Belgian court dismisses administrative fine appeal regarding overloaded truck weighing accuracy and metrological compliance.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the administrative appeal filed by a logistics company and its driver against a €1,050 fine for overloading a truck. The court found that the automatic axle pressure weigher used was a legally recognized type of instrument and had undergone recent voluntary metrological control, rendering the measurement reliable. Consequently, the court held that the administrative authority acted correctly in imposing the penalty based on the verified weight data.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 3 et seq. of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure in the event of special road transport; The administrative penalty for overloading is valid when the weighing instrument is a legally recognized type and has undergone valid metrological control, as the burden of proof regarding measurement reliability lies with the appellant.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 240.507 van 23 januari 2018
in de zaak A. 218.730/XII-8111
In zake: 1. Franky VAN TORRE
2. de NV VERHELST LOGISTICS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend bij agentschap Wegen en Verkeer t.a.v. Veerle Vanempten Koning Albert II-laan 20/4
1000 Brussel
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 8 maart 2016, strekt tot de nietig-
verklaring van “de beslissing genomen door de Administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer dd. 19 januari 2016, waarbij in graad van beroep, aan eerste verzoeker een administratieve geldboete van 1.050,00 [euro] wordt opgelegd en dit op basis van de […] artikelen 3 e.v. van het Decreet van 3 mei 2013
betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport […], waarvoor tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk werd gesteld”.
XII-8111- 1/8
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december 2017.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Laurens De Brucker, die verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord.
Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 19 maart 2015 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Franky Van Torre, de eerste verzoekende partij, die reed voor rekening van de nv Verhelst Logistics, de tweede verzoekende partij, door de Wegeninspectie gecontroleerd op de gewestweg A10 richting Oostende ter hoogte van Jabbeke. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat het voertuig
XII-8111- 2/8
overladen is. Op as 2 van de trekker bedraagt de overlading 1.182 kg, hetzij 9,8 %.
Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, alinea 1 en 2 van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeers-
infrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).
3.2. Op 31 maart 2015 wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Brugge met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 14 april 2015 beslist de procureur des Konings dat geen strafvervolging zal worden in gesteld.
3.3. Op 29 juni 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.050 euro op te leggen. De tweede verzoekende partij wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld.
Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
3.4. Op 13 juli 2015 tekenen de verzoekende partijen “verzet” aan tegen die beslissing.
Op 1 oktober 2015 heeft een hoorzitting plaats. Naar aanleiding van de hoorzitting legt de tweede verzoekende partij een schriftelijke conclusie neer.
Op 13 oktober 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.050 euro op te leggen, de tweede verzoekende partij wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld. Deze beslissing wordt met een op 14 oktober 2015 aangetekende brief aan de verzoekende partijen, die woonplaats kozen bij hun raadsman, ter kennis gebracht.
XII-8111- 3/8
3.5. Op 30 oktober 2015 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken.
Op 10 december 2015 heeft een hoorzitting plaats. De tweede verzoekende partij dient opnieuw een schriftelijke conclusie in.
Op 19 januari 2016 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 1.050 euro en de tweede verzoekende partij burger-
rechtelijk aansprakelijk te stellen. Die beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4.1. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport.
De verzoekende partijen betogen dat artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport termijnen bevat waarbinnen de administratie “het verzet” respectievelijk het beroep tegen het opleggen van een administratieve geldboete dient te behandelen, dat de termijn in beide gevallen uitdrukkelijk is voorgeschreven op straffe van verval van de administratieve geldboete en dat “[g]ezien de termijnen niet werden gerespecteerd”, de administratieve geldboete dient te worden vernietigd.
XII-8111- 4/8
4.2. In de memorie van wederantwoord “volharden” de verzoekende partijen “in het geformuleerde middel”.
Beoordeling
4.3. Er dient te worden vastgesteld dat het middel niet ontvankelijk is nu het is beperkt tot de blote bewering dat “de termijnen niet werden gerespecteerd” en aldus niet concreet aangeeft op welke wijze de bepalingen van artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport, zouden zijn geschonden. Bovendien hebben de verzoekende partijen niet gereageerd op de omstandige toelichting van de verwerende partij in de memorie van antwoord, waarin met verwijzing naar de stukken van het administratief dossier, concreet wordt uiteengezet op welke wijze de door het voormelde artikel 19, §§ 2 en 3, van het voormelde decreet opgelegde vervaltermijnen wel werden gerespecteerd.
4.4. Het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
4.5. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van “art. VIII.43 WER en het KB van 28 september 2010
betreffende de automatische weegwerktuigen”.
De verzoekende partijen betogen dat de automatische asdrukweger waarmee de inbreuk werd vastgesteld niet werd geijkt. Nochtans vereist het volgens de verzoekende partijen toepasselijk koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’ dat auto-
matische meetwerktuigen die gebruikt worden in het kader van de openbare veiligheid en de openbare orde, onderworpen worden aan ijking en technische controle. Aangezien de te dezen gebruikte asweger niet voldoet aan de vereisten
XII-8111- 5/8
van dit koninklijk besluit, menen de verzoekende partijen dat de gebruikte asdrukweger niet mocht worden aangewend bij de controle op de naleving van het “aslastendecreet”.
Met betrekking tot het verslag van metrologische controle dat door de verwerende partij naar voor kan worden gebracht, merken de verzoekende partijen op dat dit geen ijkingsverslag is zoals voorzien in de regelgeving. Zij wijzen ook op de vermelding in het verslag: “In geval van twijfel moeten de wegingen uitgevoerd worden op een geijkt weegwerktuig”. De weging met een asdrukweger betreft een 100 % automatische technische vaststelling waarbij de verbalisanten zelf niet vaststellen maar dit overlaten aan de computer. De weegbon, die het enige bewijs van de overlading is dat in deze wordt voorgelegd, is puur het product van de automatische weging. De weegresultaten kunnen dan ook niet als wettige resultaten worden aanvaard.
4.6. In de memorie van wederantwoord blijft het antwoord van de verwerende partij dat het geschonden geachte koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’ niet van toepassing is, onbesproken, en “volharden” de verzoekende partijen zonder meer “in het geformuleerde middel”.
Beoordeling
4.7. De Raad van State heeft reeds in talrijke arresten gewezen dat er niet in een wettelijke regeling is voorzien inzake de ijking van automatische asdrukwegers die worden gebruikt met het oog op de vaststelling van inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport. Zoals de verwerende partij aangeeft, heeft de bijlage MI-006 bij het koninklijk besluit van 13 juni 2006 ‘betreffende meet-
instrumenten’, zoals van kracht op het ogenblik van de kwestieuze weging, slechts betrekking op vijf types van automatische weegwerktuigen, te weten:
1. automatische vangwegers;
2. automatische doseerweegwerktuigen;
XII-8111- 6/8
3. discontinu totaliserende weegwerktuigen;
4. continu totaliserende bandwegers; en 5. automatische spoorwegweegbruggen.
Dezelfde types van automatische weegwerktuigen worden ook opgesomd in de bijlage bij het koninklijk besluit van 28 september 2010
‘betreffende de automatische weegwerktuigen’, waarin per type weegwerktuig de voorschriften zijn opgenomen waaraan de automatische weegwerktuigen moeten voldoen om het aanvaardingsmerk bij de herijk en de technische controle te ontvangen (zie artikel 2 van het vermelde koninklijk besluit). Het verweer dat de betreffende asdrukwegers niet onder deze specifieke types van weegwerktuigen worden vermeld, wordt door de verzoekende partijen niet betwist en kan worden bijgevallen. De verzoekende partijen tonen in de gegeven omstandigheden niet aan dat de automatische asdrukwegers onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’.
4.8. Bovendien kan in ieder geval ook worden vastgesteld dat de betreffende asdrukweger met serienummer 005417 op 25 november 2014, dit is iets minder dan vier maanden voorafgaand aan de uitvoering van de weging, werd onderworpen aan een vrijwillige metrologische controle uitgevoerd door de federale overheidsdienst economie. De verzoekende partijen brengen geen gegevens aan die eraan doen twijfelen dat een controle op vrijwillige basis door de metrologische dienst, waarvan de bevoegdheid en kunde ter zake niet in vraag worden gesteld, minder zekerheid zou verschaffen omtrent de correctheid van een uitgevoerde weging dan in geval van een bij wet voorziene ijking. De Raad van State ziet zulks evenmin spontaan in. In de mate dat de verzoekende partijen stellen dat in het metrologisch verslag zou worden aangegeven dat in geval van twijfel de wegingen uitgevoerd moeten worden op een geijkt weegwerktuig, zetten zij geenszins uiteen waarom er te dezen sprake zou kunnen zijn geweest van twijfel, noch tonen zij concreet aan waarom de meetresultaten niet de vereiste betrouwbaarheid zouden vertonen.
XII-8111- 7/8
4.9. De verzoekende partijen zetten voorts niet uiteen op welke wijze artikel VIII.43, van het Wetboek van Economisch Recht zou zijn geschonden, nu deze bepaling een meting betreft in het economisch verkeer die tot doel heeft de hoeveelheid van enig goed of de hoegrootheid van een dienst te bepalen.
4.10. Het middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 januari 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.
De griffier De voorzitter
Greta Scheveneels Johan Bovin
XII-8111- 8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.507