met resultaten van deelonderzoeken waaruit blijkt dat hij op dat ogenblik reeds de leeftijd van 18 jaar had bereikt. Verzoeker gaat wat de hand-polsradiografie betreft overigens voorbij aan de vaststelling in het medisch verslag dat bij de betrokkene er “een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet, onafhankelijk van de gebruikte methode, en wat neerkomt op een leeftijd van minstens 18 jaar”.

Het eerste middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

6. Verzoeker blijkt kennis te hebben van het medisch verslag vermits hij er een kopie van bij het enig verzoekschrift voegt en hij gedetailleerde

XIV-37.487-6/8

kritiek geeft op de inhoud ervan. Hij heeft wat dat betreft derhalve geen belang bij het inroepen van een mogelijke schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991. Hoe dan ook is de bestreden beslissing, wat het medisch onderzoek betreft, formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend.

Het tweede middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

7. Verzoeker citeert de bevindingen betreffende zijn gebit uit het medisch onderzoek slechts gedeeltelijk. Er staat niet dat alle tanden, inclusief de wijsheidstanden, volledig zijn afgevormd doch er staat dat alle tanden volledig zijn afgevormd doch dat de wijsheidstanden bovenaan rechts en links een staat van ontwikkeling hebben van 10 en onderaan rechts en links een score van 8, hetgeen dan concreet wordt toegelicht.

Het derde middelonderdeel berust op een verkeerde lezing van het medisch verslag en is derhalve ongegrond.

8. Noch de voogdijwet noch het uitvoeringsbesluit voorziet de verplichte aanwezigheid van een tolk bij de uitvoering van de medische onderzoeken. Uit de fiche niet-begeleide minderjarige, die deel uitmaakt van het administratief dossier, blijkt dat verzoeker onder meer zeer goed Engels spreekt en op de hoogte werd gesteld van de twijfel van de dienst Vreemdelingenzaken aan verzoekers voorgehouden leeftijd, dat verzoeker documenten heeft ontvangen over het verloop van de leeftijdstest en dat verzoeker zich niet verzette tegen de uitvoering van de leeftijdstest. Verder blijkt uit het medisch verslag dat verzoeker zijn medewerking heeft verleend aan de uitvoering van de onderzoeken.

XIV-37.487-7/8

Het vierde middelonderdeel is ongegrond.

V. Over de vordering tot schorsing

9. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om uitspraak te doen over de vordering tot schorsing.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.

2. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.

3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig januari tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Carlo Adams

XIV-37.487-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.570