Court dismisses appeal due to failure to request hearing after rejected suspension order.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the applicants' waiver of proceedings valid because they failed to request a hearing following the rejection of their suspension motion. The applicants had previously lost their request to halt the execution of the environmental permit for EDF Luminus's wind turbine park modifications. Consequently, the court dismissed their appeal and ordered them to bear the procedural costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 17, § 7 of the Council of State Rules; Article 11/3, § 1 of the 1948 Regent's Decree: A party waives proceedings if, after a suspension request is rejected, they do not request a hearing within the prescribed period.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 240.475 van 18 januari 2018
in de zaak A. 222.196/VII-39.987.
In zake : 1. Roger BRACKE
wonende te 9080 Beervelde Raveschoot 11
alwaar woonplaats wordt gekozen 2. Nicolas VANRIJCKEGHEM
wonende te 9080 Beervelde Hanselaarstraat 43
alwaar woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters kantoor houdend te 8210 Zedelgem Spoorwegstraat 11
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
de NV EDF LUMINUS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jo Blockeel en Jozef Timmermans kantoor houdend te 9000 Gent Recollettenlei 9
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 15 mei 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 13 maart 2017 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 1 september 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de NV EDF Luminus voor het
VII-39.987-1/4
veranderen van een windturbinepark, gelegen aan het Cootveld, D’Heystraat en de Raveschoot te Lochristi, ongegrond wordt verklaard.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 239.242 van 28 september 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen.
Het genoemde arrest is op respectievelijk 12 en 13 oktober 2017
aan eerste en tweede verzoeker ter kennis gebracht.
Op respectievelijk 6 en 7 december 2017 heeft de hoofdgriffier aan eerste en tweede verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.
Bij arrest nr. 239.242 van 28 september 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen.
VII-39.987-2/4
De verzoekers hebben geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
De hoofdgriffier heeft de verzoekers medegedeeld, met toepassing van artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoekers binnen een termijn van vijftien dagen vragen om te worden gehoord.
De verzoekers hebben niet gevraagd om te worden gehoord.
Er bestaat aanleiding om de afstand van het geding vast te stellen.
BESLISSING
1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.
2. De verzoekers worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
VII-39.987-3/4
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien januari tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Peter Sourbron
VII-39.987-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.475