Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.429 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.429 Généré par l'IA

Belgian court dismisses appeal where police wrongly denied firearm custody based on hunting license instead of official permit.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.429
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal against the Minister of Justice's refusal to annul a decision denying firearm custody. The applicant, a hunter with a valid hunting license, argued that the police incorrectly refused to store firearms for him, confusing a hunting license with an official permit required for holding weapons. The court upheld the lower decision, ruling that a hunting license does not grant the right to store firearms for others and that the applicant was aware of the legal distinction.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Wet van 2005 van 24 juni tot regeling van de wapenwet (Wapenwet); een jachtverlof geeft geen recht om vuurwapens van derden in bewaring te nemen; de overheid is niet gehouden om wapens op te slaan voor een jager zonder erkende status.

Mots-clés

Généré par l'IA
firearm custody hunting license trust protection police authority weapon law administrative appeal custody refusal arme personnelle

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Wet van 2005 van 24 juni tot regeling van de wapenwet (Wapenwet)
artikel 18 van de wapenwet
Volgens verzoeker ging ook de korpschef er kennelijk van uit dat een persoon die beschikt over een geldig jachtverlof een erkend persoon betreft in zin van artikel 18 van de wapenwet en werd hij er niet van ingelicht dat de betrokken wapens niet in bewaring konden worden gegeven bij personen met een jachtverlof.
artikel 5 van de wapenwet
artikel 6 van de wapenwet
artikel 21 van de wapenwet
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 240.429 van 16 januari 2018

in de zaak A. 213.996/XIV-36.007

In zake : Gerard FLAMENT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kurt Vanthuyne kantoor houdend te 8870 Izegem Baronstraat 68

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 15 oktober 2014, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 19 augustus 2014 inzake verzoekers beroep tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen van 6 februari 2014.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Adjunct-auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld.

XIV-36.007-1/21

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 maart 2017.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Laura Vernackt, die loco advocaat Kurt Vanthuyne verschijnt voor verzoeker, en advocaat Egidius Van Heddeghem, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker was als houder van een Vlaams jachtverlof in het bezit van meerdere vuurwapens.

Met een beslissing van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen van 21 maart 2011 wordt verzoekers recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens ingetrokken. Het beroep tegen die beslissing wordt op 30 maart 2012 door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen.

3.2. Met een brief van 13 september 2013 vraagt verzoekers raadsman aan de gouverneur of die kan instemmen met een nader in die brief vermelde wapenoverdracht. Voorst wordt in de brief gesteld dat er sinds de

XIV-36.007-2/21

beslissing van 21 maart 2011 “geen nieuwe elementen meer aan het licht [zijn]

gekomen die van aard zijn om [verzoeker] verder het wapenbezit te ontzeggen.”

3.3. Op 6 februari 2014 beslist de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen dat het wapenbezit van verzoeker ontzegd blijft.

3.4. Verzoekers beroep tegen die beslissing wordt op 19 augustus 2014 door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen op de volgende gronden:

“In het kader van de behandeling van uw verzoekschrift tot hoger beroep werd advies gevraagd aan de korpschef van de lokale politie bevoegd voor uw verblijfplaats.

De lokale politie zone ARRO adviseerde op 3 april 2014 ongunstig met de volgende motivering:

‘Betreffende de moraliteit van Flament Gerard, zijn ons sinds de ontzegging van het wapenbezit, geen nieuwe feiten of inlichtingen bekend, die een belemmering vormen tot het voorhanden hebben van vuurwapens.

Op 24/03/2013 werd het jachtverlof geweigerd door de arrondissements-

commissaris van de provincie West-Vlaanderen, hetgeen een invloed heeft op de wettige reden voor het wapenbezit.

Flament Gerard heeft niet voldaan aan het besluit van 21 maart 2011, door de wapens in bewaring te geven bij personen, die niet als erkend persoon zijn bepaald in de wapenwet, niettegenstaande die personen in artikel 2 van het besluit van 21 maart 211 [lees: 2011], duidelijk worden omschreven. Deze toestand is tot op heden niet geregulariseerd.’ Wat betreft de inbewaringgeving van uw vuurwapens vermeldt het politioneel verslag dat u de wapens meer bepaald in bewaring gaf bij drie personen die geen erkende personen zijn. U werd hieromtrent aangeschreven en via uw raadsman werd de politie ervan ingelicht dat u ervan uitging dat het voldoende was om uw wapens in bewaring te geven bij een houder van een geldig jachtverlof. Het verslag vermeldt tevens dat u zich engageert om zich in regel te stellen hetzij door overdracht van de wapens, hetzij door alsnog de wapens in bewaring te geven bij een erkend persoon.

Op 18 april 2014 ontvangt de federale wapendienst, via de lokale politie zone ARRO, een afschrift van het schrijven van 15 april 2014 van uw raadsman dat stelt dat u beslist heeft ‘om de wapens aan de personen die thans voor de bewaring ervan instaan, te zullen overdragen’ alsook een afschrift van het schrijven van 16 april van uw raadsman dat stelt dat de wapens niet zullen worden overgedragen aan de respectievelijke personen die ze thans in bewaring houden, doch één wapen zal worden overgedragen aan de heer [J. M. F.] en de rest van de wapens aan de heer [P. V.].

Aangezien tot op dat ogenblik het bewijs ontbrak dat u uw wapens effectief tijdig in bewaring heeft gegeven bij een erkend persoon (of definitief heeft overgedragen, afgestaan, edm.) stuurde de federale wapendienst aan uw raadsman op 19 juni 2014

een aangetekend schrijven met de vraag om de nodige bewijsstukken daaromtrent uiterlijk 19 juni 2014 aan het dossier te willen toevoegen.

Op 11 juli 2014 ontving de federale wapendienst een schrijven van uw raadsman

XIV-36.007-3/21

waarbij de volgende bewijsstukken werden gevoegd:

Stuk 1: Een geldig jachtverlof op naam van de heer [P. V.];

Stuk 2: Een bewijs van overdracht van 10 wapens aan de heer [P. V.];

Stuk 3: Een geldig jachtverlof op naam van de heer [J. M. F.];

Stuk 4: Een bewijs van overdracht van één wapen aan de heer [J. M. F.];

Stuk 5: E-mailbericht politiezone Gavers d.d. 7/07/2014;

Stuk 6: Bewijs van afstand door [P. V.] van een wapen Mossberg .22.

Hierbij vermeldde uw raadsman dat het wapen vermeld in stuk 6 niet kon worden overgedragen en dat er dan ook afstand van werd gedaan.

Uit deze stukken blijkt meer bepaald dat:

- u op 2 april 2014 de volgende wapens definitief overdroeg aan de heer [P. V.]:

o een jachtgeweer, geen merk, kaliber 12, serienummer [xxx];

o een jachtgeweer, merk Verney-Carron, kaliber 12, serienummer [xxx];

o een jachtgeweer, merk Perfex, serienummer [xxx] (loop), [xxx] (kamer)

[xxx] (loop);

o een karabijn, merk Mossberg, model&type 352 halfautomatisch, kaliber .22, geen serienummer;

o een jachtgeweer, merk FDC, model&type 16, kaliber 16, serienummer [xxx];

o een jachtgeweer, merk WW Greener, kaliber16, serienummer [xxx];

o een jachtgeweer, merk Conquest, kaliber 12, serienummer [xxx];

o een jachtgeweer, merk Mavi, kaliber .410, serienummer [xxx];

o een jachtkarabijn, merk Browning, kaliber .300 Win, serienummer [xxx];

o een jachtkarabijn, merk Remington, kaliber 280 Rem., serienummer [xxx], - u op 2 april 2014 het volgende wapen definitief overdroeg aan de heer [J. M. F.]:

o een jachtgeweer, merk FN, kaliber 12, serienummer [xxx], - u op 10 juni 2014 vrijwillig afstand deed van het lang wapen, merk Mossberg, type 352, kaliber .22 SHV-L-LR, geen serienummer.

Het betreft de elf vuurwapens die u reeds sinds 30 dagen volgend op de kennisgeving van de beslissing van de gouverneur van West-Vlaanderen d.d.

21 maart 2011 van de hand diende te doen. Artikel 2 van deze beslissing - die op 30 maart 2012 in beroep werd bevestigd - stelde u expliciet de volgende mogelijkheden voor betreffende deze vuurwapens en bijhorende munitie:

- ‘inbewaargeving bij de erkende persoon;

- verkoop of schenking aan een erkende persoon;

- verkoop aan een persoon die voor het wapen wel een vergunning kan verkrijgen. De koper dient met de schriftelijke toestemming van betrokkene het wapen op te halen bij de erkende persoon waar het wapen in bewaring is gegeven. Hij dient in het bezit te zijn van de nodige documenten ter verkrijging van het recht op bezit van dit wapen (model 4, of model 9 met geldig jachtverlof, sportschutterslicentie of erkenning bijzonder wachter);

- afstand van het/de wapen(s) ter vernietiging bij de lokale politie van de verblijfplaats.

Hij dient z’n voornemen kenbaar te maken bij de korpschef van de politiezone Arro Ieper opdat deze de formulieren inbewaargeving/verkoop/schenking/afstand kan invullen en terugbezorgen aan mijn diensten.’.

U nam kennis van deze beslissing op 29 maart 2011. U diende hiertegen een administratief beroep in bij de federale wapendienst doch dit beroep heeft geen opschortende werking. Bovendien werd de beslissing van de provinciegouverneur

XIV-36.007-4/21

in beroep bevestigd.

In concreto houdt dit bijgevolg in dat de wapens uiterlijk op 29 april 2011 van de hand moesten worden gedaan op de wijze als omschreven in de beslissing van de gouverneur van 21 maart 2011.

Uit voormelde bewijsstukken, aan mijn dienst toegezonden op 9 juli 2014, en allen opgesteld op 2 april 2014 en 10 juni 2014 blijkt dus dat u zich gedurende bijna drie jaar niet gehouden heeft aan de beslissing van de vergunningverlenende overheid.

Door op die wijze te handelen (of net niet te handelen) bewijst u dat u op heden nog steeds niet het vertrouwen waard bent die de vergunningverlenende overheid in u zou moeten kunnen stellen als wapenbezitter.

Overeenkomstig artikel 11, §3, 5° van de wapenwet kan de vergunning niet worden verleend aan personen die het voorwerp zijn geweest van een intrekking met nog actuele redenen van een vergunning tot het voorhanden hebben van of het dragen van een wapen.

Het komt er dus op neer na te gaan of de redenen van de intrekking, die werden aangehaald in de beslissing van de minister van Justitie d.d. 30 maart 2012, nog steeds actueel zijn.

Deze beslissing hield nog geen rekening met het vonnis van 12 maart 2013 van de correctionele rechtbank van Ieper waarbij u schuldig werd bevonden aan verschillende inbreuken op de wapenwet en het jachtdecreet.

U verkreeg inderdaad de opschorting van de uitspraak van veroordeling rekening houdend met de eerder door uw raadsman geciteerde overweging van de rechtbank.

Desalniettemin werd u over de hele lijn van de tenlasteleggingen schuldig bevonden. De rechtbank stelde hierbij: ‘De beklaagde wordt geacht net als iedere andere burger de wet en de strafwet te kennen. Als jager en voormalig vergund jager was zulks evident evenzeer het geval voor wat betreft specifiek de jachtwetgeving.

[...] Qua moreel element volstaat onder de wapenwet als bijzondere strafwet immers schuld door wetsinbreuk. De wet stelt hier m.a.w. een gedraging strafbaar ongeacht de vraag of ze opzettelijk of uit onachtzaamheid werd gepleegd zodat het openbaar ministerie enkel moet bewijzen dat de strafwet werd overtreden. Enig intentioneel element in de zin van (bijzonder) opzet in de zin van het moedwillig omzeilen van de wapenwet is geenszins vereist. [...] Het vaststaande gegeven dat de voormelde wapens in het bezit van de beklaagde werden aangetroffen, terwijl zijn verboden dan wel onvergund waren, volstaat om tot het bewezen karakter van tenlasteleggingen A.1, A.2, B en C te besluiten’.

De rechtbank stelde tevens: ‘Al hetgeen wapenbezit en de jacht aangaat is het voorwerp van strikte reglementering en daar zijn goede redenen voor gaande van openbare veiligheid tot bescherming van het wildbestand. Als ervaren jager moest de beklaagde met die realiteit bekend zijn zodat hij terzake geen strafuitsluitende excuses kan laten gelden’.

In het kader van de behandeling van uw beroepschrift werd tevens opnieuw advies gevraagd aan de procureur des Konings bevoegd voor uw verblijfplaats.

Deze deelde op 9 april 2014 aan de federale wapendienst mee te volharden in zijn advies van 11 december 2013.

Daarbij komt dat uit het dossier is gebleken dat u zich gedurende jaren niet geschikt heeft naar de beslissing van de vergunningsverlenende overheid om u het wapenbezit te ontzeggen, doordat u meer bepaald de elf vuurwapens in uw bezit niet, onregelmatig en/of laattijdig van de hand deed in tegenstrijd met de bepalingen van de beslissing van de provinciegouverneur van 21 maart 2011, in beroep bevestigd op 30 maart 2012.

[…]

In casu zijn de af te wegen belangen de openbare orde en veiligheid (zowel voor

XIV-36.007-5/21

uzelf als voor uw omgeving) enerzijds, en de vrijheid om uw hobby als jager te kunnen uitoefenen. Meer bepaald moet overwogen worden of wapenbezit in uwen hoofde de openbare orde zou kunnen verstoren.

Uit het gevoerde onderzoek is gebleken dat er nog steeds ernstige en concrete redenen zijn die aantonen dat het voorhanden hebben van een vuurwapen op heden een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan betekenen. Uw gedrag - ook sinds de voorgaande beslissing van de vergunningverlenende overheid - biedt nog steeds niet de vereiste waarborgen waardoor u niet kan genieten van het noodzakelijke vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in een wapenbezitter.

De gouverneur van de provincie West-Vlaanderen besliste dan ook terecht om u het recht op wapenbezit niet toe te staan.”

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur - schending van de formele en materiëlemotiveringsplicht” en haalt in het middel ook de wet van 29 juli 1991

‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ aan.

Verzoeker betoogt in het eerste middelonderdeel dat uit de motivering van de bestreden beslissing niet valt op te maken waarom wordt geopteerd voor de voor verzoeker nadelige optie van de intrekking terwijl ook een maatregel van tijdelijke beperking had kunnen worden opgelegd.

In het tweede middelonderdeel betwist verzoeker het motief van het gevaar voor de openbare orde. Hij betoogt dat in de bestreden beslissing zonder meer uitvoerig en selectief wordt geciteerd uit het vonnis van de correctionele rechtbank van Ieper maar dat daarbij achterwege wordt gelaten waarom hem opschorting werd verleend. De feiten die aan de basis lagen van het vonnis gingen volgens verzoeker om een vergetelheid en het was allerminst zijn bedoeling om zich aan de toepassing van de wapenwet te onttrekken. Verzoeker meent dat deze XIV-36.007-6/21

eenmalige feiten niet betekenen dat er vrees zou kunnen bestaan omtrent enig kwaadwillig gebruik van wapens, te meer nu hij gedurende veertig jaar een onberispelijk parcours als jager had afgelegd. Verzoeker verwijst naar rechtspraak van de Raad van State en benadrukt dat de korpschef van de lokale politie in zijn advies uitdrukkelijk heeft aangegeven dat er geen nieuwe feiten of inlichtingen bekend zijn die een belemmering vormen voor het voorhanden hebben van vuurwapens. Verzoeker besluit dat in de mate dat de bestreden beslissing steunt op het vermelde vonnis om te oordelen dat er een actueel gevaar zou bestaan voor de openbare orde, de bestreden beslissing niet geschraagd wordt door de onderliggende motivering.

5. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat hij van mening is dat een door de overheid genomen maatregel van preventieve aard niet kan steunen op een correctioneel vonnis waarin de gunst van de opschorting wordt bevolen net omwille van het “onberispelijk parcours inzake wapen- en jachtreglementering” dat hij als ervaren jager had afgelegd. Die vaststelling op zich toont volgens verzoeker reeds aan dat de bestreden beslissing de motiveringsplicht schendt. Dat het niet aan de Raad van State toekomt om het feitenonderzoek over te doen, doet voor verzoeker geen afbreuk aan de verplichting in hoofde van de verwerende partij om haar beslissing te steunen op de concrete feiten die tot het vonnis van 12 maart 2012 hebben geleid. De concrete feitelijke context, die door de rechtbank omstandig wordt uiteengezet in het vonnis, wordt evenwel niet meegenomen in de motivering van de bestreden beslissing. Verzoeker zet die context vervolgens nog eens uiteen en herhaalt dat deze er allerminst toe kan aanzetten dat er vrees zou kunnen bestaan omtrent enig kwaadwillig gebruik van wapens.

In de laatste memorie betoogt verzoeker dat het feit dat de bestreden beslissing over zes pagina’s werd gemotiveerd niets afdoet aan de vaststelling dat de verwerende partij haar beslissing louter heeft gesteund op het correctioneel vonnis van 12 maart 2012, zonder daarbij de feitelijke context in aanmerking te nemen. Volgens verzoeker is de redenering waarbij enkel wordt

XIV-36.007-7/21

verwezen naar het correctioneel vonnis om te besluiten dat verzoeker zijn recht om wapens voorhanden te hebben toch reeds definitief was kwijtgespeeld in strijd met de grondwettelijke interpretatie van artikel 12 van de wapenwet. Hij verwijst daartoe naar het arrest nr. 22/2013 van 28 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof. Verzoeker meent bovendien dat, in tegenstelling tot wat in het auditoraatsverslag wordt gesteld, formeel diende te worden gemotiveerd waarom een beperking geen voldoende maatregel zou zijn aangezien er verkeerdelijk vanuit wordt gegaan dat hij niet in aanmerking zou komen voor wapenbezit.

Beoordeling

Eerste middelonderdeel

6. In het eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat uit de formele motivering van de bestreden beslissing niet valt op te maken waarom werd geopteerd voor de intrekking en niet voor een minder nadelige maatregel.

In het middelonderdeel voert verzoeker derhalve de schending aan van de formelemotiveringsplicht. Die is vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs-

handelingen’ (hierna : de wet van 29 juli 1991).

7. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.

Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing

XIV-36.007-8/21

zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.

8. In het middelonderdeel gaat verzoeker uit van het - verkeerde -

standpunt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van artikel 13 van de wapenwet luidens hetwelk de gouverneur - en in administratief beroep op grond van artikel 30 van de wapenwet, de minister van Justitie of diens gemachtigde - het recht om het wapen voorhanden te hebben bij een met redenen omklede beslissing mag beperken, schorsen of intrekken indien blijkt dat het voorhanden hebben van de in artikel 12 bedoelde wapens de openbare orde kan verstoren.

Zoals in de feitenuiteenzetting reeds werd aangehaald (supra¸ punt 3.1), werd verzoekers recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens reeds eerder ingetrokken met een beslissing van de gouverneur van West-Vlaanderen van 21 maart 2011 en werd het beroep tegen die beslissing op 30 maart 2012 door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen. De thans bestreden beslissing is genomen naar aanleiding van verzoekers vraag om hem opnieuw het recht te verlenen om wapens voorhanden te houden. De bestreden beslissing verwijst te dezen dan ook uitdrukkelijk naar artikel 11, § 3, 5°, van de wapenwet als juridische grondslag. Deze bepaling was bijgevolg op verzoeker van toepassing nu hij ten tijde van zijn aanvraag niet langer over een geldig jachtverlof beschikte en luidt:

“§ 3. De vergunning wordt slechts verleend aan personen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

[…]

5° niet het voorwerp zijn van een lopende schorsing en niet het voorwerp zijn geweest van een intrekking met nog actuele redenen, van een vergunning tot het voorhanden hebben van of het dragen van een wapen;”.

Het voorwerp van de bestreden beslissing is derhalve niet de intrekking van het recht om een wapen voorhanden te hebben, maar wel het weigeren van een vergunning tot voorhanden hebben van een wapen. De formele motivering van een dergelijke beslissing moet daarom niet uiteenzetten waarom

XIV-36.007-9/21

geen toepassing is gemaakt van één van de beslissingsmogelijkheden voorzien in artikel 13 van de wapenwet. Het middelonderdeel dat aldus uitgaat van de verkeerde veronderstelling dat beslist werd tot de intrekking van het recht om een wapen voorhanden te hebben, mist feitelijke grondslag.

9. Het eerste middelonderdeel is ongegrond.

Tweede middelonderdeel

10. In het tweede middelonderdeel betwist verzoeker de wettigheid en de draagkracht van de formeel uitgedrukte motieven van de bestreden beslissing.

De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.

11. Ter beoordeling van deze grief moet ook worden gewezen op artikel 30, eerste lid, van de wapenwet, dat luidt:

“Beroep staat open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde in geval van het ontbreken van een beslissing van de gouverneur binnen de in artikel 31

bedoelde termijnen, of tegen de beslissingen van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, een vergunning of een recht, behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen.”

XIV-36.007-10/21

Dit voorschrift bepaalt een georganiseerd administratief beroep bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde tegen het in de voormelde bepaling opgesomde stilzitten of opgesomde beslissingen van de gouverneur (Cf. GwH 19 december 2007, nr. 154/2007, punt B.60.1). Door de devolutieve werking van het georganiseerd beroep verwerft de beroepsinstantie op grond van deze bepaling de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Aangezien op grond van artikel 11, § 3, 5°, van de wapenwet de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene, de vergunning slechts verleent aan personen die niet het voorwerp zijn van een lopende schorsing en niet het voorwerp geweest zijn van een intrekking met nog actuele redenen van een vergunning tot het voorhanden hebben van of het dragen van een wapen, beschikt de minister of zijn gemachtigde aldus op grond van de devolutieve werking van het beroep, over dezelfde beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur.

Geconcretiseerd op het voorliggende beroep, impliceert het voormelde materiëlemotiveringsbeginsel aldus dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat er te dezen nog sprake is “van een intrekking met nog actuele redenen van een vergunning tot het voorhanden hebben van of het dragen van een wapen”.

De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op welke criteria, de vraag of er nog sprake is van een intrekking met nog actuele redenen van een vergunning tot het voorhanden hebben van of het dragen van een wapen voorligt, moet worden beoordeeld.

De beroepsinstantie heeft bij de beoordeling van die vraag bijgevolg een discretionaire bevoegdheid, zowel op het vlak van het bewezen verklaren van de feiten waarop zij zich steunt om tot dit oordeel te komen, als op het vlak van de kwalificatie van die feiten als gronden tot het beoordelen ervan.

Aangezien de wapenwet inzake het bewezen verklaren van de feiten geen

XIV-36.007-11/21

bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de beroepsinstantie op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het dossier om tot haar overtuiging te komen. Zij mag zich daarbij niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enzovoort.

Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om desgevraagd zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de feiten waarop de beroepsinstantie zich steunt om tot haar oordeel te komen, noch van de vraag of deze feiten waarvan het bestaan naar behoren is bewezen, in rechte verantwoorden dat er sprake is van een intrekking met nog actuele redenen van een vergunning tot het voorhanden hebben van of het dragen van een wapen. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

12. De formele motivering van de bestreden beslissing is hierboven weergegeven (supra, punt 3.4.). Hieruit blijkt dat het beroep wordt verworpen omdat “[verzoeker] met het vonnis van 12 maart 2013 van de correctionele rechtbank van Ieper […] schuldig werd bevonden aan verschillende inbreuken op de wapenwet en het jachtdecreet” waarbij hij “over de hele lijn van de tenlasteleggingen schuldig [werd] bevonden” en omdat “[d]aarbij komt dat uit het dossier is gebleken dat [verzoeker] zich gedurende jaren niet geschikt heeft naar de beslissing van de vergunningsverlenende overheid om [hem] het wapenbezit te ontzeggen, doordat [hij] meer bepaald de elf vuurwapens in [zijn] bezit niet, onregelmatig en/of laattijdig van de hand deed in tegenstrijd met de bepalingen van de beslissing van de provinciegouverneur van 21 maart 2011, in beroep bevestigd op 30 maart 2012”. Daaruit wordt afgeleid dat “[verzoekers] gedrag - ook sinds de voorgaande beslissing van de vergunningverlenende overheid - […] nog steeds niet de vereiste waarborgen [biedt] waardoor [hij] niet kan genieten van het noodzakelijke vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in een wapenbezitter.”

XIV-36.007-12/21

Op grond van de hiervoor geschetste discretionaire bevoegdheid mag de beroepsinstantie zich bij de concrete afweging van de in aanmerking te nemen feiten, die er volgens haar op wijzen dat er nog steeds actuele redenen zijn die een intrekking rechtvaardigen, steunen op een vonnis waarbij de uitspraak van de veroordeling weliswaar werd opgeschort maar waarin de inbreuken op de wapenwetgeving en op het jachtdecreet in hoofde van verzoeker bewezen worden verklaard.

Verzoeker betwist de bovenstaande feiten niet, doch hij betoogt dat er door de verwerende partij, in tegenstelling tot de strafrechter, te weinig rekening werd gehouden met de context van de feiten die tot het vonnis van 12 maart 2013 hebben geleid. Verzoeker betoogt meer bepaald dat het om eenmalige feiten gaat die voortkomen uit een vergetelheid in zijn hoofde en hij wijst op zijn onberispelijk parcours gedurende veertig jaar als jager. Met deze kritiek geeft verzoeker weliswaar blijk van een andere feitelijke beoordeling dan de beroepsinstantie, doch verzoeker maakt hiermee niet aannemelijk dat de beroepsinstantie in verband met de beoordeling van de niet betwiste inbreuken op de wapenwetgeving en van het niet schikken naar de eerdere beslissing van de vergunningverlenende overheid als feiten die actuele redenen van een eerdere intrekking van zijn wapenvergunning uitmaken, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van haar appreciatiebevoegdheid te buiten zou gaan. Waar verzoeker voorts ter adstructie van zijn beoordeling, het advies van de korpschef van de lokale politiezone aanhaalt waarin wordt aangegeven dat er “betreffende de moraliteit van [verzoeker], […] sinds de ontzegging van het wapenbezit, geen nieuwe feiten of inlichtingen bekend [zijn], die een belemmering vormen tot het voorhanden hebben van vuurwapens”, gaat hij eraan voorbij dat in datzelfde, ongunstige, advies van 3 april 2014 tevens wordt vermeld dat verzoekers jachtverlof op 24 maart 2013 werd geweigerd, “hetgeen een invloed heeft op de wettige reden voor het wapenbezit”, en dat hij niet heeft voldaan aan de beslissing van 21 maart 2011 “door de wapens in bewaring te geven bij personen die niet als erkend persoon zijn bepaald in de wapenwet, niettegenstaande die personen in

XIV-36.007-13/21

artikel 2 van de [beslissing] van 21 maart 2011, duidelijk worden omschreven [en]

dat deze toestand […] tot op heden niet [is] geregulariseerd.”

13. Het tweede middelonderdeel is ongegrond.

Conclusie

14. Het eerste middel is in zijn geheel ongegrond.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

15. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en van de zorgvuldigheidsplicht.

In het eerste middelonderdeel betoogt verzoeker dat de juridische grondslag voor de beslissing tot intrekking artikel 13 van de wapenwet betreft en dat de ruime beoordelingsbevoegdheid van de overheid begrensd wordt door het redelijkheidsbeginsel dat niet duldt dat een beslissing in kennelijke wanverhouding staat met de feiten. Volgens verzoeker kan niet anders worden besloten dan dat de draagwijdte van de opgelegde maatregel in kennelijke wanverhouding staat tot de feiten, gekaderd in hun context. Verzoeker wijst er op dat de strafrechter reeds een belangenafweging heeft gemaakt en heeft geoordeeld dat een veroordeling een te zware sanctie zou inhouden. Het proportionaliteits-

beginsel vereist dat een bestuur geen sanctie kan opleggen waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die feiten zou opleggen.

In het tweede middelonderdeel betwist verzoeker de overweging in de bestreden beslissing dat hij niet het vertrouwen waard zou zijn die de vergunningverlenende overheid zou moeten kunnen stellen in een wapenbezitter

XIV-36.007-14/21

doordat hij zijn wapens niet tijdig in bewaring zou hebben gegeven bij een erkend persoon. Hij verwijst naar de formulieren van inbewaargeving of verkoop van de betrokken vuurwapens die bij zijn stukkenbundel zijn gevoegd en waaruit volgens hem blijkt dat hij kort na de betekening van de (voorafgaande) beslissing van de gouverneur van 21 maart 2011 zijn wapens van de hand heeft gedaan door ze in bewaring te geven bij personen met een geldig jachtverlof zodat hij geen wapens meer in zijn bezit heeft. Daarmee is volgens verzoeker voldaan aan de bedoeling van de wetgever en indien wordt aangenomen dat het ontzeggen van het wapenbezit noodzakelijk was omwille van de openbare orde, is ook aan die doelstelling voldaan. Verzoeker acht de motivering van de bestreden beslissing in die zin niet draagkrachtig en zelfs tegenstrijdig. Volgens verzoeker kan er hoogstens een administratieve misslag in zijn hoofde worden in aanmerking genomen, die hem bovendien onredelijk hard wordt aangerekend. Verzoeker acht tevens het vertrouwensbeginsel geschonden nu hij binnen de wettelijke termijn zijn wapens in bewaring heeft gegeven op basis van een standaardformulier en met tussenkomst van de korpschef van de lokale politie die de betrokken formulieren heeft ingevuld en bezorgd aan de dienst Wapens. Volgens verzoeker ging ook de korpschef er kennelijk van uit dat een persoon die beschikt over een geldig jachtverlof een erkend persoon betreft in zin van artikel 18 van de wapenwet en werd hij er niet van ingelicht dat de betrokken wapens niet in bewaring konden worden gegeven bij personen met een jachtverlof. Verzoeker meent dat hij op grond van de door het bestuur gewekte verwachting dat zijn wapens correct in bewaring waren gegeven, er rechtmatig kon van uitgaan dat hij aan alle wettelijke voorwaarden had voldaan. Verzoeker wijst er ook op dat hij de wapens onverwijld definitief heeft overgedragen, en zelfs afstand heeft gedaan van één wapen, nadat er door het kabinet van de korpschef, naar aanleiding van het advies gevraagd in het kader van de procedure die tot de bestreden beslissing heeft geleid, werd aangegeven dat de wapens niet correct in bewaring waren gegeven.

16. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het compleet onredelijk is om van een hobbyjager te verwachten dat hij zou dienen na te gaan of de politie, en bij uitbreiding de dienst Wapens bij de provincie, bij het

XIV-36.007-15/21

verwerken van zijn formulieren van inbewaringgeving de procedure van de wapenwet correct volgt. Verzoeker meent dat hij er op mocht vertrouwen dat de politie enige controle zou uitvoeren op de inbewaringgeving van wapens.

In de laatste memorie betwist verzoeker dat reeds ab initio en uitsluitend naar een erkend wapenhandelaar als mogelijke bewaarnemer werd verwezen in de beslissing in beroep van 30 maart 2012. Verzoeker blijft dan ook van mening dat hem niet ten kwade kan worden geduid dat hij in de veronderstelling was dat het in bewaring geven van zijn wapens aan een persoon die over een vergunning beschikt een voldoende waarborg zou zijn en hij verwijst daartoe nog naar een arrest van het Grondwettelijk Hof waaruit volgens hem blijkt dat de explicitering van artikel 18 van de wapenwet voor interpretatie vatbaar is.

Beoordeling

Eerste middelonderdeel

17. Een schending van het redelijkheidsbeginsel en van het proportionaliteitsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordeling - of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel kunnen derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.

Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van de bevoegde administratieve overheid. Hij is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de

XIV-36.007-16/21

administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen.

18. Zoals reeds bij de behandeling van het eerste onderdeel van het eerste middel werd gesteld (supra, punt 8), is de juridische grondslag voor de bestreden beslissing niet artikel 13 maar artikel 11, § 3, 5°, van de wapenwet. Zoals reeds is vastgesteld, betreft het te dezen geen intrekkingsbeslissing maar een weigeringsbeslissing gegrond op de vaststelling dat er nog actuele redenen zijn van een eerdere intrekking.

Bij de behandeling van het tweede onderdeel van het eerste middel werd tevens reeds vastgesteld dat de beroepsinstantie in verband met de beoordeling van de niet betwiste inbreuken op de wapenwetgeving en van het niet schikken naar de eerdere beslissing van de vergunningverlenende overheid als feiten die actuele redenen van een eerdere intrekking van zijn wapenvergunning uitmaken, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van haar appreciatiebevoegdheid niet te buiten gaat. Op grond van artikel 11, § 3, 5°, van de wapenwet beschikte de verwerende partij te dezen niet over enige discretionaire beoordelingsvrijheid wanneer zij, zoals te dezen, wettig vaststelt dat er nog actuele redenen zijn van de eerdere intrekking. In deze context vermocht zij niet anders dan de vergunning te weigeren, zodat een schending van het proportionaliteits- en redelijkheidsbeginsel dan ook niet aan de orde is.

19. Het eerste middelonderdeel faalt in rechte en is derhalve ongegrond.

XIV-36.007-17/21

Tweede middelonderdeel

20. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middelonderdeel op grond van de volgende overwegingen.

In de eerste plaats dient te worden vastgesteld dat in de voorafgaande beslissing van de verwerende partij van 30 maart 2012, waarbij verzoekers beroep tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen van 21 maart 2011 wordt verworpen en zijn recht om vuurwapens voorhanden te hebben wordt ingetrokken, aan verzoeker meteen de volgende - zeer duidelijke - instructies worden verschaft over wat hem in concreto te doen staat ingevolge die beslissing:

“Voor zover dit nog niet is gebeurd, dient u zich in orde te stellen door:

- ofwel het (de) wapens(s) in kwestie te verkopen of te schenken aan een erkende persoon (wapenhandelaar, -verzamelaar of een particulier die voor het wapen wel een vergunning kan verkrijgen);

- ofwel kosteloos afstand te doen van het (de) wapen(s) bij de lokale politie van uw verblijfplaats;

- ofwel het (de) wapen(s) te laten neutraliseren door de Proefbank te Luik (rue Fond-des-Tawes 45, tel. 04/227.14.55). Dit betekent dat het (de) wapen(s) definitief vuuronklaar wordt (worden) gemaakt waardoor het (de) wapen(s) vergunningsvrij wordt (worden);

- het (de) wapen(s) in bewaring te geven bij een erkend wapenhandelaar waardoor u de facto niet langer in het bezit bent van het (de) wapen(s), maar wel eigenaar blijft.”

Wat de optie van het in bewaring geven betreft wordt dus uitsluitend verwezen naar een erkend wapenhandelaar als mogelijk bewaarnemer.

De aangehaalde vermelding in de beslissing van 30 maart 2012

vormt een explicitering van artikel 18 van de wapenwet. Die bepaling voorziet enkel in de mogelijkheid van opslag/bewaargeving bij een erkend persoon, wat door de verwerende partij aan verzoeker uitdrukkelijk werd verduidelijkt als zijnde een erkend wapenhandelaar.

Verzoeker werd door de lokale politie een standaardformulier ter beschikking gesteld om de overdracht van de betrokken wapens te regelen. Op dit

XIV-36.007-18/21

formulier is inderdaad een veld voorzien waarop het nummer van een geldig jachtverlof kan worden ingevuld. Het formulier betreft echter zowel de hypothese van de bewaargeving als deze van de verkoop, zoals duidelijk blijkt uit het opschrift ervan: “Formulier van inbewaargeving of verkoop van een vuurwapen”.

De vermelding op dit formulier van een veld waarop het nummer van een geldig jachtverlof kan worden ingevuld, dient dan ook te worden gelezen in samenhang met artikel 18 van de wapenwet, dat de bewaargeving aan andere personen dan degenen die over een erkenning in de zin van de wapenwet beschikken uitsluit. De mogelijkheid om het nummer van een geldig jachtverlof te vermelden op het formulier is dan ook enkel relevant in zoverre er sprake zou zijn van de verkoop van een vuurwapen.

Verzoeker voert aan dat het hem niet duidelijk was dat een persoon met een jachtverlof niet als een erkend persoon in de zin van artikel 18 van de wapenwet kon worden beschouwd en dat de lokale politie hem daar evenmin op wees. Het is evenwel evident dat het beschikken over een jachtverlof niet mag worden gelijkgesteld aan het bezitten van een erkenning in de zin van de wapenwet, in de context van welke wet een erkenning enkel betrekking kan hebben op wapenhandelaars (artikel 5 van de wapenwet), musea of verzamelingen (artikel 6 van de wapenwet) of het vervoer van wapens (artikel 21 van de wapenwet). Een jager mag op grond van zijn jachtverlof welbepaalde vuurwapens voorhanden hebben voor zijn eigen gebruik in de jacht, doch niet zonder meer de vuurwapens van derden voor onbepaalde duur in bewaring nemen. Verzoeker moet, ook als hobbyjager, worden geacht de wet te kennen. Dat de lokale politie mogelijkerwijze geen opmerkingen zou hebben gemaakt op het onjuist ingevulde formulier, doet hieraan geen afbreuk. Bovendien werd hem te dezen ab initio door de verwerende partij ondubbelzinnig duidelijk gemaakt wat hem te doen stond om zich in regel te stellen.

Aldus kan niet worden aangenomen dat de overheid door enige omissie bij verzoeker een rechtmatig vertrouwen had gewekt dat hij in

XIV-36.007-19/21

overeenstemming met de wapenwet had gehandeld door zijn vuurwapens bij jagers in bewaring te geven. De bestreden beslissing schendt het vertrouwensbeginsel dan ook niet.

Het komt dan ook niet als een onzorgvuldigheid voor dat de verwerende partij de bestreden beslissing mede heeft gesteund op de vaststelling dat verzoeker zich gedurende bijna drie jaar niet heeft gehouden aan haar vorige beslissing. Verzoeker mag inderdaad worden geacht zich correct en binnen de gestelde termijn te schikken naar de duidelijke en wettige instructies van de overheid inzake zijn wapenbezit.

Het tweede onderdeel is niet gegrond.

21. Verzoeker betwist deze conclusie doch hij gaat in zijn laatste memorie voorbij aan het in het verslag van het auditoraat geduide fundamentele onderscheid tussen de overdracht en de inbewaargeving van vuurwapens, zoals dat onderscheid ook wordt gehanteerd in de wapenwet en in de voorafgaande beslissing van de verwerende partij. Voor het overige herhaalt verzoeker zijn standpunt.

De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond.

Conclusie

22. Het tweede middel is in zijn geheel ongegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

XIV-36.007-20/21

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver-

klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-

vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien januari tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.007-21/21

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.429