Court dismisses appeal against administrative fine for road damage due to vehicle overloading negligence.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the company's appeal against a €1,050 administrative fine imposed for overloading a truck, which caused road damage. The court found that the company failed to prove it was in an insurmountable impossibility to prevent the violation, establishing liability through negligence rather than intent. Consequently, the appeal was dismissed, and the company was ordered to pay the associated legal costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 3, second paragraph, and 10 of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure in the event of special road transport; Liability for administrative fines for road damage due to overloading is established when the addressee fails to take necessary precautions, provided they are not in an insurmountable impossibility to prevent the violation.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 240.486 van 19 januari 2018
in de zaak A. 216.665/XII-8031
In zake: de BVBA EDK TRANS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend bij agentschap Wegen en Verkeer t.a.v. Veerle Vanempten Koning Albert II-laan 20/4
1000 Brussel
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 4 augustus 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaamse Gewest van 8 juni 2015 om de bvba EDK Trans een administratieve geldboete van 1.050 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld.
XII-8031-1/17
De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2017.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Inge Van Den Dorpel, die loco advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle verschijnt voor de verzoekende partij, en adjunct van de directeur-jurist Veerle Vanempten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 19 juni 2014 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Eric De Keukeleire, zaakvoerder van de verzoekende partij, door de Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg A18 te Jabbeke. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de oplegger overladen is op de eerste as met 1.163 kg en op de tweede as met 1.299 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013
‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).
3.2. Op 24 juli 2014 wordt meegedeeld dat de procureur des Konings geen strafvervolging zal instellen.
3.3. Op 14 oktober 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.050 euro op te
XII-8031-2/17
leggen. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
3.4. Op 23 oktober 2014 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing.
Op 9 februari 2015 vindt een hoorzitting plaats.
Op 16 februari 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.050 euro op te leggen. Deze beslissing wordt met een op 17 februari 2015 aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
3.5. Op 4 maart 2015 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken.
Op 16 april 2015 vindt een hoorzitting in beroep plaats.
Op 8 juni 2015 beslist de administrateur-generaal van het agent-
schap Wegen en Verkeer aan de verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 1.050 euro. Die beslissing wordt met een aangetekende brief van diezelfde dag aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport.
XII-8031-3/17
Zij wijst erop dat deze bepalingen vervaltermijnen bevatten voor het opleggen van de administratieve geldboete na “verzet” en in beroep.
Volgens de verzoekende partij werden die termijnen niet gerespecteerd.
5. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie “volhardt” de verzoekende partij “in het geformuleerde middel”.
Beoordeling
6. Het middel is niet ontvankelijk nu het is beperkt tot de blote bewering dat de termijnen niet werden gerespecteerd, en er aldus niet concreet wordt aangeven op welke wijze de vervaltermijnen, opgelegd door artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport, zouden zijn geschonden.
Bovendien heeft de verzoekende partij niet gereageerd op de omstandige repliek van de verwerende partij in de memorie van antwoord waarin concreet wordt uiteengezet op welke wijze de door het voormelde artikel 19, §§ 2 en 3, opgelegde vervaltermijnen wel werden gerespecteerd.
7. Het eerste middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
8. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van artikel 6 van het verdrag van 4 november 1950 ‘tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden’ (hierna: EVRM).
De verzoekende partij stelt dat de administratieve geldboete die wordt opgelegd wegens inbreuken op het decreet van 19 december 1998
‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’ (hierna: het aslastendecreet) een straf is in de zin van artikel 6 EVRM. Volgens de verzoekende partij voldoet de bestreden beslissing op verschillende punten niet aan de vereisten van artikel 6 EVRM.
XII-8031-4/17
De verzoekende partij is in de eerste plaats van mening dat de bestreden beslissing artikel 6, § 3, (c), juncto artikel 6, § 1, EVRM schendt, doordat de vrachtwagenbestuurder zich bij het verhoor door de wegeninspecteurs niet kon laten bijstaan door een advocaat. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) – meer bepaald het arrest van 27 november 2008 in de zaak Salduz t. Turkije – leidt de verzoekende partij af dat de verdachte vanaf het eerste verhoor moet worden bijgestaan door een advocaat en de rechten van verdediging onherstelbaar geschaad worden wanneer in een strafprocedure gebruikgemaakt wordt van incriminerende verklaringen die zonder de bijstand van een advocaat werden afgelegd. Bovendien had de wegeninspectie de vrachtwagenbestuurder vóór het verhoor moeten informeren over zijn recht om te zwijgen en zijn recht op bijstand van een advocaat (“cautieplicht”). De verdachte kan geen afstand doen van zijn recht op bijstand van een advocaat, zonder vooraf over zijn rechten te zijn geïnformeerd. De verzoekende partij wijst er voorts op dat de rechtspraak van het EHRM bindend is en rechtstreekse werking heeft. In een arrest van 13 oktober 2009 in de zaak Dayanan t. Turkije is het EHRM nog een stap verder gegaan, aangezien het Hof daarin tot een schending van artikel 6, § 3, (c), juncto artikel 6, § 1, EVRM besloot wegens afwezigheid van de toegang tot een advocaat bij het verhoor, hoewel de betrokkene geen voor hem belastende verklaringen had afgelegd. Uit dit arrest leidt de verzoekende partij af dat wanneer de vrachtwagenbestuurder zich niet door een advocaat kon laten bijstaan en niet aan de cautieplicht is voldaan, geen administratieve geldboete kan worden opgelegd. De verzoekende partij is bovendien van mening dat de argumenten die in de bestreden beslissing worden aangevoerd om de argumentatie van de verzoekende partij te verwerpen niet overtuigend zijn. In de bestreden beslissing wordt immers ten onrechte gesteld dat de vrachtwagenbestuurder niet gearresteerd was of formeel verhoord werd.
De rechtspraak van het EHRM maakt immers geen onderscheid tussen ver-
schillende categorieën van verhoor en de vrachtwagenbestuurder legde een verklaring af die in het kader van de strafprocedure en de bestuurlijke procedure als bewijs kon worden gebruikt. Vervolgens is het argument dat de vrachtwagen-
bestuurder de mogelijkheid had om beroep te doen op juridische bijstand onjuist, omdat niet aan de cautieplicht was voldaan en de vrachtwagenbestuurder bijgevolg niet met kennis van zaken een verklaring kon afleggen. Ten slotte wijst de verzoekende partij ook het argument af dat de beslissing niet op de
XII-8031-5/17
verklaringen van de vrachtwagenbestuurder gesteund was, aangezien de vraag of die verklaringen bij de bestreden beslissing hebben doorgewogen in het licht van het arrest Dayanan naast de kwestie is, wanneer blijkt dat het recht op bijstand van een advocaat en de cautieplicht werden geschonden.
Vervolgens voert de verzoekende partij aan dat artikel 6, § 1, EVRM werd geschonden, doordat haar het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie werd ontzegd. Uit een arrest van 11 juni 1986
van het Hof van Cassatie moet volgens de verzoekende partij worden afgeleid dat de rechten die door artikel 6 EVRM worden gewaarborgd niet alleen gelden bij het opleggen van de strafsanctie, maar ook tijdens het onderzoek. De wegen-
inspecteurs kunnen echter niet als onpartijdig en onafhankelijk worden beschouwd. Bovendien zijn ook de wegeninspecteur-controleur en de minister geen onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. Ten slotte kan ook de Raad van State niet als een volwaardige rechtsmacht in de zin van artikel 6
EVRM worden beschouwd, aangezien deze enkel over een vernietigings-
bevoegdheid beschikt en geen volle rechtsmacht heeft. Zo hierover twijfel bestaat, dient volgens de verzoekende partij een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te worden gesteld.
De verzoekende partij is voorts van mening dat artikel 6, § 1, EVRM wordt geschonden doordat de bestuurlijke procedure bij het opleggen van de administratieve geldboete niet openbaar is.
Ten slotte stelt de verzoekende partij dat artikel 6, § 3, (d), EVRM werd geschonden, doordat bij de procedure tot het opleggen van de administratieve geldboete geen mogelijkheid bestaat om getuigen te ondervragen.
Volgens de verzoekende partij wordt in de bestreden beslissing naast de kwestie geantwoord dat niet werd gevraagd om een getuige te horen. Aangezien er daaromtrent niets in het aslastendecreet is geregeld, is het immers volgens de verzoekende partij niet mogelijk om getuigen te horen.
9. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat artikel 6, § 3, (c), juncto artikel 6, § 1, EVRM werd geschonden, door-
dat de vrachtwagenbestuurder zich bij het verhoor niet door een advocaat kon
XII-8031-6/17
laten bijstaan. Hoewel de vrachtwagenbestuurder formeel niet werd gearresteerd, is er volgens de verzoekende partij toch minstens sprake van een feitelijke vrijheidsberoving, zodat hem een effectieve toegang tot een advocaat moest worden verleend.
Wat de grief betreft dat zij geen toegang heeft tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, merkt de verzoekende partij op dat op grond van artikel 60, § 4, van het decreet van 19 december 1998
‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’ (hierna: het aslastendecreet) een vergoeding moet worden betaald om tot het hoger beroep te worden toegelaten en dat aldus een financiële drempel wordt opgeworpen.
Bovendien vertraagt de bestuurlijke fase de mogelijkheid om beroep te doen op een onpartijdige en onafhankelijke instantie, waardoor de bescherming die artikel 6 EVRM biedt, wordt uitgehold.
De verzoekende partij wijst er ten slotte op dat de verwerende partij niet betwist dat de bestuurlijke procedure tot het opleggen van de administratieve geldboete, en in het bijzonder de behandeling van de zaak tijdens de hoorzitting, niet openbaar verloopt. Het aslastendecreet voorziet ook niet in de mogelijkheid om getuigen te ondervragen.
10. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij nog dat er een recht op bijstand bestaat voor alle misdrijven waarvoor een vrijheids-
benemende straf kan worden opgelegd ook al werden de personen niet van hun vrijheid beroofd. Gezien de hoogte van de geldboete in vergelijking tot het inkomen van de vrachtwagenbestuurder, meent zij dat de in deze zaak opgelegde administratieve geldboete wel degelijk een vrijheidsbenemende straf is. In die omstandigheden mocht het recht op bijstand van een advocaat, minstens de mogelijkheid tot het hebben van een voorafgaand vertrouwelijk telefonisch overleg, volgens haar niet onthouden worden. Zij verwijst naar de richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013
‘betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming’,
XII-8031-7/17
die werd omgezet in nationaal recht via de wet van 21 november 2016
‘betreffende bepaalde rechten van personen die worden verhoord’.
Beoordeling
11. De verzoekende partij doet in dit middel samengevat de volgende grieven gelden, die zij poogt in te passen in een miskenning van diverse aspecten van artikel 6 EVRM:
de vrachtwagenbestuurder kon zich bij het eerste verhoor niet laten bijstaan door een advocaat (art. 6, § 3, (c), EVRM juncto art. 6, § 1, EVRM);
er wordt aan de verzoekende partij het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie ontzegd zowel in de bestuurlijke procedure als nadien bij de Raad van State (art. 6, § 1, EVRM);
de bestuurlijke procedure bij het opleggen van de administratieve geldboete is niet openbaar (art. 6, § 1, EVRM);
bij de procedure tot het opleggen van de administratieve geldboete bestaat geen mogelijkheid om getuigen te ondervragen (art. 6, § 3, (d), EVRM).
Elk van de door de verzoekende partij in deze zaak aangevoerde grieven werd in het recente verleden reeds meerdere malen onderzocht door de Raad van State en telkenmale verworpen. Ook de met het onderzoek van de zaak belaste auditeur heeft deze grieven opnieuw in zijn verslag met verwijzing naar rechtspraak van het EHRM, met inbegrip van de rechtspraak waarnaar de verzoekende partij verwijst, het Grondwettelijk Hof, het Hof van Cassatie en de Raad van State op omstandige wijze onderzocht en verworpen. De Raad van State ziet in de huidige zaak geen grond om tot een ander besluit te komen. Er kan dan ook worden geoordeeld zoals volgt.
12. Wat de eerste grief met betrekking tot het recht van de vrachtwagenbestuurder op bijstand van een advocaat bij het eerste zo beweerde “verhoor” tijdens de wegcontrole betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat dit recht niet bij gelijk welke verzameling van inlichtingen en bewijs-
elementen die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, ontstaat, maar slechts bij het effectieve verhoor van een verdachte (EHRM 27 november
XII-8031-8/17
2008, Salduz t. Turkije, nr. 36.391/02, EHRM 13 oktober 2009, Dayanan t.
Turkije, nr. 7.377/03, EHRM 18 februari 2010, Zaichenko t. Rusland, nr. 39.660/02; zie ook GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013, overw. B.5.5 en Cass.
23 november 2010, RW 2011-12, 308-314, concl. P. Duinslaeger).
Te dezen hebben de wegeninspecteurs bij het opstellen van het aanvankelijke proces-verbaal op 19 juni 2014 inlichtingen verzameld onder meer over de aard van het transport en de identiteit van de vrachtwagenbestuurder, die de zaakvoerder is van de verzoekende partij. Zij hebben deze laatste een schriftelijke vragenlijst laten invullen waarin beperkte informatie werd gevraagd en waarbij niet wordt betwist dat de vrachtwagenbestuurder op geen enkel ogenblik van zijn vrijheid werd beroofd en na de wegcontrole mocht beschikken en zijn rit met zijn voertuig kon verder zetten.
Uit het voormelde proces-verbaal blijkt ook dat zij de asoverlading hebben vastgesteld met een door de metrologische dienst gecontroleerde asweger. De overlading an sich wordt door de verzoekende partij niet betwist. Een afschrift van dit proces-verbaal en een vragenlijst werden aan de verzoekende partij toegezonden. De verzoekende partij had aldus de mogelijkheid om een advocaat te raadplegen na ontvangst van deze documenten. Zowel tijdens de bezwaarprocedure als in het georganiseerd administratief beroep mocht de verzoekende partij zich laten bijstaan door een advocaat van haar keuze, van welke bijstand zij ook blijkt te hebben genoten.
Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt bovendien dat het louter de materiële vaststellingen in verband met de overlading zijn die ten grondslag liggen aan de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete.
Uit geen enkel element van het administratief dossier blijkt ten slotte dat er sprake is van enige vorm van misbruik of dwang op de persoon van de bestuurder van het voertuig, zodat deze zich op geen enkel moment tijdens het verloop van de bestuurlijke procedure in een kwetsbare positie bevond.
XII-8031-9/17
Bijgevolg kan niet worden aangenomen dat het loutere feit dat de vrachtwagenbestuurder bij de wegcontrole door de wegeninspecteurs niet reeds de bijstand genoot van een advocaat, volstaat om te oordelen dat artikel 6, § 3, (c), EVRM, dat aan “eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld” het recht verleent “zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman”, zou zijn geschonden.
De eerste grief wordt verworpen.
13. Ook wat de tweede grief betreffende het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie betreft, heeft de Raad van State reeds in talrijke arresten geoordeeld dat artikel 6 EVRM niet vereist dat de bestuurlijke instanties die de overlading vaststellen en de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het bezwaar of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, § 1, EVRM moeten voldoen.
Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de bestuurlijke overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met “volle rechtsmacht”, in de zin waarin het EHRM dat begrip verstaat (EHRM 17 april 2012, Steiniger t. Oostenrijk, nr. 21.539/07, § 46). Tegen de beslissing van de minister kan de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, § 1, EVRM werd ook reeds in talrijke arresten van de Raad van State aangenomen en bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, overw. B.40.1 en overw. B.40.2; Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, nr. 584).
De verzoekende partij vraagt dat een prejudiciële vraag zou worden gesteld, die zij evenwel niet zelf aanbrengt. Gelet onder meer op voornoemde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, is er geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen.
De verzoekende partij voert in haar memorie van wederantwoord aan dat haar recht om zich tot een rechter te wenden, wordt belemmerd door de financiële drempel bepaald in artikel 60, § 4, laatste lid, van
XII-8031-10/17
het aslastendecreet en dat de mogelijkheid tot uitoefening van dat recht bovendien wordt vertraagd door de verplichting om vooraf een administratief beroep in te stellen.
Daargelaten de ontvankelijkheid van deze pas in de memorie van wederantwoord aangebrachte subgrieven en de onjuiste verwijzing naar de reeds opgeheven bepalingen van het aslastendecreet, volstaat het vast te stellen dat het door artikel 6, § 1, EVRM gewaarborgde recht van toegang tot een rechter niet inhoudt dat een verzoekende partij aan geen enkele voorwaarde om in rechte te treden mag worden onderworpen. Een financiële drempel is op zich niet onverenigbaar met dat recht. Blijkens het op de voorliggende zaak van toepassing zijnde artikel 19, § 4, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport is het beroep bij de Vlaamse regering slechts ontvankelijk als blijkt dat de betrokkene een vergoeding voor dossierkosten heeft betaald. Deze vergoeding bedraagt 75 euro. Een dergelijke beperkte vergoeding kan niet worden aangemerkt als een onoverkomelijke financiële drempel die de verzoekende partij zou verhinderen om op te komen voor haar rechten. Voormelde vergoeding is evenmin buiten verhouding tot het ermee nagestreefde doel: namelijk een vergoeding voor de dossierkosten. Bovendien bepaalt artikel 19 van het decreet bijzonder wegtransport uitdrukkelijk dat de vergoeding “altijd [zal] worden terugbetaald als de administratieve boete volledig vervalt nadat het beroep is ingesteld”. Het recht op toegang tot de rechter wordt door de betrokken dossierkostenvergoeding aldus geenszins belemmerd.
Artikel 19 van het decreet bijzonder wegtransport voorziet voorts in voldoende waarborgen opdat de bestuurlijke procedure met de vereiste spoed zou worden afgehandeld en het recht op toegang tot de rechter niet nodeloos wordt belemmerd. Wanneer tegen de aanvankelijke beslissing van de wegeninspecteur-controleur bezwaar wordt ingesteld en vervolgens tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur beroep bij de Vlaamse regering wordt ingesteld, wordt de beslissing waarbij de administratieve geldboete werd opgelegd, geschorst. De administratieve geldboete vervalt stilzwijgend indien de beslissing na bezwaar van de wegeninspecteur-controleur niet binnen dertig dagen na de hoorzitting aan de overtreder wordt meegedeeld. Hetzelfde geldt indien de beslissing in beroep van de bevoegde minister niet binnen vier maanden
XII-8031-11/17
na het instellen van het beroep aan de overtreder wordt meegedeeld.
De argumenten van de verzoekende partij in verband met het belemmeren van het recht om zich tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie te wenden, missen aldus feitelijke grondslag.
De tweede grief wordt verworpen.
14. Wat de derde grief betreft dat de bestuurlijke procedure niet openbaar is, kan worden volstaan met de vaststelling dat bij de Raad van State de openbare behandeling gegarandeerd is.
15. Ten slotte kan worden vastgesteld dat niet blijkt welk belang de verzoekende partij heeft bij de vierde grief dat zij niet over de mogelijkheid zou beschikken om getuigen te verhoren. Uit het administratief dossier blijkt immers niet dat de vrachtwagenbestuurder of de verzoekende partij zelf zou hebben verzocht om het horen van getuigen, laat staan dat een dergelijk verzoek door de verwerende partij zou zijn geweigerd. Bovendien sluit artikel 19 van het decreet bijzonder wegtransport niet uit dat in de bestuurlijke procedure getuigen zouden worden gehoord indien dit noodzakelijk zou blijken.
De derde en vierde grief worden verworpen.
16. Het tweede middel wordt verworpen.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
17. De verzoekende partij voert in een derde middel aan dat de inbreuk niet aan haar toerekenbaar is. Als rechtspersoon kan zij zich immers niet op de openbare weg bevinden, zodat niet valt in te zien hoe zij een inbreuk op artikel 56 van het aslastendecreet kan hebben begaan. Volgens de verzoekende partij wordt in de bestreden beslissing ten onrechte verwezen naar artikel 5 van het Strafwetboek. Die bepaling kan immers niet worden toegepast in het kader
XII-8031-12/17
van een bestuurlijke procedure en is door het aslastendecreet niet van toepassing verklaard.
De verzoekende partij laat voorts gelden dat, zelfs indien zou worden aangenomen dat zij als rechtspersoon aanspreekbaar zou zijn in het kader van het aslastendecreet, het moreel bestanddeel van het misdrijf moet worden bewezen. Ter zake wordt in de bestreden beslissing gesteld dat uit het dossier niet blijkt dat zij voldoende maatregelen heeft genomen om de overlading te vermijden. Volgens de verzoekende partij wordt de bewijslast aldus op onwettige wijze omgekeerd.
De verzoekende partij vervolgt dat in de bestreden beslissing ten onrechte gesteld wordt dat zij nalatig was omdat zij de vrachtwagen-
bestuurder geen middelen ter beschikking heeft gesteld om de massa van het voertuig te meten. Er bestaat immers geen wettelijke of reglementaire verplichting om de vrachtwagenbestuurder weegmiddelen ter beschikking te stellen. Het niet ter beschikking stellen van weegmiddelen kan dan ook niet als een bewijs van haar nalatigheid worden beschouwd.
18. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie “volhardt” de verzoekende partij “in het geformuleerde middel”.
Beoordeling
19. In zoverre het middel berust op de schending van een opgeheven decreetsbepaling – het aslastendecreet was opgeheven toen de inbreuk werd vastgesteld op 19 juni 2014 – wordt het als niet-ontvankelijk verworpen.
20. De in dit middel aangevoerde grief inzake de toerekenbaarheid van het overladingsmisdrijf aan een rechtspersoon werd in het verleden reeds meerdere malen verworpen door de Raad van State. De Raad van State ziet in de huidige zaak geen grond om tot een ander besluit te komen. In zoverre het middel zou kunnen worden geacht betrekking te hebben op het te dezen toepasselijke artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport, wordt dan ook geoordeeld zoals volgt.
XII-8031-13/17
21. Luidens artikel 2, 3°, van het decreet bijzonder wegtransport dient onder een “overtreder” te worden verstaan de “natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inbreuk pleegt op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan”.
Die bepaling wordt in de memorie van toelichting bij het ontwerpdecreet als volgt verduidelijkt:
“Een aantal begrippen wordt gedefinieerd. Een aantal definities wordt overgenomen uit het Aslastendecreet inzake de strafbepalingen, het toezicht, de administratieve geldboete en procedure.
Met betrekking tot de definitie van overtreder dient te worden verduidelijkt dat onder overtreder zowel de chauffeur van het in overtreding zijnde voertuig als zijn werkgever als de opdrachtgever en de verlader begrepen kan worden.”
Het decreet bijzonder wegtransport bepaalt aldus uitdrukkelijk dat een rechtspersoon een “overtreder” kan zijn. De sanctionering van het overla-
dingsmisdrijf in hoofde van rechtspersonen berust aldus, anders dan de verzoekende partij in dit middel veronderstelt, niet op artikel 5 van het Strafwet-
boek, maar wel rechtstreeks op de bepalingen van het decreet bijzonder wegtransport zelf.
De fysieke onmogelijkheid voor een rechtspersoon om zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden, staat er niet aan in de weg dat aan een rechtspersoon een administratieve geldboete wegens een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport wordt opgelegd. Immers worden de aan de vrachtwagenbestuurder ten laste gelegde feiten aan de rechtspersoon toegerekend. Er wordt niet betwist dat te dezen de bestuurder van het overladen voertuig op het ogenblik van de feiten handelde in naam en voor rekening van de verzoekende partij.
22. Een misdrijf kan aan een rechtspersoon slechts worden toegerekend indien zowel het materieel als het moreel bestanddeel van het misdrijf in haren hoofde bewezen wordt.
XII-8031-14/17
Wat de inbreuk bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport betreft, is niet vereist dat zij wetens en willens werd begaan, de schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat moet worden nagegaan of aan de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten.
Uit de motivering van de bestreden beslissing dat dit aanwezig wordt geacht omwille van de omstandigheid dat de verzoekende partij niet de nodige maatregelen heeft genomen om de inbreuk te voorkomen (Cass. 2 november 2004, AR P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 ).
Nu de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij in de onoverkomelijke onmogelijkheid verkeerde om de asoverlading te voorkomen, mocht de verwerende partij in de bestreden beslissing wettig tot het besluit komen dat het moreel bestanddeel van de inbreuk in hoofde van de verzoekende partij bewezen is.
23. Het derde middel wordt verworpen.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
24. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het vierde middel aan dat het moreel bestanddeel van de inbreuk niet deugdelijk gemotiveerd is, nu in de motivering van de bestreden beslissing alleen een aantal stijlformules worden gehanteerd “dewelke niet voldoen aan de materiële motiveringsplicht, zoals opgelegd door de Wet Motivering Bestuurshandelingen”.
25. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie “volhardt” de verzoekende partij “in het geformuleerde middel”.
XII-8031-15/17
Beoordeling
26. Uit het onderzoek van het derde middel is reeds gebleken dat de verwerende partij, nu de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij in de onoverkomelijke onmogelijkheid verkeerde om de asoverlading te voorkomen, in de bestreden beslissing uit de materiële vaststellingen zelf van de overlading de schuld van de verzoekende partij mocht afleiden.
Het vierde middel bevat geen enkele inhoudelijke kritiek op de betrokken overwegingen, die door de verzoekende partij ten onrechte als “stijlformules” worden afgedaan.
27. Het vierde middel wordt verworpen.
V. Deskundigenonderzoek
28. In het besluit van haar verzoekschrift vraagt de verzoekende partij “een deskundigenonderzoek te bevelen naar de diverse factoren die meespelen bij het ontstaan van wegbeschadiging door overlading”.
29. Er blijkt niet hoe een dergelijk onderzoek noodzakelijk of nuttig zou kunnen zijn bij het onderzoek van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen tot nietigverklaring.
Er is dan ook geen reden om in te gaan op het verzoek om een deskundigenonderzoek te bevelen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
XII-8031-16/17
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 januari 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.
De griffier De voorzitter
Greta Scheveneels Dierk Verbiest
XII-8031-17/17
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.486