Belgian State wins appeal against invalidity claim for accountant chamber president appointment decision.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's appeal seeking the annulment of the royal decree appointing the president of the Dutch-speaking Executive Chamber of the Certified Accountants and Tax Advisers Institute. The applicant argued the appointment lacked proper motivation and procedural transparency, but the court found the administrative decision sufficiently reasoned and the applicant's complaints about unreadable details or lack of comparative scores were unfounded. Consequently, the court rejected the claim as groundless and ordered the applicant to bear the litigation costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IARoyal Decree; Council of State; Administrative Procedure; Motivation of Decisions; Judicial Review: The Council of State holds that an administrative decision appointing a public official is valid if it contains sufficient reasoning, even if the applicant requests more detailed comparative scores or specific written justifications for individual criteria.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 240.425 van 16 januari 2018
in de zaak A. 217.676/XIV-36.795
In zake : Hugo LAMON
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Stommels kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220/14
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO‟s, Landbouw en Maatschappelijke Integratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Joy Moens kantoor houdend te 1050 Brussel Waterloosesteenweg 612
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
Frank VANBIERVLIET
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8210 Zedelgem Spoorwegstraat 11
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 27 november 2015, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 30 augustus 2015 „tot benoeming van de voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten‟.
XIV-36.795-1/33
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Frank Vanbiervliet heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 24 februari 2016.
De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2017.
Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Jan Fransen, die loco advocaat Marc Stommels verschijnt voor verzoeker, advocaat Joy Moens, die loco advocaat Jean-François De Bock verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
XIV-36.795-2/33
III. Feiten
3.1. Op 10 januari 2015 komt er voor R. M. en P. C. een einde aan hun mandaat van voorzitter respectievelijk plaatsvervangend voorzitter van de Nationale Uitvoerende Kamer (hierna: de NUK) van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten (hierna: het Beroepsinstituut).
3.2. Op 2 maart 2015 wordt de oproep tot kandidaten voor het mandaat van voorzitter en van plaatsvervangend voorzitter bij de NUK van het Beroepsinstituut in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De taken, deelnemingsvoorwaarden en vereiste competenties voor beide mandaatfuncties luiden:
“Optreden als voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten.
Taken:
Als administratief orgaan:
- toezicht op de werkzaamheden van de secretaris;
- het opstellen en viseren van goed gemotiveerde beslissingen.
Als beslissend orgaan:
- beoordelen van de beroepskwalificaties van de aanvrager.
Als onderzoeks- en vervolgingsorgaan:
- nagaan of de beroepsbeoefenaar bij de uitoefening van zijn opdracht te kort is gekomen aan zijn beroepsverplichtingen;
- nagaan of de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en onomkoopbaarheid werden nageleefd;
- oordelen over de opportuniteit van een tuchtrechtelijke vervolging op basis van de resultaten van het door de rechtskundig assessor ingestelde onderzoek.
Deelnemingsvoorwaarden:
- ofwel bent u zetelende- of eremagistraat;
- ofwel bent u advocaat en gedurende ten minste 10 jaar ingeschreven op een tableau van de Orde van advocaten;
- u bent Nederlandstalig.
Competenties Kennis van:
o Kennis:
- regelgeving toegang tot het beroep van boekhouder(-fiscalist);
- tuchtrecht;
- motivering van beslissingen.
o Generieke competenties:
- U bent integer en kan te allen tijde de onafhankelijkheid bewaren;
- U beschikt over een analytisch en synthetisch vermogen. U bent in staat om gericht gegevens te analyseren en informatie te beoordelen;
- U bent verantwoordelijk voor een juridisch inhoudelijke en adequate behandeling van de voorgelegde zaken;
XIV-36.795-3/33
- U waakt er over dat de procedures en wetgeving correct worden toegepast;
- U handelt consequent, u neemt in soortgelijke omstandigheden soortgelijke standpunten in of een soortgelijke houding aan;
- U beschikt over uitstekende organisatorische vaardigheden;
- U toont de inzet, de wil en de ambitie om resultaten te boeken op de meest efficiënte manier.
o Pluspunten:
- kennis van handels, fiscaal- en vennootschapsrecht;
- publicaties in verband met de hierboven aangehaalde materies;
- ervaring in gelijkaardige organen.”
De kandidaturen moeten “binnen de 30 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad” worden ingediend.
3.3. Bij aangetekend schrijven van 24 maart 2015 stelt verzoeker zich kandidaat voor zowel het mandaat van voorzitter als dat van plaatsvervangend voorzitter van de NUK.
Naast verzoeker stellen nog twee andere kandidaten zich kandidaat voor beide mandaten, namelijk R. L. en F. B..
De tussenkomende partij, evenals de uittredende voorzitter R. M. en Ph. D.C. stellen zich enkel kandidaat voor het mandaat van voorzitter.
P. C. die op dat ogenblik uittredend plaatsvervangend voorzitter is, stelt zich enkel kandidaat voor het opengevallen mandaat van plaatsvervangend voorzitter.
3.4. Bij e-mail van 6 mei 2015 wordt verzoeker uitgenodigd voor een interview dat zal worden afgenomen door een administratieve jury. Er wordt tevens meegedeeld dat tijdens het interview dat op 20 mei 2015 doorgaat, zal worden nagegaan of de competenties van verzoeker overeenkomen met het vereiste profiel voor de mandaatfunctie van voorzitter van de NUK van het Beroepsinstituut. Er wordt bijkomend aangekondigd dat er vragen zullen worden gesteld over de motivatie van verzoeker, zijn interesse voor en zijn affiniteit met het werkterrein.
XIV-36.795-4/33
Nog diezelfde dag bevestigt verzoeker de goede ontvangst van deze uitnodiging, evenals het feit dat hij op 20 mei 2015 aanwezig zal zijn voor het interview.
3.5. Op 20 mei 2015 vindt het interview met de administratieve jury plaats. De overige kandidaten hebben eveneens een interview met de administratieve jury, dit in een identieke samenstelling respectievelijk op 20 mei 2015, 28 mei 2015 en 29 mei 2015.
Tijdens deze interviews worden de kandidaten beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
(1.) motivatie: heeft de kandidaat een goed beeld van de functie, beschikt de kandidaat over de nodige interesse voor de vacante functie, heeft de kandidaat zich voldoende voorbereid en heeft de kandidaat een goede kennis van de organisatie (max. 5 punten te verdienen);
(2.) technische competenties: kennis van de regelgeving en de toegang tot het beroep van boekhouder(-fiscalist), kennis van het tuchtrecht en de motivering van beslissingen (max. 5 punten te verdienen); en (3.) generieke competenties: informatie analyseren, objectieven behalen, betrouwbaarheid tonen en organiseren (max. 20 punten te verdienen).
3.6. Verzoeker behaalt op het interview een score van 24/30. Uit de motivatiefiche blijkt dat dit resultaat als volgt is samengesteld:
Motivatie: 4/5 (bestaande uit 3 keer “+” en 1 keer “1/2”);
Technische competenties: 4/5 (bestaande uit 3 keer “+”);
Informatie analyseren: 5/5 (bestaande uit 6 keer “+”);
Objectieven behalen: 4/5 (bestaande uit 6 keer “+”);
Betrouwbaarheid tonen: 4/5 (bestaande uit 6 keer “+”);
Organiseren: 3/5 (bestaande uit 2 keer “+” en 4 keer “1/2”).
Verzoeker wordt met voormeld resultaat door de administratieve jury (als derde) gerangschikt, na de tussenkomende partij (die
XIV-36.795-5/33
eerst gerangschikt wordt) en na R. L. en R. M. die beide - met een score van 25/30 - als tweede worden gerangschikt.
Uit de motivatiefiche die op R. L. betrekking heeft, blijkt dat zijn resultaat (25/30) als volgt is samengesteld:
Motivatie: 4/5 (bestaande uit 3 keer “+” en 1 keer “1/2”);
Technische competenties: 3/5 (bestaande uit 3 keer “1/2”);
Informatie analyseren: 4/5 (bestaande uit 6 keer “+”);
Objectieven behalen: 5/5 (bestaande uit 6 keer “+”);
Betrouwbaarheid tonen: 5/5 (bestaande uit 6 keer “+”);
Organiseren: 4/5 (bestaande uit 6 keer “+”).
R. M. behaalt, net als R. L., een score van 25/30. Uit de betrokken motivatiefiche blijkt dat dit resultaat als volgt is samengesteld:
Motivatie: 5/5 (bestaande uit 4 keer “+”);
Technische competenties: 5/5 (bestaande uit 3 keer “+”);
Informatie analyseren: 4/5 (bestaande uit 1 keer “1/2” en 5 keer “+”);
Objectieven behalen: 4/5 (bestaande uit 6 keer “+”);
Betrouwbaarheid tonen: 4/5 (bestaande uit 6 keer “+”);
Organiseren: 3/5 (bestaande uit 2 keer “1/2” en 4 keer “+”).
De tussenkomende partij, tot slot, behaalt een score van 28/30.
Uit de motivatiefiche opgesteld tijdens het interview blijkt dat dit resultaat als volgt is samengesteld:
Motivatie: 5/5 (bestaande uit 4 keer “+”);
Technische competenties: 4/5 (bestaande uit 3 keer “+”);
Informatie analyseren: 5/5 (bestaande uit 6 keer “+”);
Objectieven behalen: 5/5 (bestaande uit 6 keer “+”);
Betrouwbaarheid tonen: 5/5 (bestaande uit 6 keer “+”);
Organiseren: 4/5 (bestaande uit 6 keer “+”).
3.7. Bij e-mail van 29 mei 2015 wordt aan verzoeker meegedeeld dat hij een score van 24/30 behaalde. Ook de overige kandidaten worden op dat ogenblik op dezelfde wijze op de hoogte gebracht van de door hen behaalde score. Er wordt tevens meegedeeld “dat de verdere administratieve afhandeling zal gebeuren door de Algemene Directie K.M.O.-beleid” waarbij wordt vermeld dat de contactpersoon is terug te vinden “in „cc‟ van deze mail”.
XIV-36.795-6/33
3.8. Bij e-mailbericht van 3 juni 2015 vraagt verzoeker om bijkomende informatie aangaande de hem meegedeelde globale score. Hij stelt in zijn e-mail dat de mededeling van de globale score enkel zinvol kan zijn indien ze “hetzij wordt vergezeld van een motivering, hetzij wordt aangevuld met de scores van de andere kandidaten (die u overigens niet bij naam dient te noemen)”.
3.9. Bij aangetekend schrijven van 1 oktober 2015 wordt verzoeker, net als de overige kandidaten voor het mandaat van voorzitter van de NUK van het Beroepsinstituut, in kennis gesteld van het koninklijk besluit van 30 augustus 2015 „tot benoeming van de voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten‟. Bij artikel 1 van dit besluit wordt de tussenkomende partij tot voorzitter benoemd voor een termijn van zes jaar. Dit koninklijk besluit luidt:
“Gelet op de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, artikel 45/1, §11, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2013;
Gelet op het koninklijk besluit van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht, artikel 7, §1, vervangen bij het koninklijk besluit van 17 oktober 2006;
Gelet op de oproep tot kandidaten betreffende de mandaten van voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 2 maart 2015;
Gelet op de kandidatuur van dhr. [R. M.] van 13 maart 2015 voor de functie van voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten;
Overwegende dat dhr. [R. M.] voldoet aan de wettelijke voorwaarde voor de benoeming voor de functie van voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, aangezien hij ingeschreven is bij de balie van Brugge sinds 1 oktober 1970;
Overwegende dat dhr. [R. M.] in het bezit is van het diploma van doctor in de rechten afgeleverd door de R.U.G. in 1970;
Overwegende dat dhr. [R. M.] talrijke balieactiviteiten uitgeoefend heeft met name lid van de arbitragecommissie bij de balie te Brugge van 1981 tot 1997, lid van de raad van de orde van de balie te Brugge van 1 september 2001 tot 14 maart 2007 en van 1 september 2009 tot augustus 2011, vice-stafhouder van dezelfde balie van 1 september 2003 tot 31 augustus 2005 en stafhouder van 1 september 2005 tot 14 maart 2007 en tenslotte bestuurder van de Orde van de Vlaamse balies van 14 maart 2007 tot 31 augustus 2008;
Overwegende dat dhr. [R. M.] plaatsvervangend vrederechter was bij het 1ste kanton te Brugge tot 31 maart 2013 en thans ereplaatsvervangend vrederechter is;
Overwegende dat dhr. [R. M.] benoemd werd tot voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende
XIV-36.795-7/33
Boekhouders en Fiscalisten gedurende drie opeenvolgende mandaten gedurende de periode 1999 tot 2015;
Overwegende dat dhr. [R. M.] leraar is aan de School voor Bestuursrecht van West-Vlaanderen sinds 1975;
Overwegende dat dhr. [R. M.] voorlopig bewindvoerder en curator is van faillissementen;
Gelet op de klachtenbrief van 12 december 2014 van de voorzitter van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, dhr. [C.], gericht aan Minister Willy Borsus, waarbij hij de werkmethode van dhr. [R. M.] als voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer in vraag stelt, meer bepaald zijn gebrek aan onpartijdigheid en neutraliteit als voorzitter van deze Kamer;
Gelet dat in dezelfde brief gewezen wordt op het feit dat dhr. [M.] een persoonlijk gevecht voerde tegen de beslissingen van de stagecommissie, hetgeen niet alleen de geloofwaardigheid van de stagecommissie aantast, maar ook een bedreiging vormt voor de faam, de reputatie en de geloofwaardigheid van het Instituut;
Gelet dat uit dezelfde brief, dhr. [C.] een onkostennota betwist, ingediend door dhr. Micholt voor het opmaken van beslissingen van de Uitvoerende Kamer, daar dhr. [C.] aangeeft dat deze beslissingen, waarvan 2 in kopie bij zijn schrijven gevoegd, grotendeels standaard beslissingen zijn;
Gelet op het feit dat dhr. [C.] aangeeft als voorzitter van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten de hernieuwing van het mandaat van dhr. [M.] niet te steunen;
Gelet op de reactie van dhr. [R. M.] op dit schrijven, per brief van 29 mei 2015
gericht aan de Minister, waarin hij meldt dat hij nooit enige bemerking heeft gekregen op de maandelijkse onkostennota‟s en dat deze, zowel door de penningmeester als door de voorzitter, dhr. [C.], ondertekend werden, wat ook blijkt uit de ingezonden stukken;
Gelet op de brief van dhr. [D.] van 26 mei 2015, rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, als reactie op de brief van 12 december 2014 van dhr.
[C.], gericht aan Minister Willy Borsus, waarbij hij de objectiviteit van dhr. [C.] in twijfel trekt omwille van het feit dat hij in zijn brief aan de heer Minister het schrijven dat dhr. [M.] zou gericht hebben aan dhr. [S.], ondervoorzitter van de stagecommissie, waarin alle grieven van de heer [C.] feitelijk en juridisch zouden weerlegd zijn, niet heeft vermeld;
Gelet op dezelfde brief waarin dhr. [D.] stelt dat de beslissingen niet als standaard beslissingen kunnen beschouwd worden, daar het gaat om delicate dossiers en het opstellen van deze juridische teksten daardoor heel wat uren tijd kan vergen en de zitpenningen volgens hem niet buitenmatig of onredelijk zijn;
Gelet op dezelfde brief waarin dhr. [D.] verwijst naar het verslag van de Koning met betrekking tot het koninklijk besluit van 19 september 2008 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht, waaruit hij citeert: „uit respect voor onontbeerlijke onafhankelijkheid van de kamers geldt voor de zitpenningen van de mandaathouders ervan geen maximum, aangezien de organisatie van die organen onder de verantwoordelijkheid van de voorzitters, magistraten of advocaten valt.‟ en hij concludeert dat het niet aan de voorzitter van het Beroepsinstituut toekomt te oordelen over de in rekening gebrachte prestaties;
Gelet op de aangetekende brief van 3 april 2015 van dhr. [R. M.] gericht aan de administratie waarbij hij mededeling vraagt van alle documenten van het dossier, zich baserende op de wet van 11 april 1994 aangaande de openbaarheid van
XIV-36.795-8/33
bestuur;
Overwegende dat deze documenten hem opgestuurd werden door de Minister op 19 mei 2015;
Gelet op de aangetekende brief van 16 januari 2015 van dhr. [P. D.], rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, waarbij hij de deskundigheid en de inzet van dhr. [M.] looft en waarbij hij verwijst naar de onafhankelijkheid die dhr. [M.] steeds hanteert en naar zijn juridische beoordeling van elk dossier;
Gelet op de brief van 29 januari 2015 van de drie leden van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, de heren [Dem.] en [J.] en mevr. [D.], gericht aan Minister Willy Borsus, waarbij zij benadrukken dat dhr. [M.] over een grote kennis inzake de toegang tot het beroep van boekhouder-fiscalist beschikt en inzake de deontologische regels van dit beroep zowel naar procedure als naar inhoud;
Gelet op dezelfde brief waaruit blijkt dat dhr. [M.] volgens deze leden over een expertise inzake vergadertechnieken beschikt en een juridisch correcte besluitvorming toepast, en dat hij de onafhankelijkheid van de kamer en van zijn leden verdedigt en hen waarborgt tegen eventuele druk van buiten uit;
Gelet dat deze leden de verlenging van het mandaat van dhr. [M.] steunen;
Overwegende dat door het opnemen in een individuele beslissing van een problematiek die een individueel dossier te boven gaat en het organiseren van een openlijke confrontatie tussen leden van de stagecommissie en de stagiair en zijn stagemeester, dhr. [M.] niet enkel de geloofwaardigheid van de stagecommissie aantast, maar dat dit ook een bedreiging vormt voor de reputatie en de geloofwaardigheid van het Instituut;
Overwegende dat na onderzoek van alle elementen, en zelfs indien de aantijgingen van dhr. [C.] aangaande de aangerekende zitpenningen niet kunnen weerhouden worden daar hij hieraan zelf zijn goedkeuring heeft gegeven door deze te ondertekenen, de klachtenbrief van dhr. [C.], in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, belast met het verzekeren van de goede werking van het Instituut, primeert boven de getuigenissen van de rechtskundige assessor, dhr. [P. D.] en de drie leden van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten;
Gelet op de kandidatuur van [verzoeker] van 24 maart 2015 voor de functies van voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten;
Overwegende dat [verzoeker] voldoet aan de wettelijke voorwaarde voor de benoeming voor de functies van voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, aangezien hij ingeschreven is bij de balie van Hasselt sinds 1 september 1988;
Overwegende dat [verzoeker] in het bezit is van diploma van licentiaat in de rechten afgeleverd door de KUL in 1985;
Overwegende dat [verzoeker] advocaat is en aangeeft regelmatig dossiers inzake tuchtrecht te behandelen;
Overwegende dat [verzoeker] sinds 2007 plaatsvervangend rechter is bij de Rechtbank van Koophandel te Hasselt;
Overwegende dat [verzoeker] lid is van de kernredactie en medeoprichter is van het tijdschrift „Today‟s lawyer‟;
XIV-36.795-9/33
Overwegende dat [verzoeker] talrijke artikels en boeken gepubliceerd heeft aangaande juridische en economische thema‟s;
Overwegende dat [verzoeker] lector geweest is inzake mediarecht en journalistieke deontologie bij de Xios-Hogeschool tijdens de periode 2008 tot 2013;
Gelet op de kandidatuur van dhr. [R. L.] van 26 maart 2015 voor de functies van voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten;
Overwegende dat dhr. [R. L.] voldoet aan de wettelijke voorwaarde voor de benoeming voor de functies van voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, aangezien hij ingeschreven is bij de balie van Antwerpen sinds 1 oktober 1978;
Overwegende dat dhr. [R. L.] in het bezit is van het diploma van licentiaat in de rechten afgeleverd in het jaar 1977 en van de geaggregeerde voor onderwijs afgeleverd in 1980;
Overwegende de ervaring van dhr. [R. L.] als advocaat;
Overwegende dat dhr. [R. L.] plaatsvervangend rechter is van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen sinds 1988;
Overwegende dat dhr. [R. L.] voorzitter is van de Nederlandstalige Kamer van de Federale Raad van landmeters-experten sinds oktober 2004;
Overwegende dat dhr. [R. L.] voorzitter is van de Nederlandstalige Kamer van de tuchtcommissie van het Instituut van de auto-experts sinds oktober 2014;
Overwegende dat dhr. [R. L.] lid is van de tuchtcommissie van de gerechtsdeurwaarders van het rechtsgebied Antwerpen;
Overwegende dat dhr. [R. L.] lector is in juridische vakken aan de Karel de Grote Hogeschool en de Plantijn Hogeschool in Antwerpen en verbonden is aan het avondonderwijs en de Syntra-leergangen;
Gelet op de kandidatuur van dhr. [F. B.] van 30 maart 2015 voor de functies van voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten;
Overwegende dat dhr. [F. B.] voldoet aan de wettelijke voorwaarde voor de benoeming voor de functies van voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, aangezien hij magistraat, toegevoegd rechter is bij de Rechtbank van Koophandel van Antwerpen sinds 11 december 2007;
Overwegende dat dhr. [F. B.] in het bezit is van het diploma van licentiaat in de rechten behaald aan de UA in 2001 en van het diploma van doctor in de rechten in 2013;
Overwegende dat dhr. [F. B.] in het bezit is van een getuigschrift van de gespecialiseerde opleiding om het ambt van onderzoeksrechter te kunnen uitoefenen overeenkomstig artikel 259sexies, §1, 1°, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
Overwegende dat dhr. [F. B.] in het bezit is van het getuigschrift van de gespecialiseerde opleiding om de functie van stagemeester te kunnen uitoefenen overeenkomstig artikel 259octies, §3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
Overwegende dat dhr. [F. B.] sinds 1 januari 2005 navorser is aan de faculteit rechten van de UA op het vlak van het medisch recht;
Overwegende dat dhr. [F. B.] gastdocent is voor verschillende vakken aan de Faculteit rechten van de UA;
Overwegende dat dhr. [F. B.] mentor is voor de studenten van het eerste jaar
XIV-36.795-10/33
master rechten van de UA wat betreft de verplichte praktijkstage en dat hij algemeen verantwoordelijk is voor de begeleiding van studentenstages binnen de rechtbank;
Overwegende dat dhr. [F. B.] stagemeester is voor gerechtelijke stagiairs;
Overwegende dat dhr. [F. B.] de auteur is van talloze publicaties betreffende verschillende juridische domeinen sinds de jaren 2001 tot heden;
Overwegende de door dhr. [F. B.] gepubliceerde rechtsleer tijdens de jaren 2006 tot heden;
Gelet op de kandidatuur van [de tussenkomende partij] van 30 maart 2015 voor de functie van voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten;
Overwegende dat [de tussenkomende partij] voldoet aan de wettelijke voorwaarde voor de benoeming voor de functie van voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, aangezien hij ingeschreven is bij de balie van Kortrijk sinds 20 oktober 1993;
Overwegende dat [de tussenkomende partij] in het bezit is van het diploma van licentiaat in de rechten afgeleverd door de KUL in het jaar 1990 en van gegradueerde in fiscale wetenschappen van de Fiscale Hogeschool Brussel afgeleverd in 1991;
Overwegende dat [de tussenkomende partij] advocaat is op de afdeling fiscaal recht bij een advocatenkantoor, aanvankelijk als medewerker en sinds het jaar 2003 als vennoot;
Overwegende dat [de tussenkomende partij] lector is bij Syntra West waar hij het vak fiscaliteit doceert voor de opleiding accountant en het vak fiscale procedure voor de opleiding van fiscalist en boekhouder;
Overwegende dat [de tussenkomende partij] lector is aan de Brugge Business school waar hij sinds 2008 het vak BTW doceert in diverse opleidingen;
Overwegende dat [de tussenkomende partij] regelmatige spreker is voor diverse seminaries aangaande boekhoudkundige en fiscale thema‟s van 1998 tot heden;
Overwegende dat [de tussenkomende partij] plaatsvervangend jurylid is bij de stagecommissie van Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten;
Overwegende dat [de tussenkomende partij] annotator is voor het „Tijdschrift Fiscaal Recht‟;
Overwegende dat [de tussenkomende partij] de auteur is van talloze publicaties aangaande boekhoudkundige en fiscale thema‟s en dit gedurende de jaren 1999 tot 2011;
Gelet op de kandidatuur van dhr. [P. D. C.] van 31 maart 2015 voor de functie van voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroeps-
instituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten;
Overwegende dat dhr. [P. D. C.] voldoet aan de wettelijke voorwaarde voor de benoeming voor de functie van voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, aangezien hij ingeschreven is bij de balie van Brussel sinds 22 juli 1987;
Overwegende dat dhr. [P. D. C.] in het bezit is van het diploma van licentiaat in de rechten afgeleverd door de UIA in 1978 en van het getuigschrift van kandidaat gerechtsdeurwaarder;
Overwegende dat dhr. [P. D. C.] oprichter en partner is van twee advocatenassociaties;
Overwegende dat dhr. [P. D. C.] bij beschikking vanaf 1 april 2008 en opnieuw vanaf 8 januari 2015 door de Eerste voorzitter aangesteld werd tot gedelegeerd plaatsvervangend raadsheer bij het Hof van Beroep te Brussel;
XIV-36.795-11/33
Overwegende dat dhr. [P. D. C.] benoemd werd tot plaatsvervangend voorzitter van de Nederlandstalige Kamer van de tuchtcommissie van het Instituut van de auto-experts sinds 10 oktober 2014 en gewezen voorzitter was van de Nederlandstalige erkenningsraad van de auto-experts;
Overwegende dat een administratieve jury belast is met een beoordeling van de verschillende kandidaturen door het in overweging nemen van de volgende criteria: motivatie, technische competenties, informatie analyseren, objectieven behalen, betrouwbaarheid tonen en organiseren;
Overwegende dat de kandidaten zich aangeboden hebben voor deze administratieve jury op 20, 28 en 29 mei 2015;
Gelet op het proces-verbaal van deze jury van de hogergenoemde data;
Overwegende dat een administratieve jury belast is met een beoordeling van de verschillende kandidaturen door het in overweging nemen van de volgende criteria: motivatie, technische competenties, informatie analyseren, objectieven behalen, betrouwbaarheid tonen en organiseren;
Overwegende dat de kandidaten zich aangeboden hebben voor deze administratieve jury op 20, 28 en 29 mei 2015;
Gelet op het proces-verbaal van deze jury van de hogergenoemde data;
Gelet op de resultaten van de administratieve jury waaruit blijkt dat de kandidaten voor de functie van voorzitter als volgt gerangschikt werden en volgende punten behaalden:
1. [de tussenkomende partij]: 28/30 punten 2. [R. M.]: 25/30 punten 2. [R. L.]: 25/30 punten 3. [verzoeker]: 24/30 punten 4. [Ph. D. C.]: 23/30 punten 5. [F. B.]: 12/30 punten Overwegende dat [de tussenkomende partij] als eerste van de zes kandidaten gerangschikt werd door de jury voor het mandaat van voorzitter;
Overwegende dat een vergelijkend onderzoek van de verschillende kandidaturen werd gedaan, op basis van het geheel van alle bovenstaande elementen;
Overwegende dat de aangetoonde ervaring en kennis inzake fiscaal recht van [de tussenkomende partij], in combinatie met zijn ervaring als plaatsvervangend jurylid bij de stagecommissie van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, zijn sterke motivatie, zijn hoge technische competenties, zijn vaardigheden om informatie te analyseren, objectieven te behalen, betrouwbaar-
heid te tonen en zijn organisatorische vaardigheden, van hem de beste kandidaat maken voor de benoeming tot voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten;
[…]”.
Dit is de bestreden beslissing.
Deze beslissing wordt bij uittreksel op 5 oktober 2015 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
XIV-36.795-12/33
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van “het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten samen gelezen met de motiveringsplicht”.
Verzoeker zet uiteen dat de bestreden beslissing een lijst van de elementen bevat die de kandidaten hebben aangehaald bij hun kandidaatstelling maar dat hieraan geen waardeoordeel wordt gekoppeld. Voorts stelt hij vast dat er in de bestreden beslissing een rangschikking door de administratieve jury wordt vermeld, die echter uit een loutere score bestaat. Aangezien het interview competenties betreft, volstaat een numerieke score niet. Het resultaat van het interview is niet dienstig omdat het de kandidaat geen enkel inzicht in de beoordeling geeft. De benoemende overheid moet in de bestreden beslissing de redenen aangeven die haar ertoe hebben gebracht een bepaalde kandidaat boven een andere te verkiezen. De bestreden beslissing houdt geen rekening met de verdiensten van de andere kandidaten en is een loutere opsomming van de kwaliteiten van de benoemde kandidaat. Bij de benoeming van de tussenkomende partij als voorzitter van de NUK van het BIBF wordt rekening gehouden met diens ervaring en kennis inzake fiscaal recht, terwijl R. L. dan weer als plaatsvervangend voorzitter wordt gekozen wegens zijn voorzitterschap van een ander tuchtorgaan, voorbijgaand aan de andere fiscaal expert, P.C.. Voor beide benoemingen werd nochtans naar dezelfde competenties gezocht en werd hetzelfde profiel gebruikt.
De beoordeling dient dan ook op dezelfde manier te geschieden voor alle kandidaturen, ongeacht de beoogde benoeming. Waaruit “de sterke motivatie, de hoge technische competenties, de vaardigheden om informatie te analyseren, objectieven te behalen, betrouwbaarheid te tonen en de organisatorische vaardigheden” van de tussenkomende partij blijken, is niet gekend. In ieder geval
XIV-36.795-13/33
staan in het bovenvermelde citaat uit de bestreden beslissing geen kwaliteiten die in een kort interview (want meer heeft minstens verzoeker niet doorlopen) getest kunnen worden. Uit de oproep tot kandidaten blijken de voorwaarden waaraan de kandidaten moeten voldoen en dient de kandidaat verplicht te beschikken over de in de oproep vermelde kennis en generieke competenties, maar niet noodzakelijk over de erin vermelde “pluspunten”. Verzoeker begrijpt niet hoe zijn kennis en generieke competenties werden beoordeeld. De beoordeling van de niet verkozen kandidaten focust immers uitsluitend op de “pluspunten”. Verwijzen naar niet gekende, “dus niet-gemotiveerde”, adviezen, kan geen afdoende motivering vormen.
Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord nog dat het antwoord van verweerder op zijn eerste middel een poging is om een post factum motivering te geven aan een niet afdoende gemotiveerde beslissing, aan de hand van voor verzoeker voorheen ongekende stukken of op basis van zogenaamde “evidentie”. De motivatiefiche uit het administratief dossier, waaruit zou moeten blijken dat er een motivering achter de puntentoekenning voor verzoeker schuilgaat, is bovendien volstrekt onleesbaar. Het is daarenboven niet duidelijk of dit notities zijn van één lid van de administratieve jury, dan wel de visie van de volledige jury. Het stuk is niet ondertekend en vermeldt geen naam van de opsteller. Zelfs al zou voormeld stuk uit het administratief dossier leesbaar zijn, dan nog zou het geen deel uitmaken van de motivering van de bestreden beslissing.
Bij het inleiden van het vernietigingsberoep had verzoeker immers enkel kennis van nietszeggende eindcijfers als beoordeling van competenties.Voorts oordeelt verzoeker dat hij helemaal niet vertrekt van een “verkeerd uitgangspunt” dat de activiteiten van de jury een “vergelijkende selectieproef” zouden uitmaken.
Verzoeker vertrekt van het uitgangspunt dat de bestreden beslissing in de motivering een waarde toedicht aan de werkzaamheden van de jury en de door deze jury toegekende punten minstens de facto als een advies hanteert. Dergelijke vorm van adviesverlening is slechts mogelijk als het advies ook met enige kritische blik door de benoemende overheid naar waarde geschat kan worden. De onleesbare tekst van de stukken van de jury is hiertoe in ieder geval niet dienstig. De bestreden
XIV-36.795-14/33
beslissing zou volgens verzoeker dan ook enkel de totaalscores vermelden, zonder enige kennis van de betekenis ervan. Voorts stelt verzoeker dat het interview met de administratieve jury bestond uit een kort en oppervlakkig overlopen van de criteria. Er is geen diepgaand onderzoek gebeurd aan de hand van casussen en praktijkvoorbeelden. Tot slot herhaalt verzoeker dat de individuele motivatiefiches van de administratieve jury geen gemotiveerde eindconclusie voor de betrokken kandidaat bevatten.
Ook in zijn laatste memorie herhaalt verzoeker dat op het ogenblik van het indienen van het beroep tot nietigverklaring geen afdoende motivering voorhanden was waaruit kon worden afgeleid waarom de keuze op de tussenkomende partij is gevallen, noch objectieve, redelijke en pertinente criteria ter kennis werden gebracht voor het verkiezen van een kandidaat boven een ander.
Beoordelingsfiches, namelijk de motivatiefiches waarvan de verwerende partij stelt dat ze aan de basis lagen van de bestreden beslissing doch die niet werden meegedeeld, kunnen niet meer worden gebruikt bij de beoordeling van de gegrondheid van het middel tot nietigverklaring. Voorts stelt verzoeker nog dat het niet hij is die gegevens moet aanbrengen waaruit blijkt dat hij kennelijk grotere verdiensten had om als (plaatsvervangend) voorzitter van de NUK van het BIBF te worden benoemd dan de tussenkomende partij. Verzoeker kan zich beperken tot wat vermeld wordt in de mededeling van de bestreden beslissing. De verdiensten werden weergegeven in de kandidaatstelling en aangetoond tijdens het interview.
Het is aan de benoemende overheid en niet aan verzoeker om op een correcte manier de gevraagde afweging te maken. Voorts blijft verzoeker erbij dat de schriftelijke motivatiefiches van de jury onleesbaar zijn zodat de benoemende overheid werd geconfronteerd met “onleesbare fiches met cijfers en + of – tekens”, zonder duidelijkheid waarom de cijfers werden gegeven. Het gaat niet om “een formeel gebrek waarachter geen materieel gebrek schuilgaat, maar om een onvoldoende kennis door de benoemende overheid van wat de eigen motieven zouden zijn”. Een beoordeling, rekening houdend met het gelijkheidsbeginsel, op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria, was dan ook niet mogelijk.
XIV-36.795-15/33
Beoordeling
Betreffende de schending van de formelemotiveringsplicht
5. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de wet van 29 juli 1991) verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.
Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
6. Voorhands wordt verzoeker niet bijgetreden waar hij stelt dat op zijn uitdrukkelijke vraag van 3 juni 2015 (cfr. punt 3.8) om bijkomende informatie nadat hem eerder op 29 mei 2015 de door hem behaalde globale score van 24/30 werd meegedeeld, niet werd ingegaan. In zijn e-mail van 29 mei 2015
stelt verzoeker dat de eerdere, loutere, mededeling van zijn globale score enkel zinvol kan zijn indien ze wordt vergezeld “hetzij […] van een motivering, hetzij wordt aangevuld met de scores van de andere kandidaten”. Anders dan verzoeker het ziet, is op die vraag wel degelijk ingegaan namelijk door de individuele mededeling aan verzoeker op 1 oktober 2015 van de bestreden beslissing, waarin zowel de motieven zijn aangebracht op grond waarvan de benoemende overheid
XIV-36.795-16/33
heeft gemeend de voorkeur te moeten geven aan de tussenkomende partij als de (door verzoeker gevraagde) scores die door de overige kandidaten zijn behaald.
Verzoeker die op 1 oktober 2015 in kennis werd gesteld van de bestreden beslissing waarvan de motivering integraal is weergegeven in punt 3.9, heeft aldus bij de kennisneming ervan ook kennis kunnen nemen van zowel de beoordelingscriteria, de toegekende punten, de rangschikking van de kandidaten, evenals van de motieven waarom de keuze van het bestuur uiteindelijk op de tussenkomende partij is gevallen. Uit de bestreden beslissing blijkt namelijk dat gekozen is voor de tussenkomende partij eensdeels omdat de tussenkomende partij “als eerste van de zes kandidaten gerangschikt werd door de jury voor het mandaat van voorzitter” (met een score van 28/30 tegenover 24/30 voor verzoeker) en anderdeels omdat, na vergelijkend onderzoek van de verschillende kandidaturen, op basis van het geheel van de in de bestreden beslissing aangehaalde elementen, “de aangetoonde ervaring en kennis inzake fiscaal recht van [de tussenkomende partij], in combinatie met zijn ervaring als plaatsvervangend jurylid bij de stagecommissie van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, zijn sterke motivatie, zijn hoge technische competenties, zijn vaardigheden om informatie te analyseren, objectieven te behalen, betrouwbaarheid te tonen en zijn organisatorische vaardigheden, van hem de beste kandidaat maken voor de benoeming tot voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten”.
Deze motivering verschaft aan verzoeker voldoende duidelijkheid over de determinerende motieven waarom de verwerende partij oordeelde dat de tussenkomende partij de beste kandidaat is. Verzoeker kende deze motieven op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep en heeft zodoende met kennis van zaken kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden, wat hij te dezen ook heeft gedaan en hem toegelaten heeft in zijn inleidend verzoekschrift inhoudelijke
XIV-36.795-17/33
kritiek te uiten op de motieven die aan de bestreden beslissing ten grondslag hebben gelegen.
De formelemotiveringsplicht reikt niet zover, ook niet wanneer tijdens het interview meer dan louter kennis wordt getoetst, dat samen met de bestreden beslissing ook stukken uit het administratief dossier zoals de door de administratieve jury opgestelde individuele motivatiefiche(s) met deelscores en bijhorende toelichting aan verzoeker moeten worden bezorgd. Met zijn grief dat hij niet eerder - dit is voorafgaand aan het door hem ingestelde vernietigingsberoep -, kennis kreeg van het niet-bindend advies van de administratieve jury en de door haar opgestelde beoordelingsfiches peilt verzoeker in wezen naar de “motieven van de motieven”. Overigens blijkt niet dat verzoeker nog om bijkomende informatie heeft gevraagd nadat hem de gemotiveerde bestreden beslissing individueel werd meegedeeld zodat ervan mag worden uitgegaan dat verzoeker op dat ogenblik oordeelde over voldoende informatie te beschikken.
7. In de mate verzoeker de schending van de formelemotiverings-
plicht aanvoert, is het middel ongegrond.
Betreffende de schending van het gelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiverings-
plicht
8. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de
XIV-36.795-18/33
redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten krachtens welk iedere burger gelijke toegang heeft tot die openbare ambten, vereist dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden onderzocht en vergeleken op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria. De overheid beschikt daarbij over een ruime discretionaire bevoegdheid zowel voor wat het vastleggen als de weging van de objectieve en relevante beoordelingscriteria betreft, die echter de redelijkheid als grens heeft.
In het kader van het door hem uit te oefenen wettigheids-
toezicht op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, komt het de Raad van State niet toe om zijn beoordeling over de titels en verdiensten van de kandidaten in de plaats te stellen van die van de benoemende overheid. Hij moet desgevraagd wel nagaan of de benoemende overheid bij het uitoefenen haar beoordelingsbevoegdheid, uitgegaan is van gegevens die in feite en in rechte juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de door haar vastgestelde criteria binnen de perken van de redelijkheid tot haar beslissing is gekomen. Het redelijkheids-
beginsel zou geschonden zijn indien de verwerende partij de klaarblijkelijk grotere aanspraken van verzoeker terzijde zou hebben geschoven op grond van criteria die kennelijk geen verband houden met de te begeven functie of die kennelijk geen groter belang vertonen dan de criteria waarop verzoeker beter scoort.
9. Verzoeker blijft in zijn inleidend verzoekschrift en memorie van wederantwoord erg karig en vaag wat zijn uiteenzettig betreft op welke wijze het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden. Zijn kritiek op dat punt lijkt vooral te zijn dat volgens hem de bestreden beslissing geen rekening houdt met de verdiensten van de andere kandidaten, dat bij de benoeming van de tussenkomende partij rekening wordt gehouden met diens ervaring en kennis
XIV-36.795-19/33
inzake fiscaal recht om hem als voorzitter te benoemen terwijl R. L. dan weer gekozen wordt (tot plaatsvervangend voorzitter) wegens zijn voorzitterschap van een ander tuchtorgaan “voorbijgaand aan de andere fiscaal expert, [P. C]”, hoewel, aldus verzoeker, voor beide benoemingen - dit is “voor voorzitter en zowel als voor ondervoorzitter (lees: plaatsvervangend voorzitter)” - naar dezelfde competenties werd gezocht en hetzelfde profiel werd gebruikt, zodat ook de beoordeling op dezelfde manier moest gebeuren. Voorts meent verzoeker nog dat in “een kort interview” geen kwaliteiten kunnen worden getest zoals in de bestreden beslissing worden vermeld. Tijdens dat interview, zo stelt hij in zijn memorie van wederantwoord, is “geen diepgaand onderzoek gebeurd aan de hand van casussen en praktijkvoorbeelden”.
10. Nochtans, uit de bestreden beslissing en de stukken van het administratief dossier blijkt dat alle kandidaten, verzoeker inbegrepen, eenzelfde procedure hebben doorlopen. Zij zijn allen tijdens een interview gehoord door een identiek samengestelde administratieve jury bestaande uit drie leden en kregen dezelfde vragen te beantwoorden. De kandidaten zijn door de jury beoordeeld aan de hand van dezelfde zes objectieve, redelijke en pertinente beoordelingscriteria, namelijk (1.) motivatie (onderverdeeld in de volgende deelaspecten: heeft de kandidaat een goed beeld van de functie, beschikt de kandidaat over de nodige interesse voor de vacante functie, heeft de kandidaat zich voldoende voorbereid en heeft de kandidaat een goede kennis van de organisatie); (2.) technische competenties (onderverdeeld in de volgende deelaspecten: kennis van de regelgeving en de toegang tot het beroep van boekhouder(-fiscalist), kennis van het tuchtrecht en de motivering van beslissingen); (3.) de generieke competentie “informatie analyseren”; (4.) de generieke competentie “objectieven behalen”; (5.) de generieke competentie “betrouwbaarheid tonen”; en, tot slot, (6.) de generieke competentie “organiseren”.
De generieke competentie “informatie analyseren” werd verder onderverdeeld in (a.) analytisch denken (m.n. de kandidaat onderscheidt relevante
XIV-36.795-20/33
en irrelevante informatie, heeft een goed inzicht in de oorzaken en gevolgen van gebeurtenissen en analyseert complexe situaties snel en doeltreffend); en (b.)
informatie beoordelen (m.n. analyseert kritisch de gegevens en detecteert tijdig onduidelijkheden, beoordeelt de beschikbare informatie op een objectieve en onbevooroordeelde manier en kwantificeert, vergelijkt en evalueert alternatieven). De generieke competentie “objectieven behalen” werd verder onderverdeeld in (a.) scorend vermogen tonen (m.n. benut opportuniteiten in het voordeel van de afdeling/directie en ziet langetermijnopportuniteiten voor de afdeling/dienst en speelt er met succes op in); (b.) resultaatgerichtheid tonen (m.n. behaalt resultaten op lange termijn door hinderpalen te overwinnen en behaalt resultaten met de afdeling door vlot in te spelen op onvoorziene omstandigheden); en (c.) verantwoordelijkheid opnemen voor ondernomen acties (m.n. legt verantwoording af ten aanzien van derden voor gemaakte fouten en behaalde resultaten en neemt tegenover de organisatie de verantwoordelijkheid op voor de kwaliteit van de geleverde expertise). De generieke competentie “betrouwbaarheid tonen” in (a.) eerlijk en integer handelen (m.n. behandelt informatie met de nodige discretie en behandelt anderen, in alle omstandigheden, op een eerlijke en rechtvaardige manier); (b.) consistent handelen (m.n. wint het vertrouwen van anderen door ondubbelzinnig te handelen en vertoont consistentie tussen principes, waarden en gedrag); en (c.) loyaal handelen (m.n. stemt zijn gedrag af op zijn/haar waarden en principes en handelt in overeenstemming met eigen principes en stemt deze af op die van de organisatie). De generieke competentie “organiseren” tot slot werd verder onderverdeeld in (a.)
doelstellingen bepalen (m.n. definieert objectieven in functie van de te behalen resultaten en vertaalt de beleidslijnen naar meetbare doelstellingen); (b.) proactief handelen (m.n. houdt rekening met onverwachte omstandigheden bij het opstellen van een planning en onderneemt acties, rekening houdend met toekomstige obstakels); en (c.) plannen (m.n. plant activiteiten op een logische en efficiënte wijze, rekening houdend met de prioriteiten en plant activiteiten en mensen in functie van de te behalen resultaten).
XIV-36.795-21/33
De gehanteerde beoordelingscriteria zijn wettig, objectief, duidelijk, redelijk en pertinent. Zij zijn voorts in overeenstemming met artikel 45/1, § 7, van de wet van 22 april 1999 „betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen‟ (hierna: de wet van 22 april 1999) dat betrekking heeft op de werking van de NUK, evenals met de in de oproep tot kandidaten van 2 maart 2015 opgesomde competenties. In de oproepingsbrief zijn de kandidaten er voorts op gewezen dat er tijdens het interview zou worden nagegaan of de competenties van de kandidaten overeenkomen met het vereiste profiel voor de functie van (plaatsvervangend) voorzitter bij de NUK van het BIBF. Er wordt in die oproepingsbrief ook aangegeven dat er vragen zullen worden gesteld over de motivatie van de kandidaten, hun interesse voor en hun affiniteit met het werkterrein. Uit de individuele motivatiefiches blijkt dat het interview dat de kandidaten (waaronder verzoeker) hebben gevoerd met de administratieve jury hierop gericht was, wat door verzoeker niet wordt betwist.
Op basis van de globale scores van de kandidaten, kwam de administratieve jury tot de volgende (voor de benoemende overheid niet-bindende) rangschikking van de verschillende kandidaten voor het opengevallen mandaat van voorzitter:
1 de tussenkomende partij 28/30 punten 2 R. M. 25/30 punten 2 R. L. 25/30 punten 3 verzoeker 24/30 punten 4 P. D.C. 23/30 punten 5 F. B. 12/30 punten
De beoordeling door de administratieve jury van de prestaties van de verschillende kandidaten tijdens het interview wordt door de door verzoeker in zijn uiteenzettingen aangebrachte elementen niet, minstens onvoldoende, aan het wankelen gebracht. Die elementen kunnen de Raad van State er evenmin toe brengen de door de jury toegekende deelscores (per getoetste competentie) en globale scores, inclusief de aan verzoeker toegekende
XIV-36.795-22/33
score van 24/30 of die van de tussenkomende partij (28/30) onderuit te halen of onredelijk te beoordelen.
11. De door de jury verleende scores worden verantwoord door voor elke kandidaat de verschillende onderzochte deelaspecten van een beoordelingscriterium te quoteren aan de hand van “+”, “1/2”, “-“ of “?”. Dit resulteerde uiteindelijk in een score van maximum 5 punten per beoordelingscriterium. Nadien werden de individuele scores op de zes beoordelingscriteria voor elke kandidaat samengeteld tot een globale score op 30
punten. De verleende scores worden voorts ondersteund door de stukken van het administratief dossier waarin, per kandidaat, een individuele motivatiefiche is opgenomen waarin de specifieke schriftelijke motivering voor de behaalde score wordt vermeld.
Uit de motivatiefiche opgesteld tijdens het interview blijkt dat de tussenkomende partij een score van 28/30 behaalt. Dit resultaat is als volgt samengesteld: Motivatie: 5/5 (bestaande uit 4 keer “+”); Technische competenties: 4/5 (bestaande uit 3 keer “+”); Informatie analyseren: 5/5
(bestaande uit 6 keer “+”); Objectieven behalen: 5/5 (bestaande uit 6 keer “+”);
Betrouwbaarheid tonen: 5/5 (bestaande uit 6 keer “+”); Organiseren: 4/5
(bestaande uit 6 keer “+”)(zie punt 3.6).. Hij scoort aldus op vier beoordelingscriteria hoger dan verzoeker en op de twee andere beoordelingscriteria (Technische competenties en Informatie analyseren)
evenveel. Bovendien krijgt hij op elk aspect van elk beoordelingscriterium een “+”. Hij behaalt daarmee het beste resultaat.
Verzoekers kritiek dat die individuele motivatiefiches praktisch onleesbaar zijn, wordt niet bijgetreden. Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of te dezen de betrokken documenten al dan niet op zich voldoende leesbaar of duidelijk zijn, blijkt in elk geval dat verzoeker nadat hem de bestreden beslissing is meegedeeld, geen stukken uit het administratief dossier heeft opgevraagd noch heeft hij er dienvolgens uitleg bij gevraagd, ook niet met
XIV-36.795-23/33
toepassing van de regelgeving inzake openbaarheid van bestuur. Zijn kritiek ter zake mist dan ook doel. Voorts blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat alle kandidaten op voet van gelijkheid werden behandeld, volgens gelijke maatstaven en beoordelingscriteria werden beoordeeld en dat de administratieve jury haar taak naar behoren en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft vervuld. Verzoeker slaagt er althans niet in het tegendeel te bewijzen.
De benoemende overheid kon het niet-bindend advies van de administratieve jury dat naar behoren is opgesteld, dan ook met kennis van zaken betrekken in haar onderzoek naar de meest geschikte kandidaat voor het mandaat van voorzitter.
12. De door de jury aan de benoemende overheid ter kennis gebrachte beoordelingsfiches, de toegekende deelscores en globale scores zijn vervolgens door de benoemende overheid onderzocht en deze heeft de verschillende kandidaten daarnaast nog op twee bijkomende beoordelingscriteria, namelijk “titels gelinkt aan het beroep” en “ervaring”, met elkaar vergeleken en beoordeeld.
Deze beide criteria, die steun vinden in de oproep tot kandidaten van 2 maart 2015 en voorts objectief, wettig, duidelijk en relevant zijn voor het te begeven mandaat, konden door de benoemende overheid worden onderzocht op basis van het kandidaatstellingsdossier (m.i.v. de curriculum vitae)
van de verschillende kandidaten. Uit het administratief dossier blijkt overigens dat (ook) daarvan een samenvattende vergelijkingstabel van alle kandidaten voor het betrokken mandaat is opgemaakt, evenals dat de aanspraken en verdiensten van de verschillende kandidaten voor het opengevallen mandaat van voorzitter met elkaar zijn vergeleken. Zodoende werd, naast de criteria “titels gelinkt aan het beroep” en “ervaring”, rekening gehouden met de resultaten die de kandidaten behaalden naar aanleiding van het interview en zijn de kandidaatstellingen aan de drie door de benoemende overheid aangehouden criteria getoetst.
XIV-36.795-24/33
De op alle kandidaten betrekking hebbende vergelijkingstabel die is opgenomen in het administratief dossier vermeldt, samenvattend, onder het kopje “Vergelijking. Geheel I, II en III” de beoordeling van de kandidaten op de drie criteria “resultaten van het interview”, “titels gelinkt aan het beroep” en “ervaring” waaruit niet alleen blijkt dat de vergelijking wel degelijk is gebeurd maar ook dat de tussenkomende partij, gelet op het geheel van de in aanmerking genomen beoordelingscriteria, van alle kandidaten de meest geschikte was voor het mandaat van voorzitter.
13. Conclusie is dat uit de bestreden beslissing niet alleen blijkt dat de tussenkomende partij - zoals verzoeker - aan de wettelijke voorwaarden voldoet (Nederlandstalig en advocaat met ten minste tien jaar ervaring), doch ook dat de benoemende overheid de benoeming van de tussenkomende partij steunt op drie (op alle kandidaten toegepaste) determinerende motieven die aansluiten bij de door haar aangehouden selectiecriteria, zijnde de “resultaten van het interview” (een score van 28/30 voor de tussenkomende partij tegenover 24/30
voor verzoeker), de “titels gelinkt aan het beroep” en de “ervaring” waarbij de keuze op de tussenkomende partij is gevallen omwille van zijn aangetoonde ervaring én kennis inzake fiscaal recht, in combinatie met zijn ervaring als plaatsvervangend jurylid bij de stagecommissie van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, wat ontegensprekelijk verband houdt met de regelgeving inzake de toegang tot het beroep van boekhouder (-fiscalist).
Benadrukt wordt voorts in de bestreden beslissing, wat tijdens het interview werd gemeten (én ook aansluit bij de competenties zoals vermeld in de oproep aan kandidaten), dat de tussenkomende partij de benoemende overheid heeft kunnen overtuigen door zijn sterke motivatie, zijn hoge technische competenties, zijn vaardigheden om informatie te analyseren, objectieven te behalen, betrouwbaarheid te tonen, evenals zijn organisatorische vaardigheden.
De beoordeling van de benoemende overheid dat de kandidatuur van de tussenkomende partij meest geschikt is en derhalve ook geschikter dan die van verzoeker vindt voorts nog steun, niet alleen in de
XIV-36.795-25/33
individuele motivatiefiches, maar ook in de vergelijkingstabel opgenomen in het administratief dossier.
De verwerende partij kan dan ook worden bijgetreden waar ze stelt dat er bij de vergelijking van de aanspraken en de verdiensten van de kandidaten wel degelijk - en geenszins uitsluitend - rekening is gehouden met de pluspunten zoals omschreven in de oproep tot kandidaten.
De kritiek van verzoeker ter zake is ongegrond.
14. De door de benoemende overheid gehanteerde generieke competenties en vaardigheden waarop werd getoetst tijdens het interview sporen niet alleen met de vereiste competenties en vaardigheden vermeld in de oproep aan kandidaten, zij zijn tevens gezien de aard van de functie (voorzitter van een orgaan van het Beroepsinstituut dat er ondermeer mee is belast “te waken over de toepassing van het stagereglement en de voorschriften van de plichtenleer en uitspraak in tuchtzaken te doen ten opzichte van de beroepsbeoefenaars, de stagiairs en de personen die gemachtigd zijn het beroep occasioneel uit te oefenen” (cfr. artikel 45, § 7, 3) van de wet van 22 april 1999)) redelijk.
Hetzelfde geldt voor wat de beoordeling betreft van de ervaring en vertrouwdheid van de tussenkomende partij met de beroepsgroep die onder de bevoegdheid van de NUK van het Beroepsinstituut ressorteert. Uit de vermeldingen in de bestreden beslissing, ondersteund door de vergelijkingstabel uit het administratief dossier, blijkt niet dat verzoekers ervaring niet naar waarde zou zijn geschat maar wel dat die van de tussenkomende partij (en de daarbijhorende vertrouwdheid met de beroepsgroep) relevanter werd geacht in het licht van het te begeven mandaat. Bovendien werd verzoeker, zo blijkt nog uit die tabel, inzonderheid op het organisatorische vlak “minder sterk” beoordeeld:
“Organiseren”: 4/5 (bestaande uit 6 keer “+”) voor de tussenkomende partij tegenover “Organiseren”: 3/5 (bestaande uit 2 keer “+” en 4 keer “1/2” voor
XIV-36.795-26/33
verzoeker) en werd geoordeeld dat hij weinig ervaring had in aan de NUK
gelijkaardige organen, wat verzoeker niet bestrijdt.
Verzoeker maakt op grond van de door hem aangevoerde elementen niet aannemelijk dat de benoemende overheid bij haar beoordeling tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan.
Hij maakt evenmin aannemelijk dat zij zijn titels en verdiensten in het licht van de te begeven functie niet correct zou hebben beoordeeld of daarbij de grenzen van de redelijkheid zou zijn te buiten gegaan.
15. Tot slot, is verzoekers kritiek in zijn laatste memorie gebaseerd op een verkeerd uitgangspunt. Uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat de bestreden beslissing niet is aangetast door een schending van de formelemotiveringsplicht. Niets verzet er zich dan ook tegen dat bij de beoordeling van het gelijkheidsbeginsel rekening wordt gehouden met de individuele beoordelingsfiches en de vergelijkingstabellen die deel uitmaken van het administratief dossier teneinde na te gaan of te dezen dit beginsel al dan niet geschonden is of, nog, deze documenten de in de bestreden beslissing veruitwendigde motieven ondersteunen dan wel - wat te dezen niet het geval is -
die motieven zouden ontkrachten of daarmee in tegenspraak zijn.
De door verzoeker ingeroepen schending van het gelijkheidsbeginsel en van de materiëlemotiveringsplicht is ongegrond.
16. Het eerste middel is in zijn geheel genomen, ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
17. In een tweede middel werpt verzoeker de schending op van het onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsbeginsel doordat de verwerende partij op
XIV-36.795-27/33
30 augustus 2015 niet anders kon dan een bestaande situatie bekrachtigen aangezien uit de website van het Beroepsinstituut kon worden afgeleid dat de NUK reeds op 1 juni 2015 in functie trad en dat de mandaten van voorzitter en plaatsvervangend voorzitter op dat ogenblik al uitgeoefend werden door respectievelijk de tussenkomende partij en R. L., twee kandidaten uit de op dat ogenblik nog lopende benoemingsprocedure.
18. Verzoeker doet in zijn memorie van wederantwoord, hetgeen hij herhaalt in zijn laatste memorie, afstand van het tweede middel.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
19. Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van artikel 45/1, § 11, van de wet van 22 april 1999 iuncto het gelijkluidende artikel 8, § 5, van de kaderwet van 1 maart 1976 „tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen‟ (hierna: de kaderwet van 1 maart 1976), gelezen in samenhang met de motiveringsplicht.
Verzoeker zet uiteen dat de genoemde bepalingen, noch de oproep tot kandidaten van 2 maart 2015 “voorzien in de tussenkomst van een „selectiecommissie‟ of een „administratieve jury‟, waarbij de samenstelling en de bekwaamheid van de leden volstrekt onbekend is”. Evenmin is bekend hoe deze administratieve jury zijn werkzaamheden heeft volbracht (werden aan alle kandidaten dezelfde vragen gesteld, werd hierbij gebruik gemaakt van standaardantwoorden, ...). Uit het feit dat enkel een numerieke score wordt meegedeeld, blijkt dat de bekwaamheid van deze jury schijnbaar niet gelegen is in het evalueren van kandidaten voor een mandaatfunctie, omdat de handelswijze ingaat tegen de gekende vereisten voor een afdoende motivering.
XIV-36.795-28/33
In zijn memorie van wederantwoord doet verzoeker nog gelden dat hij “[b]ij het opstellen van het verzoekschrift […] enkel [beschikte] over eindcijfers betreffende het interview”. Dat is de enige veruitwendiging van de werkzaamheden van de jury die gekend was. Verwijzend naar het in punt 3.8
genoemde stuk, stelt hij dat hij de verwerende partij dienaangaande uitdrukkelijk heeft aangesproken doch deze laatste heeft nagelaten enige bijkomende informatie te verschaffen. Verzoeker doet nog gelden dat de bekwaamheid van een jury kan worden afgeleid uit de manier waarop zij omgaat met de verplichting een onderbouwd advies te verstrekken. Verder dan een kort interview, dat bestond uit het afroepen van een criterium, de kandidaat laten spreken en vervolgens een nietszeggend cijfer aankruisen, komt te dezen de administratieve jury niet. Ook stelt verzoeker dat verweerder niet aantoont dat “de bekwaamheid van de jury, samengesteld uit leden die bekend zijn met de toepasselijke regelgeving en de werking van het BIBF en/of een ruime ervaring hebben in het leiden van selectieprocedures, [...] dan ook vast[staat]”. Verzoeker heeft immers geen kennis van enige “bekendheid” of “ruime ervaring” van de leden van de jury.
In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker zijn eerdere kritieken omtrent de werking van de administratieve jury en het gebrek aan motivering van het door haar verleende advies dat tot het toekennen van (deel)scores beperkt is gebleven.
Hij voegt nog toe dat in het administratief dossier geen stuk terug te vinden is waaruit blijkt dat de benoemende overheid (lees: de Koning) om een advies heeft gevraagd, noch een beslissing nam wat de samenstelling van de jury betreft of wat de vereiste bekwaamheid van de juryleden betreft.
Beoordeling
20. Krachtens artikel 45/1, § 11, van de wet van 22 april 1999 en het gelijkluidende artikel 8, § 5, van de kaderwet van 1 maart 1976 worden de uitvoerende kamers en de kamers van beroep van het Beroepsinstituut
XIV-36.795-29/33
voorgezeten door een werkend of een eremagistraat of door een advocaat die sedert ten minste tien jaar is ingeschreven op een tableau van de Orde van Advocaten, die door de Koning wordt benoemd voor een termijn van zes jaar, of door diens plaatsvervanger die aan dezelfde voorwaarden moet voldoen. De Koning beschikt bij de uitoefening van zijn benoemingsbevoegdheid ter zake over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid.
Bij de uitoefening van de haar toekomende discretionaire beoordelingsbevoegdheid vermag de verwerende partij - behoudens indien een uitdrukkelijke normatieve bepaling er zich tegen verzet wat te dezen niet het geval is - telkens zij dat nodig of opportuun acht met het oog op de uit te oefenen discretionaire benoemingsbevoegdheid in de concrete individuele gevallen die zich voordoen, een beroep te doen op een daartoe ad hoc opgerichte adviescommissie die haar met kennis van zaken bijstaat. Het getuigt alsdan van een zorgvuldige voorbereiding en uitoefening van de dicretionaire beoordelingsbevoegdheid om, voorafgaand, deskundig advies in te winnen, ook bij afwezigheid van enige normatieve bepaling ter zake.
21. Verzoekers kritiek wat de bekwaamheid van de samengestelde jury betreft, is niet terecht. Bij het inwinnen van een niet-bindend advies, beschikt de verwerende partij, zoals hiervoor is gebleken, over een ruime discretionaire bevoegdheid, ook wat de samenstelling van de commissie betreft.
In casu is de keuze gevallen op een administratieve jury, samengesteld uit drie personeelsleden van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, die bekend zijn met de toepasselijke regelgeving, de werking van het Beroepsinstituut en/of een ruime ervaring hebben in het leiden van selectieprocedures. R.V. (attaché wd.) werd als jurylid aangeduid omwille van zijn expertise in werving en selectie, M. R. (adviseur) omdat hij werkzaam is bij de juridische dienst van het bureau van de voorzitter van het Beroepsinstituut en K. H. (attaché) omdat zij werkzaam is bij de algemene directie economische reglementering (dienst boekhoudrecht - audit - coöperatieven). De keuze van de
XIV-36.795-30/33
verwerende partij om advies te vragen aan een jury, samengesteld uit voormelde drie personeelsleden van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, is niet onredelijk nu mag worden aangenomen dat zij samen inderdaad de nodige expertise bezitten om de zes criteria die tijdens het interview met de kandidaten aan bod kwamen op een deskundige wijze te beoordelen.
Een schending van artikel 45/1, § 11, van de wet van 22 april 1999 of het gelijkluidende artikel 8, § 5, van de kaderwet van 1 maart 1976 ligt niet voor.
22. In zijn kritiek op het gebrek aan motivering van het advies van de administratieve jury die beperkt zou zijn gebleven tot het toekennen van een score, gaat verzoeker eraan voorbij dat een niet-bindend advies dat een voorbereidende handeling is en geen rechtsgevolgen teweegbrengt, niet onder het materieel toepassingsgebied valt van de wet van 29 juli 1991. Daargelaten nog het voorgaande, heeft de administratieve jury evenwel haar advies afdoende onderbouwd. Zij heeft er zich niet toe beperkt een eindscore toe te kennen doch, zoals is uiteengezet bij de beoordeling van het eerste middel, elke kandidaat gequoteerd op de verschillende onderzochte deelaspecten van een beoordelingscriterium aan de hand van “+”, “1/2”, “-“ of “?”, een en ander nog gestaafd aan de hand van een specifieke schriftelijke motivering.
De kritiek van verzoeker dat de specifieke schriftelijke motivering op de individuele motivatiefiches van de kandidaten onleesbaar is, wordt, zoals is gebleken bij de beoordeling van het eerste middel, niet bijgetreden.
Waar verzoeker in zijn memorie van wederantwoord doet gelden dat hij bij het opstellen van het verzoekschrift enkel beschikte over eindcijfers betreffende het interview, wat volgens verzoeker de enige veruitwendiging was van de werkzaamheden van de jury die gekend was, gaat hij eraan voorbij dat hij op dat ogenblik beschikte over de bestreden beslissing, waarvan bij de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat die afdoende is gemotiveerd. In zoverre hij
XIV-36.795-31/33
verwijst naar het in punt 3.8 genoemde stuk waaruit hij afleidt dat hij de verwerende partij dienaangaande uitdrukkelijk heeft aangesproken doch deze laatste heeft nagelaten enige bijkomende informatie te verschaffen, miskent hij de inhoud en draagwijdte van dat stuk. Bij zijn e-mailbericht van 3 juni 2015 vraagt verzoeker - nadat hem (enkel) zijn globale score (24/30) was meegedeeld - om bijkomende informatie aangaande de hem meegedeelde globale score waarbij hij uiteenzet dat de mededeling van de globale score enkel zinvol kan zijn indien ze “hetzij wordt vergezeld van een motivering, hetzij wordt aangevuld met de scores van de andere kandidaten (die [men] overigens niet bij naam dient te noemen)”. De verwerende partij is op die vraag ingegaan door hem de bestreden beslissing te bezorgen waarin de motieven zijn vervat waarom voor de tussenkomende partij is gekozen en is hij tevens in kennis gesteld van de scores van de andere kandidaten.
Daarmee was zijn vraag beantwoord.
23. Tot slot, met verzoekers kritiek in zijn laatste memorie dat het administratief dossier geen stuk bevat waaruit blijkt dat de benoemende overheid, dit is de Koning, tot de aanstelling van een administratieve jury heeft beslist, geeft hij een nieuwe invulling aan zijn derde middel waarvan niet blijkt dat hij die grief niet eerder kon ontwikkelen. Die grief is derhalve laattijdig.
24. Het derde middel is, in zoverre het ontvankelijk is, ongegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver-
klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-
vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
XIV-36.795-32/33
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien januari tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad,
bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-36.795-33/33
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.425