Court dismisses appeal against administrative fine for overloading truck and civil liability claim against company.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of State rejected the appeal filed by Tommy Reel and his employer, BVBA Claeys en Zonen, against a 4,500 euro administrative fine for overloading a truck. The parties argued that the administrative procedure lacked proper motivation and violated their right to a fair hearing, but the court found no factual basis for these claims. Consequently, the court upheld the original decision to impose the fine and hold the company civilly liable.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19 of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure in the event of special road transport; The administrative decision imposing a fine for overloading and civil liability is valid if adequately motivated and if the procedural guarantees were respected.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 240.485 van 19 januari 2018
in de zaak A. 216.682/XII-8034
In zake: 1. Tommy REEL
2. de BVBA CLAEYS EN ZONEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend bij agentschap Wegen en Verkeer t.a.v. Veerle Vanempten Koning Albert II-laan 20/4
1000 Brussel
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 4 augustus 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaamse Gewest van 8 juni 2015 om Tommy Reel een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig en de bvba Claeys en Zonen burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze geldboete.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
XII-8034-1/14
Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2017.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Inge Van Den Dorpel, die loco advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle verschijnt voor de verzoekende partijen, en adjunct van de directeur-jurist Veerle Vanempten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 26 mei 2014 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Tommy Reel, de eerste verzoekende partij en werknemer van de tweede verzoekende partij, door de Federale Politie gecontroleerd op de autosnelweg E17
te Kruishoutem. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de oplegger overladen is op de eerste as met 3.842 kg en op de tweede as met 3.774 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastruc-
tuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).
3.2. Op 14 augustus 2014 wordt meegedeeld dat de procureur des Konings geen strafvervolging zal instellen.
XII-8034-2/14
3.3. Op 14 oktober 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete.
3.4. Op 7 november 2014 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen die beslissing.
Op 16 februari 2015 vindt een hoorzitting plaats.
Op 4 maart 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Deze beslissing wordt met een op 5 maart 2015 aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
3.5. Op 18 maart 2015 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse Regering.
Op 19 mei 2015 vindt een hoorzitting in beroep plaats.
Op 8 juni 2015 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangete-
kende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
Dit is de bestreden beslissing.
XII-8034-3/14
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport.
Zij wijzen erop dat deze bepalingen vervaltermijnen bevatten voor het opleggen van de administratieve geldboete na “verzet” en in beroep.
Volgens de verzoekende partijen werden die termijnen niet gerespecteerd.
5. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie “volharden” de verzoekende partijen “in het geformuleerde middel”.
Beoordeling
6. Het middel is niet ontvankelijk nu het is beperkt tot de blote bewering dat de termijnen niet werden gerespecteerd, en er aldus niet concreet wordt aangeven op welke wijze de vervaltermijnen, opgelegd door artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport, zouden zijn geschonden.
Bovendien hebben de verzoekende partijen niet gereageerd op de omstandige repliek van de verwerende partij in de memorie van antwoord waarin concreet wordt uiteengezet op welke wijze de door het voormelde artikel 19, §§ 2 en 3, opgelegde vervaltermijnen wel werden gerespecteerd.
7. Het eerste middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
8. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de
XII-8034-4/14
schending aan van artikel 6 van het verdrag van 4 november 1950 ‘tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden’ (hierna:
EVRM).
De verzoekende partijen stellen dat de administratieve geld-
boete die wordt opgelegd wegens inbreuken op het decreet van 19 december 1998
‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’ (hierna: het aslastendecreet) een straf is in de zin van artikel 6 EVRM. Volgens de verzoekende partijen voldoet de bestreden beslissing op verschillende punten niet aan de vereisten van artikel 6 EVRM.
De verzoekende partijen zijn in de eerste plaats van mening dat de bestreden beslissing artikel 6, § 3, (c), juncto artikel 6, § 1, EVRM schendt, doordat de vrachtwagenbestuurder zich bij het verhoor door de wegeninspecteurs niet kon laten bijstaan door een advocaat. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) – meer bepaald het arrest van 27 november 2008 in de zaak Salduz t. Turkije – leiden de verzoekende partijen af dat de verdachte vanaf het eerste verhoor moet worden bijgestaan door een advocaat en de rechten van verdediging onherstelbaar geschaad worden wanneer in een strafprocedure gebruikgemaakt wordt van incriminerende verklaringen die zonder de bijstand van een advocaat werden afgelegd. Bovendien had de wegeninspectie de vrachtwagenbestuurder vóór het verhoor moeten informeren over zijn recht om te zwijgen en zijn recht op bijstand van een advocaat (“cautieplicht”). De verdachte kan geen afstand doen van zijn recht op bijstand van een advocaat, zonder vooraf over zijn rechten te zijn geïnformeerd. De verzoekende partijen wijzen er voorts op dat de rechtspraak van het EHRM
bindend is en rechtstreekse werking heeft. In een arrest van 13 oktober 2009 in de zaak Dayanan t. Turkije is het EHRM nog een stap verder gegaan, aangezien het Hof daarin tot een schending van artikel 6, § 3, (c), juncto artikel 6, § 1, EVRM
besloot wegens afwezigheid van de toegang tot een advocaat bij het verhoor, hoewel de betrokkene geen voor hem belastende verklaringen had afgelegd. Uit dit arrest leiden de verzoekende partijen af dat wanneer de vrachtwagen-
bestuurder zich niet door een advocaat kon laten bijstaan en niet aan de cautieplicht is voldaan, geen administratieve geldboete kan worden opgelegd. De verzoekende partijen zijn bovendien van mening dat de argumenten die in de
XII-8034-5/14
bestreden beslissing worden aangevoerd om de argumentatie van de verzoekende partijen te verwerpen niet overtuigend zijn. In de bestreden beslissing wordt immers ten onrechte gesteld dat de vrachtwagenbestuurder niet gearresteerd was of formeel verhoord werd. De rechtspraak van het EHRM maakt immers geen onderscheid tussen verschillende categorieën van verhoor en de vrachtwagen-
bestuurder legde een verklaring af die in het kader van de strafprocedure en de bestuurlijke procedure als bewijs kon worden gebruikt. Vervolgens is het argument dat de vrachtwagenbestuurder de mogelijkheid had om beroep te doen op juridische bijstand onjuist, omdat niet aan de cautieplicht was voldaan en de vrachtwagenbestuurder bijgevolg niet met kennis van zaken een verklaring kon afleggen. Ten slotte wijzen de verzoekende partijen ook het argument af dat de beslissing niet op de verklaringen van de vrachtwagenbestuurder gesteund was, aangezien de vraag of die verklaringen bij de bestreden beslissing hebben doorgewogen in het licht van het arrest Dayanan naast de kwestie is, wanneer blijkt dat het recht op bijstand van een advocaat en de cautieplicht werden geschonden.
Vervolgens voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 6, § 1, EVRM werd geschonden, doordat hen het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie werd ontzegd. Uit een arrest van 11 juni 1986 van het Hof van Cassatie moet volgens de verzoekende partijen worden afgeleid dat de rechten die door artikel 6 EVRM worden gewaarborgd niet alleen gelden bij het opleggen van de strafsanctie, maar ook tijdens het onderzoek. De wegeninspecteurs kunnen echter niet als onpartijdig en onafhankelijk worden beschouwd. Bovendien zijn ook de wegeninspecteur-
controleur en de minister geen onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. Ten slotte kan ook de Raad van State niet als een volwaardige rechtsmacht in de zin van artikel 6 EVRM worden beschouwd, aangezien deze enkel over een vernietigingsbevoegdheid beschikt en geen volle rechtsmacht heeft. Zo hierover twijfel bestaat, dient volgens de verzoekende partijen een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te worden gesteld.
De verzoekende partijen zijn voorts van mening dat artikel 6, § 1, EVRM wordt geschonden doordat de bestuurlijke procedure bij het opleggen van de administratieve geldboete niet openbaar is.
XII-8034-6/14
Ten slotte stellen de verzoekende partijen dat artikel 6, § 3, (d), EVRM werd geschonden, doordat bij de procedure tot het opleggen van de administratieve geldboete geen mogelijkheid bestaat om getuigen te ondervragen.
Volgens de verzoekende partijen wordt in de bestreden beslissing naast de kwestie geantwoord dat niet werd gevraagd om een getuige te horen. Aangezien er daaromtrent niets in het aslastendecreet is geregeld, is het immers volgens de verzoekende partijen niet mogelijk om getuigen te horen.
9. In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoe-
kende partijen dat artikel 6, § 3, (c), juncto artikel 6, § 1, EVRM werd geschonden, doordat de vrachtwagenbestuurder zich bij het verhoor niet door een advocaat kon laten bijstaan. Hoewel de vrachtwagenbestuurder formeel niet werd gearresteerd, is er volgens de verzoekende partijen toch minstens sprake van een feitelijke vrijheidsberoving, zodat hem een effectieve toegang tot een advocaat moest worden verleend.
Wat de grief betreft dat zij geen toegang hebben tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, merken de verzoekende partijen op dat op grond van artikel 60, § 4, van het decreet van 19 december 1998 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’ (hierna: het aslastendecreet) een vergoeding moet worden betaald om tot het hoger beroep te worden toegelaten en dat aldus een financiële drempel wordt opgeworpen.
Bovendien vertraagt de bestuurlijke fase de mogelijkheid om beroep te doen op een onpartijdige en onafhankelijke instantie, waardoor de bescherming die artikel 6 EVRM biedt, wordt uitgehold.
De verzoekende partijen wijzen er ten slotte op dat de verwerende partij niet betwist dat de bestuurlijke procedure tot het opleggen van de administratieve geldboete, en in het bijzonder de behandeling van de zaak tijdens de hoorzitting, niet openbaar verloopt. Het aslastendecreet voorziet ook niet in de mogelijkheid om getuigen te ondervragen.
10. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen nog dat er een recht op bijstand bestaat voor alle misdrijven waarvoor een vrijheidsbenemende straf kan worden opgelegd ook al werden de personen niet
XII-8034-7/14
van hun vrijheid beroofd. Gezien de hoogte van de geldboete in vergelijking tot het inkomen van de vrachtwagenbestuurder, menen zij dat de in deze zaak opgelegde administratieve geldboete wel degelijk een vrijheidsbenemende straf is. In die omstandigheden mocht het recht op bijstand van een advocaat, minstens de mogelijkheid tot het hebben van een voorafgaand vertrouwelijk telefonisch overleg, volgens haar niet onthouden worden. Zij verwijzen naar de richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013
‘betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming’, die werd omgezet in nationaal recht via de wet van 21 november 2016
‘betreffende bepaalde rechten van personen die worden verhoord’.
Beoordeling
11. De verzoekende partijen doen in dit middel samengevat de volgende grieven gelden, die zij pogen in te passen in een miskenning van diverse aspecten van artikel 6 EVRM:
de vrachtwagenbestuurder kon zich bij het eerste verhoor niet laten bijstaan door een advocaat (art. 6, § 3, (c), EVRM juncto art. 6, § 1, EVRM);
er wordt aan de verzoekende partijen het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie ontzegd zowel in de bestuurlijke procedure als nadien bij de Raad van State (art. 6, § 1, EVRM);
de bestuurlijke procedure bij het opleggen van de administratieve geldboete is niet openbaar (art. 6, § 1, EVRM);
bij de procedure tot het opleggen van de administratieve geldboete bestaat geen mogelijkheid om getuigen te ondervragen (art. 6, § 3, (d), EVRM).
Elk van de door de verzoekende partijen in deze zaak aangevoerde grieven werd in het recente verleden reeds meerdere malen onderzocht door de Raad van State en telkenmale verworpen. Ook de met het onderzoek van de zaak belaste auditeur heeft deze grieven opnieuw in zijn verslag met verwijzing naar rechtspraak van het EHRM, met inbegrip van de
XII-8034-8/14
rechtspraak waarnaar de verzoekende partij verwijst, het Grondwettelijk Hof, het Hof van Cassatie en de Raad van State op omstandige wijze onderzocht en verworpen. De Raad van State ziet in de huidige zaak geen grond om tot een ander besluit te komen. Er wordt dan ook geoordeeld zoals volgt.
12. Wat de eerste grief met betrekking tot het recht van de vrachtwagenbestuurder op bijstand van een advocaat bij het eerste zo beweerde “verhoor” tijdens de wegcontrole betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat dit recht niet bij gelijk welke verzameling van inlichtingen en bewijselementen die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, ontstaat, maar slechts bij het effectieve verhoor van een verdachte (EHRM 27 november 2008, Salduz t. Turkije, nr. 36.391/02, EHRM 13 oktober 2009, Dayanan t. Turkije, nr. 7.377/03, EHRM 18 februari 2010, Zaichenko t.
Rusland, nr. 39.660/02; zie ook GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013, overw. B.5.5
en Cass. 23 november 2010, RW 2011-12, 308-314, concl. P. Duinslaeger).
Te dezen heeft de Federale Politie bij het opstellen van het aanvankelijk proces-verbaal op 26 mei 2014 inlichtingen verzameld onder meer over de aard van het transport en de identiteit van de vrachtwagenbestuurder, de eerste verzoekende partij, die de werknemer was van de tweede verzoekende partij. Zij hebben deze laatste een schriftelijke vragenlijst laten invullen waarin beperkte informatie werd gevraagd. Daarbij wordt niet betwist dat de vracht-
wagenbestuurder op geen enkel ogenblik van zijn vrijheid werd beroofd en na de wegcontrole mocht beschikken en zijn rit met zijn voertuig kon verder zetten.
Uit het voormelde proces-verbaal blijkt ook dat de asoverlading werd vastgesteld met een door de metrologische dienst gecontroleerde asweger.
De overlading an sich wordt door de verzoekende partijen niet betwist. Het proces-verbaal vermeldt tevens de identiteit van de vennootschap die burgerlijk aansprakelijk is voor de overlading, zijnde de tweede verzoekende partij. Een afschrift van dit proces-verbaal en een vragenlijst werden aan de tweede verzoekende partij toegezonden. Deze had aldus de mogelijkheid om een advocaat te raadplegen na ontvangst van deze documenten. Zowel tijdens de bezwaarprocedure als in het georganiseerd administratief beroep mochten de verzoekende partijen zich laten bijstaan door een advocaat van hun keuze, van
XII-8034-9/14
welke bijstand zij ook blijken te hebben genoten.
Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat het de materiële vaststellingen in verband met de overlading zijn en niet de verklaringen van de vrachtwagenbestuurder die ten grondslag liggen aan de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete.
Uit geen enkel element van het administratief dossier blijkt dat er sprake is van enige vorm van misbruik of dwang op de persoon van de bestuurder van het voertuig, zodat deze zich op geen enkel moment tijdens het verloop van de bestuurlijke procedure in een kwetsbare positie bevond.
Bijgevolg kan niet worden aangenomen dat het loutere feit dat de vrachtwagenbestuurder bij de wegcontrole niet reeds de bijstand genoot van een advocaat, volstaat om te oordelen dat artikel 6, § 3, (c), EVRM, dat aan “eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld” het recht verleent “zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman”, zou zijn geschonden.
De eerste grief dient te worden verworpen.
13. Ook wat de tweede grief met betrekking tot het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie betreft, heeft de Raad van State reeds in talrijke arresten geoordeeld dat artikel 6 EVRM niet vereist dat de bestuurlijke instanties die de overlading vaststellen en de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, § 1, EVRM moeten voldoen.
Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de bestuurlijke overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met “volle rechtsmacht”, in de zin waarin het EHRM dat begrip verstaat (EHRM 17 april 2012, Steiniger t. Oostenrijk, nr. 21.539/07, § 46). Tegen de beslissing van de minister kunnen de verzoekende partijen overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, § 1, EVRM werd ook reeds in talrijke arresten van de
XII-8034-10/14
Raad van State aangenomen en bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, overw. B.40.1 en overw. B.40.2; Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, nr. 584).
De verzoekende partijen vragen dat een prejudiciële vraag zou worden gesteld, die zij evenwel niet zelf aanbrengen. Gelet onder meer op voornoemde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, is er geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen.
De verzoekende partijen voeren in hun memorie van weder-
antwoord aan dat hun recht om zich tot een rechter te wenden, wordt belemmerd door de financiële drempel bepaald in artikel 60, § 4, laatste lid, van het aslastendecreet en dat de mogelijkheid tot uitoefening van dat recht bovendien wordt vertraagd door de verplichting om vooraf een administratief beroep in te stellen.
Daargelaten de vraag naar de ontvankelijkheid van deze pas in de memorie van wederantwoord aangebrachte subgrieven en de onjuiste verwijzing naar de voormelde reeds opgeheven bepaling van het alsastendecreet, volstaat het vast te stellen dat het door artikel 6, § 1, EVRM gewaarborgde recht van toegang tot een rechter niet inhoudt dat een verzoekende partij aan geen enkele voorwaarde om in rechte te treden mag worden onderworpen. Een financiële drempel is op zich niet onverenigbaar met dat recht. Blijkens het op de voorliggende zaak van toepassing zijnde artikel 19, § 4, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport is het beroep bij de Vlaamse regering slechts ontvankelijk als blijkt dat de betrokkene een vergoeding voor dossierkosten heeft betaald. Deze vergoeding bedraagt 75 euro. Een dergelijke beperkte vergoeding kan niet worden aangemerkt als een onoverkomelijke financiële drempel die de verzoekende partijen zou verhinderen om op te komen voor hun rechten.
Voormelde vergoeding is evenmin buiten verhouding tot het ermee nagestreefde doel: namelijk een vergoeding voor de dossierkosten. Bovendien bepaalt artikel 19 van het decreet bijzonder wegtransport uitdrukkelijk dat de vergoeding “altijd [zal] worden terugbetaald als de administratieve boete volledig vervalt nadat het beroep is ingesteld”. Het recht op toegang tot de rechter wordt door de betrokken dossierkostenvergoeding aldus geenszins belemmerd.
XII-8034-11/14
Artikel 19 van het decreet bijzonder wegtransport voorziet voorts in voldoende waarborgen opdat de bestuurlijke procedure met de vereiste spoed zou worden afgehandeld en het recht op toegang tot de rechter niet nodeloos wordt belemmerd. Wanneer tegen de aanvankelijke beslissing van de wegeninspecteur-controleur bezwaar wordt ingesteld en vervolgens tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur beroep bij de Vlaamse regering wordt ingesteld, wordt de beslissing waarbij de administratieve geldboete werd opgelegd, geschorst. De administratieve geldboete vervalt stilzwijgend indien de beslissing na bezwaar van de wegeninspecteur-controleur niet binnen dertig dagen na de hoorzitting aan de overtreder wordt meegedeeld. Hetzelfde geldt indien de beslissing in beroep van de bevoegde minister niet binnen vier maanden na het instellen van het beroep aan de overtreder wordt meegedeeld.
De argumenten van de verzoekende partijen in verband met het belemmeren van het recht om zich tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie te wenden, missen aldus feitelijke grondslag.
De tweede grief wordt verworpen.
14. Wat de derde grief betreft dat de bestuurlijke procedure niet openbaar is, kan worden volstaan met de vaststelling dat bij de Raad van State de openbare behandeling gegarandeerd is.
Ten slotte kan worden vastgesteld dat niet blijkt welk belang de verzoekende partijen hebben bij de vierde grief dat zij niet over de mogelijkheid zouden beschikken om getuigen te verhoren. Uit het administratief dossier blijkt immers niet dat de verzoekende partijen zouden hebben verzocht om het horen van getuigen, laat staan dat een dergelijk verzoek door de verwerende partij zou zijn geweigerd. Bovendien sluit artikel 19 van het decreet bijzonder wegtransport niet uit dat in de bestuurlijke procedure getuigen zouden worden gehoord indien dit noodzakelijk zou blijken.
De derde en vierde grief worden verworpen.
15. Het tweede middel wordt verworpen.
XII-8034-12/14
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
16. De verzoekende partijen voeren in een derde middel aan dat het moreel bestanddeel van de inbreuk niet deugdelijk gemotiveerd is, nu in de motivering van de bestreden beslissing alleen een aantal stijlformules worden gehanteerd “dewelke niet voldoen aan de materiële motiveringsplicht, zoals opgelegd door de Wet Motivering Bestuurshandelingen”.
17. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie “volharden” de verzoekende partijen “in het geformuleerde middel”.
Beoordeling
18. Het derde middel beperkt zich tot het inroepen van de “materiële motiveringsplicht” en de blote bewering – die dan weer klaarblijkelijk op een miskenning van de formelemotiveringsplicht berust – dat de motivering terzake het moreel bestanddeel van de inbreuk louter uit “stijlformules” zou bestaan.
In dat licht kan worden volstaan met de vaststelling dat de motivering opgenomen in de bestreden beslissing niet uit een loutere stijlformule blijkt te bestaan en dat de bestreden beslissing wel degelijk berust op afdoende materiële motieven die op behoorlijke wijze uit het administratief dossier blijken en die het opleggen van een administratieve geldboete aan de eerste verzoekende partij en het burgerrechtelijk aansprakelijk stellen van de tweede verzoekende partij naar behoren kunnen dragen.
19. Het derde middel wordt verworpen.
XII-8034-13/14
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 januari 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.
De griffier De voorzitter
Greta Scheveneels Dierk Verbiest
XII-8034-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.485