Belgian Gaming Association's annulment appeal dismissed due to lack of required interest in the proceedings.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the Belgian Gaming Association's appeal seeking the annulment of a royal decree regarding gaming license fees. The Association failed to submit a counter-memoir within the statutory sixty-day period after receiving the opposing parties' responses. Consequently, the court determined that the necessary interest to pursue the annulment was absent, leading to the dismissal of the case.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 21, second paragraph; Article 7 of the Regent's Decision of 23 August 1948; If a party fails to submit a counter-memoir within the prescribed period, the court must establish that the requisite interest to obtain the requested annulment is lacking.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 240.474 van 18 januari 2018
in de zaak A. 221.583/VII-39.926.
In zake : de BELGIAN GAMING ASSOCIATION
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge - Sint-Kruis Karel van Manderstraat 123
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Leandra Decuyper kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61
bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 24 februari 2017, strekt tot de nietigverklaring van artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 december 2016
betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 en G2 voor het burgerlijk jaar 2017.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 238.702 van 29 juni 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen.
VII-39.926-1/3
De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
De verwerende partijen hebben elk een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoekende partij ter kennis werden gebracht op 18 september 2017.
Op 6 december 2017 heeft de hoofdgriffier aan de verzoekende partij en de verwerende partijen de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. Bij het versturen van een kopie van de memories van antwoord aan de verzoekende partij heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De verzoekende partij heeft binnen de termijn van zestig dagen, gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent, geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd. Krachtens voornoemd artikel 21, tweede lid, dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt.
De hoofdgriffier heeft de partijen medegedeeld, met toepassing van artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer uitspraak zal doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen
VII-39.926-2/3
vraagt om te worden gehoord. Geen van de partijen heeft gevraagd om te worden gehoord.
Er bestaat aanleiding om het beroep te verwerpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro verschuldigd aan de eerste verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien januari tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Peter Sourbron
VII-39.926-3/3
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.474