Flemish Court of State dismisses appeal against fine imposed on truck driver, not the company, for overloading. The court rejects the argument that the company cannot be negligent. The administrative penalty was correctly issued against the individual driver. The company is only civilly liable for the fine. The court finds the company's lack of negligence irrelevant to the administrative penalty. The administrative penalty was correctly issued against the individual driver. The company is only civilly liable for the fine. The court finds the company's lack of negligence irrelevant to the administrative penalty.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Flemish Court of State dismissed the appeal filed by a truck driver and his employer against an administrative fine of 4,500 euros imposed for overloading a vehicle. The driver argued that the company could not be negligent since the driver alone failed to redistribute the cargo, while the company contended it should bear the penalty. The court ruled that the administrative fine was correctly issued against the individual driver, as the company is only civilly liable for the fine under the relevant decree. Consequently, the company's alleged lack of negligence was deemed irrelevant to the administrative penalty, and the appeal was rejected.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 3 and 17 of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure in the event of special road transport; The administrative penalty for overloading is imposed on the individual driver, not the company, and the company's lack of negligence does not negate the driver's fault.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 240.504 van 23 januari 2018
in de zaak A. 218.747/XII-8115
In zake: 1. Vincent LANSSENS
2. de NV TRANSPORT DE RUDDER
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend bij agentschap Wegen en Verkeer t.a.v. Veerle Vanempten Koning Albert II-laan 20/4
1000 Brussel
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 10 maart 2016, strekt tot de nietig-
verklaring van “de beslissing genomen door de Administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer dd. 26 januari 2016, waarbij in graad van beroep, aan eerste verzoeker een administratieve geldboete van 4.500,00 [euro] wordt opgelegd en dit op basis van de […] artikelen 3 e.v. van het Decreet van 3 mei 2013
betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport […] en waarvoor tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk werd gesteld”.
XII-8115- 1/7
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december 2017.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Laurens De Brucker, die verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord.
Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 1 april 2015 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Vincent Lanssens, de eerste verzoekende partij, die reed voor rekening van de bvba Desatrans, die in alle rechten en plichten werd overgenomen door de nv Transport De Rudder, de tweede verzoekende partij, door de Wegeninspectie gecontroleerd op de gewestweg E17 richting Kortrijk ter hoogte van Kruishoutem.
XII-8115- 2/7
Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op as 1 van de trekker bedraagt de overlading 524 kg, hetzij 7,4 %, op as 2 van de trekker bedraagt de overlading 3.879 kg, hetzij 32,3 %. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, alinea 1 en 2 van het decreet van 3 mei 2013
‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).
3.2. Op 29 april 2015 wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Oudenaarde met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 4 mei 2015 beslist de procureur des Konings dat geen strafvervolging zal worden in gesteld.
3.3. Op 13 juli 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen. De tweede verzoekende partij wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld.
Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
3.4. Op 30 juli 2015 tekenen de verzoekende partijen “verzet” aan tegen die beslissing.
Op 16 september 2015 heeft een hoorzitting plaats. Naar aanleiding van de hoorzitting legt de tweede verzoekende partij een schriftelijke conclusie neer.
Op 1 oktober 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen, de tweede verzoekende partij wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld. Deze beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen, die woonplaats kozen bij hun raadsman, ter kennis gebracht.
XII-8115- 3/7
3.5. Op 22 oktober 2015 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken.
Op 10 december 2015 heeft een hoorzitting plaats. De tweede verzoekende partij dient opnieuw een schriftelijke conclusie in.
Op 26 januari 2016 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 4.500 euro en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen. Die beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4.1. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport.
De verzoekende partijen betogen dat artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport termijnen bevat waarbinnen de administratie “het verzet” respectievelijk het beroep tegen het opleggen van een administratieve geldboete dient te behandelen, dat de termijn in beide gevallen uitdrukkelijk is voorgeschreven op straffe van verval van de administratieve geldboete en dat “[g]ezien de termijnen niet werden gerespecteerd”, de administratieve geldboete dient te worden vernietigd.
XII-8115- 4/7
4.2. In de memorie van wederantwoord “volharden” de verzoekende partijen “in het geformuleerde middel”.
Beoordeling
4.3. Er dient te worden vastgesteld dat het middel niet ontvankelijk is nu het is beperkt tot de blote bewering dat “de termijnen niet werden gerespecteerd”, en aldus niet concreet aangeeft op welke wijze bepalingen van artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport, zouden zijn geschonden. Bovendien hebben de verzoekende partijen niet gereageerd op de omstandige toelichting van de verwerende partij in de memorie van antwoord, waarin met verwijzing naar de stukken van het administratief dossier, concreet wordt uiteengezet op welke wijze de door het voormelde artikel 19, §§ 2 en 3, van het voormelde decreet opgelegde vervaltermijnen wel werden gerespecteerd.
4.4. Het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
4.5. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen “de ondeugdelijke motivering wat het moreel bestanddeel van de inbreuk betreft” aan.
De verzoekende partijen betogen met verwijzen naar een arrest van het Hof van Cassatie van 8 oktober 2002 dat wanneer de wet bij een delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt. Met verwijzing naar een arrest van het Hof van Cassatie van 2 november 2004 menen de verzoekende partijen dat zich te dezen de vraag stelt of er sprake kan zijn van onachtzaamheid in hoofde van de rechtspersoon. Volgens de verzoekende partijen
XII-8115- 5/7
is het echter onmogelijk voor een rechtspersoon om op het ogenblik van de controle onachtzame handelingen te stellen, wanneer een deellading wordt gelost door de chauffeur-werknemer en deze heeft nagelaten de lading te herschikken.
4.6. In de memorie van wederantwoord “volharden” de verzoekende partijen zonder meer “in het geformuleerde middel”.
Beoordeling
4.7. In de conclusies die de verzoekende partijen neerlegden in de beroepsprocedure gericht tegen de beslissing van de wegenispecteur-controleur van 1 oktober 2015 voerden zij reeds identiek dezelfde grief aan die zij nu formuleren in hun tweede middel. In de bestreden beslissing wordt met betrekking tot het moreel bestanddeel van de inbreuk vastgesteld dat “[d]e boete werd opgelegd aan de chauffeur en niet aan de onderneming. De onderneming werd wel burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de inbreuk van zijn aangestelde”.
Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat in de bestreden beslissing de administratieve geldboete wordt opgelegd aan de chauffeur van de vrachtwagen, de eerste verzoekende partij, en niet aan de rechtspersoon voor wie de chauffeur het transport uitvoerde. Zoals uitdrukkelijk vermeld in de bestreden beslissing is de rechtspersoon/onderneming slechts burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboete, opgelegd aan haar organen en aan de personen voor wie ze overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is, zoals bepaald in artikel 17, § 5, van het decreet bijzonder wegtransport. Hiermee werd het argument dat door de verzoekende partijen in beroep werd aangedragen in de bestreden beslissing op afdoende wijze weerlegd. Aangezien de rechtspersoon niet als overtreder werd aangeduid, is de grief die de verzoekende partijen in huidige procedure opnieuw aanvoeren en die erin bestaat dat er in hoofde van de rechtspersoon geen sprake kan zijn van onachtzaam handelen, zodat de schuld niet vaststaat en er niet voldaan is aan één van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf van overlading, niet
XII-8115- 6/7
relevant. De verzoekende partijen ontkennen in hun grief geenszins het bestaan van onachtzaam handelen in hoofde van de chauffeur, aan wie de overtreding wordt toegerekend.
4.8. Het middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 januari 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.
De griffier De voorzitter
Greta Scheveneels Johan Bovin
XII-8115- 7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.504