Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.528 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.528 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against dismissal for misconduct, ruling sanction was not arbitrary or disproportionate.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.528
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected Gust Wijnants' appeal challenging his dismissal from Pontes for misconduct. Wijnants argued the disciplinary file was staged and the dismissal was disproportionate, but the court found his claims unconvincing. The court held that the dismissal was a justified and proportionate response to a persistent negative attitude rather than an arbitrary act.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 100 § 1 k.u.w.; Art. 100 § 2 k.u.w.: The disciplinary authority's decision to dismiss an employee for misconduct is valid if based on concrete facts and proportionate, even if severe, provided it does not exceed the bounds of reasonableness.

Mots-clés

Généré par l'IA
disciplinary dismissal proportionality principle arbitrary decision conduct of office Council of State public service tuchtrecht faute professionnelle

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 100 § 1 k.u.w.
Art. 100 § 2 k.u.w.
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 240.528 van 23 januari 2018

in de zaak A. 219.667/X-16.672.

In zake : Gust WIJNANTS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Noël Devos, Guido Van Den Eynde en Ineke Michielsen kantoor houdend te 2440 Geel Diestseweg 155

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het INTERGEMEENTELIJK SAMENWERKINGSVERBAND

PONTES

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elke Casteleyn kantoor houdend te 9160 Lokeren Antwerpse Steenweg 47

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 7 juli 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de algemeen directeur van de opdrachthoudende vereniging Pontes van 20 mei 2016 om Gust Wijnants de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege met ingang van 1 juni 2016 op te leggen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 236.229 van 25 oktober 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.

X-16.672-1/18

Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een verslag opgesteld.

Verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2017.

Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Ineke Michielsen, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Jorien Van Belle, die loco advocaat Elke Casteleyn verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Verzoeker is sinds 2004 statutair tewerkgesteld bij de opdrachthoudende vereniging Pontes als technieker, belast onder meer met de verzorging van crematies in het crematorium te Turnhout.

X-16.672-2/18

Op 25 februari 2016 opent de algemeen directeur tegen hem een tuchtonderzoek naar aanleiding van feiten van 15 en 16 februari 2016. Een tuchtonderzoeker wordt aangesteld.

In haar verslag van 9 maart 2016 bespreekt de tuchtonderzoeker zes recente feiten. Zij meent dat, aangezien het niet om geïsoleerde feiten gaat, bij de beoordeling van de tuchtsanctie ook de feiten in het personeelsdossier, die aantonen dat er sprake is van een constant aanwezige houding, mee in overweging moeten worden genomen. Voorgesteld wordt het ontslag van ambtswege op te leggen.

Na kennisname van het tuchtverslag, beslist de algemeen directeur op 9 maart 2016 de tuchtprocedure verder te zetten en verzoeker op te roepen voor een hoorzitting op 24 maart 2016. Verzoeker wordt ertoe uitgenodigd met een brief van 9 maart 2016, waar onder meer een afschrift van het hele tuchtdossier is bijgevoegd.

Verzoeker legt op de hoorzitting van 24 maart 2016 een verweerschrift neer, met als bijlage onder meer elf “positieve reacties van uitvaartondernemers die samenwerkten met de heer Wijnants”.

Bij beslissing van 20 mei 2016 legt de algemeen directeur verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op, met ingang van 1 juni 2016. Geoordeeld wordt dat de in het tuchtverslag opgesomde recente feiten een tuchtmaatregel noodzakelijk maken: “De houding van Gust Wijnants staat in schril contrast met de waarden van Pontes en leidt tot een ernstige verstoring van sommige klantenrelaties. Het feit dat betrokkene tracht voor te houden dat hij een goede samenwerking heeft met verschillende andere uitvaartondernemers doet hieraan geen afbreuk. Pontes verwacht een klantgerichte dienstverlening naar ALLE klanten toe.” Finaal wordt na een afweging met betrekking tot de omvang van de strafmaat het voorstel van de tuchtonderzoeker bijgevallen.

X-16.672-3/18

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Standpunt van verzoeker

4. Een eerste middel wordt afgeleid uit de “Schending artikel 94

[begrijp: 92] Rechtspositieregeling in samenlezing met artikel 23

Arbeidsreglement”.

Toegelicht wordt in het verzoekschrift dat, blijkens de rechtspositieregeling, de algemeen directeur alleen na delegatie kan optreden als tuchtoverheid, terwijl er geen rechtsgeldige delegatie wordt aangetoond. De tuchtvordering gaat bijgevolg uit van een onbevoegd orgaan.

Het besluit van de raad van bestuur van 15 januari 2014 tot goedkeuring van het huishoudelijk reglement, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, wordt niet bijgebracht en is niet eenvoudig raadpleegbaar.

Bovendien wordt in de beslissing van 25 februari 2016 tot opstart van de tuchtprocedure enkel naar artikel 25, §§ 2 en 9, van de statuten verwezen.

5. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie argumenteert verzoeker in verband met het als stuk 15 van het administratief dossier bijgebrachte huishoudelijk reglement en de publicatie ervan op de website van de verwerende partij, dat een en ander geen bewijs inhoudt van goedkeuring door de raad van bestuur en van een rechtsgeldige publicatie.

Beoordeling

6. Volgens artikel 23 van het arbeidsreglement voor het personeel van de verwerende partij is voor het statutair personeel “de tuchtprocedure zoals voorzien in de rechtspositieregeling van toepassing”. Artikel 92 van die

X-16.672-4/18

rechtspositieregeling schrijft voor dat de aanstellende overheid optreedt als tuchtoverheid.

7. Van meet af aan, in de beslissing van 25 februari 2016 ‘tot opstart tuchtprocedure en aanstelling tuchtonderzoeker’ die verzoeker met een brief van dezelfde dag ter kennis werd gebracht, is voor de juridische grond voor het optreden van de algemeen directeur inzake tuchtaangelegenheden onder andere uitdrukkelijk verwezen geworden naar de delegatie aan de algemeen directeur in artikel 7 van het besluit van de raad van bestuur van 15 januari 2014

tot goedkeuring van het huishoudelijk reglement:

“Onverminderd de bevoegdheden van de raad van bestuur en het directiecomité inzake personeelsaangelegenheden overeenkomstig de artikelen 22, §3 en 25, §8 van de statuten is de algemeen directeur aanstellende overheid met inbegrip van de sanctie- en tuchtbevoegdheden ten aanzien van het personeel.

[...]”

Dat de verwerende partij in de beslissing van 25 februari 2016

“enkel” verwijst naar artikel 25, §§ 2 en 9, van de statuten, mist feitelijke grond.

8. Eveneens ten onrechte betwist verzoeker dat de raad van bestuur effectief op 15 januari 2014 tot de goedkeuring van het huishoudelijk reglement heeft besloten.

De betrokken beslissing kan, zoals de verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet, worden teruggevonden op haar website, meer bepaald via de link die zij opgeeft.

9. Anders ook dan verzoeker in het verzoekschrift doet gelden, wordt het goedgekeurde huishoudelijk reglement wel bijgebracht – namelijk als stuk 15 van het administratief dossier – en blijkt het, zoals reeds in het tussenarrest nr. 236.229 van 25 oktober 2016 vastgesteld, gepubliceerd op de website van de verwerende partij, waar het vrij eenvoudig te raadplegen is voor iedereen die, zoals verzoeker, weet dat het op 15 januari 2014 door de raad van bestuur werd goedgekeurd.

X-16.672-5/18

Waarom en in welk opzicht die publicatie niet rechtsgeldig zou zijn of anderszins niet zou voldoen, wordt door verzoeker niet inzichtelijk gemaakt, niet in de memorie van antwoord en niet in zijn laatste memorie.

10. Het eerste middel wordt verworpen.

B. Tweede middel

Standpunt van verzoeker

11. Een tweede middel voert aan: “Schending van de rechten van verdediging, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 96

en 97 [begrijp: 94 en 95] Rechtspositieregeling, schending van artikel 88 en 108

[begrijp: 86 en 106] Rechtspositieregeling”.

In het verzoekschrift wordt in de eerste plaats toegelicht dat niet kan worden nagegaan of het tuchtdossier alle stukken met betrekking tot de ten laste gelegde feiten bevat omdat onduidelijk is wat de ten laste gelegde feiten zijn. Bovendien ligt er een tuchtverslag van 9 maart 2016 voor dat niet voldoet aan de voorschriften van artikel 94 van de rechtspositieregeling.

Ten tweede betoogt verzoeker dat geenszins duidelijk is wat hem ten laste wordt gelegd, minstens bevat de oproeping voor de hoorzitting geen vermelding van al de ten laste gelegde feiten.

Ten derde ontbreekt in de bestreden beslissing een omschrijving van de tuchtfeiten, minstens is de poging tot omschrijving van de tuchtfeiten in de bestreden beslissing “rijkelijk te laat”. Verzoeker heeft “door samenlegging van alle documenten” getracht te achterhalen wat hem ten laste werd gelegd, maar de onduidelijkheid blijft: de beslissing van de algemeen directeur van 25 februari 2016 preciseert de beweerde feiten niet; de beslissing van 9 maart 2016 tot kennisname van het tuchtverslag en tot vervolg van de tuchtvordering bevat alleen vage beweringen; en de brief van 9 maart 2016 tot uitnodiging naar de

X-16.672-6/18

hoorzitting van 24 maart 2016 situeert de feiten niet naar tijd en ruimte, ofschoon artikel 95 van de rechtspositieregeling bepaalt dat de oproeping melding moet maken van de ten laste gelegde feiten.

In de vierde plaats bekritiseert verzoeker dat “de feiten in het personeelsdossier” waarnaar in de oproepingsbrief voor de hoorzitting wordt verwezen, niet worden gepreciseerd en dat dit personeelsdossier niet bij het tuchtdossier wordt gevoegd. Het tuchtdossier is onvolledig.

Ten slotte betoogt verzoeker dat hij bij gebrek aan duidelijkheid niet kan nagaan of de in aanmerking genomen feiten al dan niet verjaard zijn. Het komt hem voor “dat de doorheen het tuchtdossier opgesomde feiten, verjaard zijn”.

12. In de memorie van wederantwoord verklaart verzoeker “als volgt” te antwoorden op de beoordeling van het middel in het tussenarrest van 25 oktober 2016.

Evenwel volgt er niets meer.

13. In de laatste memorie benadrukt verzoeker dat het tuchtverslag niet aan hem ter ondertekening overeenkomstig artikel 94 van de rechtspositieregeling is voorgelegd, waardoor hem de kans is ontnomen opmerkingen te formuleren.

Beoordeling

14. De in het middel aangevoerde bepalingen van de rechtspositieregeling van het personeel van de verwerende partij luiden:

Artikel 94 - “Voorafgaandelijk aan de hoorzitting wordt een tuchtdossier samengesteld.

Het bevat alle stukken die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten.

X-16.672-7/18

Een gedetailleerd verslag dient opgesteld door de algemeen directeur of zijn aangestelde. Het betrokken personeelslid dient dit verslag te ondertekenen, maar kan daarbij melding maken van alle opmerkingen die het nodig acht. Betrokkene bekomt een afschrift van het verslag.”

Artikel 95 - “Tenminste tien werkdagen vóór de hoorzitting wordt het betrokken personeelslid opgeroepen om te verschijnen;

Deze oproeping gebeurt bij aangetekende brief of door afgifte van de oproepingsbrief tegen ontvangstbewijs.

De oproeping dient melding te maken van:

- al de ten laste gelegde feiten, - het feit dat een tuchtdossier is samengesteld en dat een tuchtstraf wordt overwogen, - plaats, dag en uur van de hoorzitting, - het recht om zich te laten bijstaan door een verdediger van zijn keuze, - waar en wanneer het tuchtdossier kan ingezien worden, - het recht om het horen van getuigen te vragen.”

Artikel 86 - “Een tuchtprocedure moet worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisneming van de tuchtrechtelijke feiten door de tuchtoverheid.”

Artikel 106 - “§ 1. De aanstellende overheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de aanstellende overheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. De tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld van zodra het personeelslid wordt opgeroepen om te worden gehoord.

§ 2. Als in verband met dezelfde feiten de strafvordering werd ingesteld, wordt de termijn van § 1 gestuit tot op de dag dat het directiecomité door de gerechtelijke overheid ervan op de hoogte wordt gebracht dat er een beslissing werd uitgesproken die in kracht van gewijsde is gegaan en die de strafvordering beëindigt.

§ 3. Het strafrechtelijke onderzoek doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van het directiecomité om een tuchtstraf uit te spreken. Indien een opgelegde tuchtstraf onverenigbaar blijkt te zijn met een latere in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke uitspraak, kan het betrokken personeelslid binnen de zestig dagen na de kennisneming ervan bij het directiecomité een verzoek tot intrekking van de opgelegde tuchtsanctie instellen.

§ 4. Als de tuchtstraf wordt vernietigd, kan het directiecomité de tuchtrechtelijke vervolging hernemen gedurende het gedeelte van de in § 1

bedoelde termijn dat overbleef bij het instellen van de vervolging en minstens gedurende een termijn van drie maanden.

Als de tuchtstraf wordt ingetrokken, kan het directiecomité de tuchtrechtelijke vervolging hernemen gedurende het gedeelte van de in de § 1 bedoelde termijn dat overbleef bij het instellen van de vervolging.”

15. Het middel is in het kader van de vordering tot schorsing van de bestreden beslissing als niet ernstig beschouwd op grond van de volgende overwegingen:

X-16.672-8/18

“10. De beslissing van 25 februari 2016 tot het openen van een tuchtdossier en de aanstelling van een tuchtonderzoeker, vermeldt als haar ‘onmiddellijke aanleiding’, de feiten van 15 en 16 februari 2016, namelijk het ‘[g]esprek van de coördinator van 15 en 16 februari met de techniekers aangaande hun houding en gedrag en specifiek de houding ten aanzien van de uitvaartondernemer [S.] en medewerkers, gevolgd door een schriftelijke klacht van deze uitvaartondernemer aangaande de houding van de techniekers’. Ook wordt melding gemaakt van klachten van S. B. van 26 augustus 2015 en 21 januari 2016 en van een voorval van 24 december 2015 met betrekking tot de crematie van B. V. Volgens de beslissing gaat het niet zozeer om eenmalige feiten, maar betreffen de klachten een hele houding.

Ter motivering van de beslissing van 9 maart 2016 om de tuchtprocedure voort te zetten, verwijst de algemeen directeur vóór alles naar het bijgevoegde verslag van de tuchtonderzoeker. In dat tuchtverslag worden de volgende recente feiten beschreven en gesitueerd: de klacht van S. B. met betrekking tot de crematie van H. B., verzoekers houding en gedrag in verband met het opschuiven van de ingangsdatum van het systeem van vervroegde vrijwillige uitdiensttreding, zijn onwil om andere taken dan de crematies te verrichten, het voorval met betrekking tot de crematie van B. V., de klacht van uitvaartondernemer S., en een reactie van A. S. Volgens het tuchtverslag moeten, samen met deze feiten, tevens de in het tuchtverslag opgesomde feiten in het personeelsdossier in overweging worden genomen bij het beoordelen van de tuchtsanctie. Wat die laatste feiten betreft, bevat het tuchtdossier onder meer het functioneringsgesprek en de evaluatie waaromtrent verzoeker in het verzoekschrift, met verwijzing naar zijn stuk 5, schrijft dat ze in ieder geval dienden te worden meegenomen bij de beoordeling.

Ook de brief van 9 maart 2016 waarmee verzoeker wordt uitgenodigd naar de hoorzitting verwijst uitdrukkelijk naar het tuchtverslag.

Bij de oproepingsbrief zijn niet alleen een afschrift van dat tuchtverslag, maar eveneens van alle andere stukken van het tuchtdossier gevoegd.

In de bestreden beslissing, ten slotte, doet de algemeen directeur expliciet kennen dat hij de zes in het tuchtverslag beschreven recente feiten bewezen vindt en van aard om een zware tuchtstraf te verantwoorden nu ze ‘ernstig [zijn] en kaderen in een voortdurende negatieve houding van betrokkene die een abnormale opvolging en bijsturing van leidinggevenden veronderstelt’.

11. Het kan dan ook niet worden gevolgd dat het verzoeker onduidelijk zou zijn geweest wat hem ten laste wordt gelegd, zodat hij niet kan preciseren welke stukken met betrekking tot die feiten eventueel in het tuchtdossier ontbreken.

12. Voorts blijkt er een gedetailleerd en door de tuchtonderzoeker ondertekend tuchtverslag (stuk 3 van het administratief dossier)

voorhanden. Dat het tuchtverslag niet ook door verzoeker is ondertekend, lijkt te dezen niet van aard de tuchtprocedure beslissend te vitiëren. Er is op het eerste gezicht geen schending van artikel 94 van de rechtspositieregeling van het personeel die een vernietiging kan verantwoorden.

X-16.672-9/18

13. De oproeping naar de hoorzitting, inbegrepen het bijgevoegde tuchtverslag, maakt wel degelijk gewag van de ten laste gelegde feiten.

Artikel 95 van de rechtspositieregeling van het personeel lijkt niet geschonden.

14. Evenmin laat de bestreden beslissing onduidelijk welke tuchtfeiten ze bestraft.

15. Dat ‘de feiten in het personeelsdossier’ niet worden gepreciseerd en niet bij het tuchtdossier waren gevoegd, lijkt grond te missen. Verzoeker heeft de betrokken stukken, als onderdeel van het tuchtdossier, zelfs samen met zijn oproeping voor de hoorzitting thuis bezorgd gekregen.

16. Ofschoon verzoeker op het eerste gezicht daartoe voldoende in staat moet worden geacht, komt hij er niet toe concreet aan te geven voor welke feiten precies de tuchtvordering beweerdelijk verjaard is. Hij maakt geen schending van de artikelen 86 en 106 van de rechtspositieregeling van het personeel aannemelijk.

17. Het middel is in zijn geheel niet ernstig.”

16. Voortgaande op de memorie van wederantwoord is verzoeker zonder reactie op deze beoordeling. Alleszins spreekt hij niet concreet de daarin op het eerste gezicht gedane vaststellingen tegen.

Dat hij pas tijdens de procedure voor de Raad van State duidelijkheid heeft verkregen over wat hem ten laste wordt gelegd en de kans kon benutten de correcte toedracht van de feiten aan te tonen, is ongeloofwaardig en onjuist.

17. Zoals artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aangeeft, vermag niet elke onregelmatigheid ipso facto een nietigverklaring te verantwoorden.

Te dezen mag het dan wel zo zijn dat het tuchtverslag blijkbaar niet – zoals vereist door artikel 94 van de rechtspositieregeling – aan verzoeker is voorgelegd voor ondertekening en eventuele opmerkingen, uit het verder verloop van de tuchtprocedure volgt dat hij niettemin in de gelegenheid is geweest om er tegenover de tuchtoverheid alle opmerkingen over te maken die hij wou en om ter zake ten volle zijn rechten van verdediging uit te oefenen.

X-16.672-10/18

In die concrete omstandigheden kan de tekortkoming aan artikel 94 van de rechtspositieregeling niet geacht worden de draagwijdte van de bestreden beslissing op decisieve wijze te hebben beïnvloed.

18. De Raad van State ziet geen reden om zijn beoordeling in het tussenarrest van 25 oktober 2016 thans niet ook ten gronde aan te nemen.

Het tweede middel wordt verworpen.

C. Derde middel

Standpunt van verzoeker

19. In een derde middel doet verzoeker gelden dat de tuchtoverheid onterecht, zonder zorgvuldig onderzoek en zonder afdoende motivering de feitelijkheden bewezen heeft geacht en als tuchtfeiten heeft gekwalificeerd.

Verzoeker zet in zijn verzoekschrift uiteen dat het niet aan hem is om zijn onschuld aan te tonen, dat in ieder geval kan worden vastgesteld dat er geen afdoende tuchtonderzoek werd gevoerd, dat hij goed blijkt te functioneren “zowel ten aanzien van collega’s, oversten, begrafenisondernemers als klanten”, en dat talloze begrafenisondernemers bevestigen dat de samenwerking met hem positief was. Noch kwantitatief, noch kwalitatief zijn de niet nader gepreciseerde, noch nader gesitueerde feiten waarvan terloops melding wordt gemaakt in het tuchtdossier voldoende om tot een tuchtrechtelijke veroordeling te komen. De motivering van de bestreden beslissing deugt niet en gaat uit van premissen in strijd met de realiteit.

Er is voorts, aldus verzoeker, geen grondig onderzoek à charge en à décharge gevoerd. De subjectieve meningen en besluitvormingen in het tuchtverslag van 9 maart 2016 zijn ontoelaatbaar. De aanvangswoorden van het verslag zijn ter zake illustratief. Geenszins werd een onpartijdig tuchtonderzoek gevoerd.

X-16.672-11/18

20. In de memorie van wederantwoord hekelt verzoeker dat de verwerende partij hem een “laakbare houding” en “kritische opmerkingen”

verwijt en tegelijkertijd toegeeft dat hij de crematies correct en zorgvuldig uitvoert. Dit is volgens hem tegenstrijdig: “Het wordt niet gezien hoe verzoeker dergelijke positieve en zelfs lovende woorden zou kunnen voorleggen, indien hij zich inderdaad schuldig zou maken aan een ‘laakbare houding’ en ‘kritische opmerkingen’.”

Tevens voegt hij als stuk 10 verschillende verklaringen toe, waaronder een verklaring van 26 januari 2017 van F. D. waaruit zou moeten blijken dat de algemeen directeur “als enige doel had van verzoeker af te komen”.

De verklaringen tonen volgens verzoeker aan dat er geen degelijk onderzoek heeft plaatsgehad en dat de tuchtoverheid faalt in het bewijs van tuchtfeiten.

21. Volgens de laatste memorie bewijst de verklaring van F. D., in stuk 10, dat de indruk van partijdigheid van de algemeen directeur gewettigd is.

Beoordeling

22. Het komt niet aan de Raad van State, als wettigheidsrechter, toe om in de plaats van het bestuur te beoordelen of verzoeker zich al dan niet heeft schuldig gemaakt aan feiten die als deontologisch laakbaar te beschouwen zijn.

Wel dient de Raad van State, voor zoveel verzoeker daaromtrent een voldoende duidelijke, concrete betwisting voert, na te gaan of de tuchtoverheid regelmatig tot haar voorstelling van de feiten is gekomen en of zij die feiten naar recht, inbegrepen naar redelijkheid, als een tuchtrechtelijke tekortkoming mocht kwalificeren.

23. In zoverre verzoeker zich ook in dit derde middel beklaagt over het gebrek “aan enige duidelijkheid omtrent de beweerde tuchtfeiten”, wordt verwezen naar de beoordeling van het tweede middel. Deze beoordeling wijst uit dat de grief in verband met de onduidelijkheid niet kan worden bijgevallen.

X-16.672-12/18

24. Wat het tekort aan een toereikend onderzoek à charge en à décharge betreft, wordt in de bestreden beslissing geargumenteerd:

“Vooreerst moet opgemerkt worden dat het dossier wel een onderzoek à charge en à décharge omvat. Immers, alle gunstige evaluaties van Gust Wijnants worden bijgevoegd en in het dossier is op verschillende plaatsen te lezen dat Gust Wijnants de crematies correct en zorgvuldig uitvoert (pagina 5 tuchtverslag). Zijn technisch werk is in orde en geeft ook geen aanleiding tot problemen. Daar tegenover staat dat hij een houding aanneemt en kritische opmerkingen formuleert naar leidinggevenden, klanten en nabestaanden die onaanvaardbaar zijn.”

25. De Raad van State deelt niet de zienswijze van verzoeker dat deze redengeving tegenstrijdig is.

Het is niet omdat verzoeker in het verleden gunstig geëvalueerd werd en omdat er geen opmerkingen zijn met betrekking tot zijn technisch werk, dat de bestreden beslissing onterecht de in het tuchtverslag opgesomde recente feiten met betrekking tot zijn houding en opmerkingen ten aanzien van leidinggevenden, klanten en nabestaanden, in aanmerking heeft genomen. Het een is zonder verband met het ander.

26. Voorts maakt verzoeker het beweerde gebrek aan een grondig onderzoek à charge en à décharge niet aannemelijk door de zogenaamd subjectieve en ontoelaatbare “aanvangswoorden van het verslag” te citeren, te weten:

“Bij mijn indiensttreding in 2013 heb ik onmiddellijk de negatieve sfeer opgemerkt die in het crematorium van Turnhout aanwezig was.”

Die woorden komen niet in het tuchtverslag voor, maar in een nota van 2 maart 2016 over het “werkklimaat technische dienst/ovenoperatoren crematorium Turnhout 2013-2016”. Voorts betreffen ze de verstandhouding tussen de werknemers van de verwerende partij te Turnhout en “de collega’s uit Antwerpen”. Die verstandhouding doet in de tuchtprocedure tegen verzoeker niet ter zake.

X-16.672-13/18

27. Ook de eind 2016 en begin 2017 gedateerde getuigenissen die verzoeker als zijn stuk 10 bij de memorie van wederantwoord voegt, vermogen niet het gebrek aan een grondig onderzoek te staven.

De verwerende partij heeft er verzoeker in de oproepingsbrief van 9 maart 2016 naar de hoorzitting uitdrukkelijk op geattendeerd dat hij het recht had om het horen van getuigen te vragen.

De reden om niettemin pas in de loop van de procedure voor de Raad van State de betrokken getuigen en getuigenissen aan te voeren, is volgens verzoeker dat hij bij gebrek aan duidelijkheid over de tuchtfeiten waarvoor hij zich te verantwoorden had, niet eerder het gepaste verweer kon voeren.

Die uitleg is een vals voorwendsel. Hij kan, zoals sub randnummer 16 gezien, niet worden gevolgd.

28. Voor het overige komt de kritiek in het middel – zoals dit middel in het verzoekschrift is geformuleerd – wezenlijk hierop neer dat er geen sprake kan zijn van tuchtfeiten gelet op de stukken die verzoeker op de hoorzitting van 24 maart 2016 heeft bijgebracht en die getuigen van zijn zeer positieve samenwerking met talloze begrafenisondernemers.

In de bestreden beslissing wordt hieromtrent overwogen:

“De waarden van Pontes streven o.a. naar een positieve instelling van de medewerker, een neutrale, correcte en objectieve dienstverlening en servicegerichtheid. Dit betekent niet dat men een goede relatie moet hebben met de meeste klanten, maar er wordt wel degelijk verwacht dat ALLE

klanten op dezelfde objectieve en klantgerichte wijze worden geholpen. Het is niet aanvaardbaar dat men vriendelijk is t.a.v. een aantal klanten terwijl men andere klanten [bekritiseert], zich onbeleefd uitlaat of weigert te helpen. De bijgebrachte stukken kunnen geen afbreuk doen aan de moeilijke verhouding met de uitvaartondernemers die betrokken zijn bij de klachten vermeld in het tuchtverslag.”

Verzoeker doet niet aannemen dat die motieven de grenzen van de redelijkheid te buiten gaan of anderszins onwettig zijn.

X-16.672-14/18

29. In zoverre verzoeker ter staving van die onwettigheid voor het eerst met zijn memorie van wederantwoord de getuigenissen van eind 2016 en begin 2017 aanvoert die hij als zijn nieuw stuk 10 toevoegt, wordt vastgesteld dat het om getuigenissen gaat waarmee de verwerende partij bij het nemen van haar beslissing van 20 mei 2016 geen rekening heeft kunnen en moeten houden.

30. Ten slotte blijkt verzoeker de grief van het gebrek aan “een onpartijdig onderzoek” in het verzoekschrift exclusief verbonden te hebben aan het gebrek aan “een grondig onderzoek à charge en à décharge”. Evenwel geeft hij er in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie een geheel nieuwe wending aan: een verklaring van F. D., “ex-diensthoofd technici Pontes Turnhout”, zou uitwijzen dat de algemeen directeur vooringenomen was en tot enig doel had zich van verzoeker te ontdoen.

Ten minste is de Raad van State van oordeel dat deze nieuwe invulling een nieuwe grief uitmaakt. Ze is vanwege haar tardiviteit onontvankelijk.

31. Het derde middel wordt verworpen.

D. Vierde middel

Standpunt van verzoeker

32. Volgens een vierde middel is er sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel en van machtsafwending: “[d]oordat: het ontslag van ambtswege een straf is waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid deze in dit geval zou opleggen, [en] de tuchtoverheid deze straf enkel oplegde omdat zij van verzoeker ‘af wil’”.

De sanctie is te zwaar en disproportioneel. Klaarblijkelijk wilde de verwerende partij de financiële gevolgen vermijden van een vervroegde

X-16.672-15/18

vrijwillige uitdiensttreding, waar verzoeker nog maar een paar maanden van verwijderd was.

Beoordeling

33. Uit de bespreking van verzoekers eerste drie middelen volgt dat hij er niet van kan overtuigen dat het tuchtdossier tegen hem “geënsceneerd” zou zijn en dat de algemeen directeur in de bestreden beslissing ten onrechte van oordeel is geweest dat de recente feiten sedert 26 augustus 2015 verantwoorden dat er een tuchtmaatregel wordt opgelegd.

34. Aansluitend op dat oordeel is de algemeen directeur op de bladzijden 11 en 12 van de aangevochten beslissing overgegaan tot een omstandige afweging van de omvang van de strafmaat.

In die afweging wordt onder meer de goede uitvoering door verzoeker van zijn technische taken betrokken, evenals zijn blanco tuchtrechtelijk verleden en gunstige evaluaties, maar tevens het feit dat de verstoorde relatie met leidinggevenden en uitvaartondernemers geenszins eenmalig is en een voortdurende situatie betreft. Finaal wordt besloten:

“Alle concrete feiten, argumenten en afwegingen in acht genomen komt de tuchtoverheid bijgevolg tot de conclusie dat – niet alleen een tuchtmaatregel gerechtvaardigd is – maar dat tevens een zware tuchtstraf op zijn plaats is. De concrete en recente feiten zijn ernstig en kaderen in een voortdurende negatieve houding van betrokkene die een abnormale opvolging en bijsturing van leidinggevenden veronderstelt. Nochtans zijn de waarden van Pontes duidelijk en mogen de verwachtingen van het publiek niet worden beschaamd.”

35. Gewis is de opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege zeer zwaar. Dat is evenwel nog geen synoniem van “onevenredig”.

Wat in een concreet geval als een evenredige tuchtstraf kan worden beschouwd, is een aangelegenheid waarover verschillende meningen

X-16.672-16/18

denkbaar zijn die nochtans geacht kunnen worden élk binnen de grenzen van de redelijkheid te blijven.

Om een tuchtstraf vernietigd te zien worden op grond van het evenredigheidsbeginsel is dan ook vereist dat een verzoekende partij doet aannemen dat de verhouding tussen de bestrafte tuchtfeiten en de opgelegde tuchtsanctie de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat.

Te dezen slaagt verzoeker daar niet in.

36. In de besproken omstandigheden kan er bezwaarlijk sprake zijn van machtsafwending. Daartoe ware immers vereist dat de overheid haar bevoegdheid tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang heeft gebruikt voor het nastreven van een ander doel én dat het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden handeling is. Daar is in voorliggend geval niet aan voldaan.

37. Ook het vierde en laatste middel wordt verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep en de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 400 euro en een aan de verwerende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 840 euro.

X-16.672-17/18

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig januari 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-16.672-18/18

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.528