Court dismisses urgent suspension request for orientation certificate due to lack of procedural diligence and insufficient evidence.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the execution of a decision denying an orientation certificate C. The applicant failed to attend supplementary exams despite a medical certificate and missed a scheduled meeting with the school director. The court found the applicant's arguments regarding the school's conduct insufficient to overturn the original decision, which was based on significant academic gaps. Consequently, the application was dismissed as it lacked merit and did not meet the threshold for urgent suspension.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice; An applicant must demonstrate that a decision violates general principles of good administration, and mere procedural irregularities or lack of diligence by the applicant do not automatically justify suspending execution.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 240.368 van 9 januari 2018
in de zaak A. 224.037/IX-9203
In zake: Sem DE MEULENAER
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de vzw VERWONDERING
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Lize Vandersteegen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 21 december 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van Sint-Lucas Kunstsecundair te Antwerpen van 12 december 2017 om aan Sem De Meulenaer een oriënteringsattest C toe te kennen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 januari 2018, om 10.30 uur.
IX-9203- 1/20
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoe-
kende partij en advocaat Lize Vandersteegen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Tijdens het schooljaar 2016-2017 is verzoeker leerling in het tweede jaar van de derde graad vrije beeldende kunst (KSO) in Sint-Lucas Kunstsecundair te Antwerpen.
3.2. Het eindrapport van verzoeker geeft volgend beeld:
IX-9203- 2/20
De delibererende klassenraad kent aan verzoeker een oriënteringsrapport C toe, in wezen omwille van “vier diepe jaartekorten voor de algemene vakken”.
3.3. Op vraag van verzoeker komt de delibererende klassenraad opnieuw samen op 25 augustus 2017. Beslist wordt om verzoeker bijkomende proeven toe te staan, “[o]mwille van de zeer complexe situatie waarin Sem zich bevindt, onder meer het verlies van de uitkering door het OCMW”. De bijkomende proeven hebben betrekking op de vakken met jaartekort.
IX-9203- 3/20
De directrice brengt verzoeker hiervan nog dezelfde dag telefonisch op de hoogte en deelt mee dat de proeven afgenomen worden op 28, 29, 30 en 31 augustus 2017. Volgens de directrice wordt afgesproken dat verzoeker daags nadien met haar contact zou opnemen om het examenverloop te bespreken.
Dit contact blijft achterwege.
Op 27 augustus 2017 stuurt de directrice dan een e-mail aan verzoeker ter bevestiging van de examendata. Ook hierop volgt geen reactie.
Verzoeker legt de examens niet af.
3.4. Op 31 augustus 2017 stelt de delibererende klassenraad vast dat verzoeker niet heeft deelgenomen aan de bijkomende proeven en dat hij geen informatie heeft over die afwezigheid.
Weliswaar verstuurt de raadsman van verzoeker aan de directrice ook op 31 augustus 2017 per e-mail een doktersattest dat verzoekers afwezigheid van 29 tot 31 augustus 2017 moet verklaren, maar deze e-mail zou pas later geopend worden en is aan de klassenraad niet bekend op het ogenblik van zijn evaluatiebeslissing: hij “herhaalt de beslissing van juni: C-attest wegens 4 zware tekorten”.
Tegen deze klassenraadbeslissing stelt verzoeker beroep in bij het schoolbestuur.
3.5. Op 15 november 2017 verklaart de beroepscommissie het beroep ongegrond, zodat het C-attest gehandhaafd blijft.
Verzoeker vordert bij de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing.
IX-9203- 4/20
Alvorens de Raad uitspraak kan doen, beslist de beroepscom-
missie op 24 november 2017 om haar beslissing van 15 november 2017 in te trekken.
3.6. Op 30 november 2017 wordt de samenstelling van de beroeps-
commissie aangepast.
3.7. Op 12 december 2017 beslist de beroepscommissie, verzoeker gehoord, om het C-attest te handhaven. Volgens de commissie zijn geen bijko-
mende proeven nodig.
De beslissing, die twintig bladzijden telt, wordt door de com-
missie zelf als volgt beknopt samengevat:
“- Sem De Meulenaer behaalde vier substantiële jaartekorten voor alge-
mene vakken (Nederlands, Frans, wiskunde en esthetica);
- Ook tijdens het schooljaar waren de cijfers voor deze vakken overwegend negatief en behaalde hij behoorlijk wat tekorten voor andere vakken.
Nergens in het ganse schooljaar is enige systematische of fundamentele vooruitgang in resultaten te bekennen, zodat de eindtotalen of behaalde cijfers in het tweede semester geenszins als uitzonderlijk beschouwd kunnen worden of buiten alle normale verwachtingen vallen;
- Het ganse parcours van Sem De Meulenaer in schooljaar 2016-2017
vertoont een constant patroon van gebrek aan engagement en inzet, dit ondanks steeds hernieuwde waarschuwingen door meerdere vakleer-
krachten en de klastitularis;
- Sem De Meulenaer kwam in het ganse schooljaar 44 keer ongewettigd te laat op school aan en was 12 halve dagen ongewettigd afwezig. Een „dixit‟-attest van 3 juli 2017 kan zulke afwezigheden in geen enkel opzicht rechtvaardigen.
- Sem De Meulenaer maakte tevens geen gebruik van de extra ondersteu-
ning die de school hem aanbood, ondanks het begrip dat de school reeds jarenlang getoond had voor zijn situatie en alle inspanningen van de voorgaande schooljaren;
- Het dossier van Sem De Meulenaer is volledig en voldoende representa-
tief, zodat bijkomende proeven niet nodig zijn of waren om tot een eind-
evaluatie van deze leerling te komen.”
IX-9203- 5/20
IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-
stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-
zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
5. Verzoeker wijst erop, terecht, dat uiterst dringende noodzake-
lijkheid voorhanden is omdat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat hij een schooljaar verliest en dat de gewone schorsingsprocedure dit nadeel niet meer kan verhelpen. Hij herhaalt aldus slechts wat vaste rechtspraak is van de Raad van State.
Dat verzoeker in zijn feitenrelaas ook opmerkt dat zijn leefloon wordt stopgezet, maar dat dit nadeel niet vermeden kan worden door een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, zoals de verwerende partij in haar nota opwerpt, doet niet anders besluiten.
De verwerende partij zou ten slotte ook slecht geplaatst zijn om tegen te werpen dat het schooljaar al ruimschoots is gevorderd, aangezien net meer tijd dan nodig is verstreken ingevolge het tijdsverloop tussen het instellen van het georganiseerd beroep en de eerdere, ondertussen ook ingetrokken, beslissing van de beroepscommissie.
IX-9203- 6/20
VI. Ernst van het enige middel
Uiteenzetting
6. Verzoeker put een enig middel uit de schending van de artike-
len 5, § 5, en 57 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 „be-
treffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs‟ (hierna: het organi-
satiebesluit), van de materiëlemotiveringsplicht, van “het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel” en van “het vertrouwens- en rechtszekerheidbeginsel”.
Volgens verzoeker is het “kennelijk onredelijk” om zonder grondige motivering de tekorten op enkele algemene vakken te laten primeren op de voldoende resultaten voor de richtingspecifieke vakken en het slaagcijfer voor de GIP, zonder aan te tonen waarom deze vakken een dergelijk zwaar of door-
slaggevend gewicht zouden dienen te kennen. De GIP en de artistieke vakken “kennen niet alleen een decretaal toegekend doorslaggevend gewicht, maar zijn zowel in aantal uren alsook in de behaalde punten van die aard dat er niet kan worden ingezien op welke wijze het tekort op de algemene vakken zou impliceren dat verzoeker niet geslaagd is voor het geheel van deze specifieke opleiding”. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de beroepscommissie de tekorten heeft af-
gewogen tegen de andere, ruim voldoende resultaten van verzoeker. Verzoeker wijst erop dat de GIP “net het geheel van de leerplandoelstellingen van het huidige jaar” omvat; “als men hiervoor kan slagen, getuigt dit net dat verzoeker het geheel van de globale doelstelling heeft verworven”. De eenvoudige stelling dat de al-
gemene vakken ook belangrijk zijn, geldt volgens verzoeker niet als afdoende motivering of afweging. De vakken waarvoor verzoeker tekortschiet staan voor zeven lesuren samen, “terwijl de kunstvakken een totaal van 15 tot 19 uren ver-
tegenwoordigen (van de 36)”.
De beroepscommissie gedraagt zich bovendien onredelijk door hem eerder toegekende proeven plots te ontzeggen en zij schaadt hiermee het rechtmatig gewekt vertrouwen. Verzoeker wijst erop “dat er een doktersattest
IX-9203- 7/20
voorligt waarom verzoeker niet kon deelnemen aan deze uitgestelde proeven en deze bovendien door het bestuur zelf op zeer onzorgvuldige wijze werden ge-
communiceerd aan verzoeker”.
Over het verwerpen van het doktersattest van 3 juli 2017 schrijft verzoeker:
“Volstrekt ten onrechte klasseert de beroepscommissie het doktersattest verticaal, terwijl dit attest bewijst dat er zich dit schooljaar bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan.
De beroepscommissie noemt dit een dixit-attest en meent op basis van deze wegwimpeling te kunnen stellen dat er dit jaar geen sprake is van bijzon-
dere omstandigheden die bijkomende proeven zouden kunnen rechtvaar-
digen.
De interne beroepsinstantie moge de desbetreffende stukken dan te ver-
waarlozen vinden, nog daargelaten de regels inzake privacy, en het me-
disch beroepsgeheim (dat de arts niet toelaat diagnostische of therapeuti-
sche gegevens te vermelden zonder uitdrukkelijke toelating van zijn pa-
tiënt), kan niet worden ingezien waarom deze situatie geen overmacht zou uitmaken en welke redenen er zouden zijn om aan de waarachtigheid ervan te twijfelen.
Deze twijfel is immers zeer verwonderlijk om diverse redenen.
Vooreerst heeft de school reeds ten allen tijde kennis gehad van de diverse problematieken (zie onder meer de eigen verwijzing naar gratis artsen door de school, het niet kunnen deelnemen aan de lessen, het voorzien van eten, etc... ). Dit doet men niet als men meent dat er geen probleem is.
Verder zijn er de vele afwezigheden die volstrekt overeenstemmen met hetgeen gesteld wordt in het doktersattest. Zelfs zonder de verklaring die het doktersattest geeft voor deze afwezigheden, zijn deze afwezigheden an sich reeds een uitzonderlijke situatie waarbij de vraag zich stelt of de voorhanden zijnde gegevens wel toelaten om een sluitend oordeel te vellen over het kunnen van de leerling, dan wel of een bijkomende proef deze lacune dient in te vullen.
De beroepscommissie spreekt zich dus tegen door te stellen dat zij over alle gegevens beschikt, maar anderzijds stelt zij ook de afwezigheden vast.
Dergelijke redenering is niet logisch-coherent. De afwezigheden implice-
ren net het gebrekkig beeld m.b.t. de behaalde cijfers.
Op die manier schendt men de materiële motiveringsplicht.
Ook de stelling dat het doktersattest omzeggens geen waarde heeft zonder dat men daarvoor enige grondige reden aanhaalt, schendt de materiële motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsnorm.
Het is bovendien kennelijk onredelijk om – met alle voorhanden zijnde gegevens – voor te houden dat de schoolloopbaan van de leerling niet zou geïmpacteerd geweest zijn door alle gekende omstandigheden.
IX-9203- 8/20
Er liggen immers resultaten voor die het gevolg zijn van zeer specifieke omstandigheden waarbij men zich de vraag kan stellen of deze nu het re-
sultaat zijn van de kennis van de leerling of een gevolg van de omstan-
digheden.
Het gaat dan ook niet op dit argument thans zonder meer weg te wuiven door te overwegen dat „leerlingen geen recht op een bijkomende proef kunnen laten gelden‟.
De bijzondere omstandigheden eigen aan de zaak, die tot op vandaag niet ten volle onderkend worden door de Beroepscommissie, verantwoorden precies wél een bijkomende proef die de blinde vlek in de beoordeling kan en moet wegnemen.
In elke fase van de procedure – overleg, intern beroep, hoorzitting – heeft verzoeker immers opgemerkt dat er bijzonder[e] omstandigheden voor-
liggen. De bestreden beslissing weerspreekt dit niet.”
Verzoeker argumenteert dat de wijze waarop hem de data voor de uitgestelde proeven van eind augustus werden meegedeeld getuigt van on-
zorgvuldigheid en hij wijst erop wegens overmacht niet te hebben kunnen deel-
nemen. De beroepscommissie heeft daarop een volstrekt onwettige beslissing genomen en die enkel ingetrokken nadat hij zich tot de Raad van State heeft ge-
wend. Verzoeker merkt op:
“Thans meent de – gewijzigde – beroepscommissie, na al deze eerder on-
zorgvuldigheden, plots dat verzoeker geen kans meer dient te krijgen om deze proeven af te leggen omdat de beroepscommissie een devolutief ka-
rakter heeft en dus autonoom een andere beslissing mag nemen.
Hoewel dat laatste klopt, betekent dit natuurlijk geen vrijgeleide om on-
zorgvuldige beslissingen te nemen die de rechtszekerheid en het vertrou-
wen van de leerling schenden.
Ook bij het nemen van een autonome beslissing dient de beroepscommissie zorgvuldig het hele dossier te bekijken en kan zij het gewekte vertrouwen niet zomaar terzijde schuiven en dient zij voort te bouwen op de vorige gegevens.
In de bestreden beslissing is nergens enige motivering terug te vinden waarom de Interne Beroepscommissie plots wel over voldoende informatie zou beschikken om te beslissing dat verzoeker een c-attest toegekend moet krijgen of waarom zijn ziekte bij de uitgestelde proeven terzijde dient ge-
schoven te worden.
De klassenraad had namelijk duidelijk besloten dat er te weinig informatie voorlag om verzoeker een c-attest toe te kennen. Het is dan ook zeer be-
vreemdend dat de interne beroepscommissie, zonder het vergaren van enige nieuwe informatie, verzoeker toch een c-attest oplegt.
De bestreden beslissing gaat duidelijk de grenzen van de redelijkheid te buiten aangezien het ondenkbaar is dat een redelijk oordelende onder-
IX-9203- 9/20
wijsinstelling, die in dezelfde omstandigheden moet beslissen, dezelfde beslissing zou nemen. (RvS 8 april 2011, nr. 212.579.)
De afwezigheid van een leerling op een bijkomende proef mag niet anders worden beoordeeld dan de afwezigheid tijdens een examen. Dit betekent enerzijds dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen al dan niet verwittigde en gewettigde afwezigheden enerzijds en anderzijds dat de mogelijkheid op een inhaalexamen – ook voor de bijkomende proef – niet ipso facto mag worden uitgesloten.
Indien men na een gewettigde afwezigheid weigert een inhaalexamen voor een bijkomende proef toe te laten, zal die beslissing uitdrukkelijk en af-
doende moeten worden gemotiveerd: RvS 10 juni 1999, nr. 80.814.
Dit gegeven komt bij het feit dat de mededeling van de bijkomende proe-
ven kennelijk laattijdig is gebeurd en als onzorgvuldig diende te worden beschouwd.”
Beoordeling
7. Artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit refereert aan de deli-
beraties van de klassenraad en niet aan de beroepscommissie. In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel faalt het prima facie naar recht en is het niet ernstig.
8. Met betrekking tot de aangevoerde schending van artikel 57 van het organisatiebesluit blijkt op het eerste gezicht niet dat de beroepscommissie de beoordeling of verzoeker het leerjaar met vrucht beëindigd heeft, heeft laten af-
hangen van een afzonderlijke toets, examen of proef. Verzoeker laat trouwens na de toets, het examen of de proef te vermelden waarvan de commissie volgens hem het slagen zou hebben laten afhangen.
Ook in die mate is het middel niet ernstig.
9. Evenmin lijkt de beroepscommissie zich te hebben bepaald tot “een louter mathematische optelling van cijfers per vak”. De commissie verwijst in haar omstandig gemotiveerde beslissing naar vier “aanzienlijke tot zeer aanzien-
lijke jaartekorten”:
“Concreet behaalde hij 42,1% voor Nederlands, 43,2% voor Frans,
IX-9203- 10/20
42,7% voor Wiskunde en 30,7% voor Esthetica. Het betreffen hier geen lichte tekorten die een slaagcijfer benaderen, maar tekorten die substantieel verwijderd blijven van de 50%-grens.”
De commissie beschrijft ook de evolutie doorheen het schooljaar en “stelt vast dat er voor drie van de vier vakken, m.n. Nederlands, Frans en Es-
thetica doorheen het ganse schooljaar fundamentele tekorten werden behaald, zowel voor wat het dagelijks werk betreft als de examens” en dat verzoeker voor wiskunde wel nipt slaagt voor dagelijks werk maar 38,3% behaalt voor de exa-
mens. De commissie weerspreekt en illustreert met cijfergegevens en vaktoelich-
tingen in haar beslissing nog dat de evolutie tijdens het jaar in positieve richting zou zijn gegaan.
Anders dan verzoeker het voorstelt in de toelichting van zijn middel, blijkt de commissie zijn argumenten met betrekking tot zijn cijfers voor de GIP en de artistieke vakken in ogenschouw te hebben genomen. Zij heeft er als volgt op geantwoord (voetnoten weggelaten):
“30. De Beroepscommissie erkent dat Sem De Meulenaer met 64% voor zijn geïntegreerde proef (GIP) een redelijk tot goed cijfer heeft behaald. De Beroepscommissie neemt hier dan ook akte van en houdt rekening met dit gegeven in onderhavige beslissing.
De Beroepscommissie kan de leerling evenwel niet volgen wanneer deze in zijn intern beroepsschrift stelt dat „de goede resultaten op de geïntegreerde proef (…) een veel zwaarder gewicht (dienen) te worden toegekend da(n)
de tekorten die Sem behaalde.‟ De Beroepscommissie leest in het artikel 56, § 2 van het Organisatiebesluit immers niet dat de GIP zwaarder zou moeten doorwegen dan vier jaartekorten. Voornoemd artikel erkent de GIP
als een „belangrijk element‟, maar ook niet meer dan dat. Zoals de leerling ook zelf in zijn intern beroepsschrift schrijft, is het oordeel van de delibe-
rerende klassenraad – en bijgevolg ook dat van de Beroepscommissie – geen mathematische optelling of wiskundige afweging van cijfers per vak en opdracht.
Het komt de Beroepscommissie toe om een globale beoordeling te maken van de evaluatieresultaten, waarbij wordt nagegaan of de leerling de leer-
plandoelstellingen in voldoende mate heeft bereikt.
31. De Beroepscommissie meent dat het slagen op de GIP geen afbreuk doet aan de vier jaartekorten in combinatie met de verschillende zwakke resultaten voor andere, ook artistieke vakken.
De Beroepscommissie kan de leerling dan ook niet volgen wanneer deze tijdens de hoorzitting en in zijn intern beroepsschrift opwerpt dat „dat Sem
IX-9203- 11/20
sterk scoorde voor GIP en alle artistieke vakken‟. Immers en nog los van het feit dat ook het vak Esthetica een artistieke insteek bevat, blijkt uit de verschillende rapporten dat de resultaten van Sem voor de artistieke vakken Waarneming & Model en „Waarneming & Voorstelling‟ steeds rond de 50%-grens bleven. Bovendien behaalde Sem op het einde van het jaar slechts een totaalscore van 58.2% voor wat betreft de artistieke vakken.
De Beroepscommissie meent dan ook dat van een zogenaamde sterke score voor de artistieke vakken geen sprake is.
32. Het KSO is een doorstromingsrichting, die per essentie voorbereidt op verdere studies en waarvan zowel het algemene als het artistieke vakken-
pakket evenwaardige onderdelen uitmaken.
Algemene vakken als Nederlands, Frans, wiskunde en esthetica zijn dan ook essentieel voor de grondige vorming van de leerling en zijn voorbe-
reiding op latere studies. Weliswaar behaalde Sem De Meulenaer voor zijn artistieke vakken betere resultaten dan voor de algemene vakken (met jaartotalen tussen de 52,3 en 63,1%), gezien de evenwaardigheid van beide vakkenpakketten kan de Beroepscommissie echter onmogelijk aan vier zware jaartekorten voor algemene vakken voorbijgaan.”
10. Gelet op dit alles, lijkt de grief dat de beroepscommissie “een alomvattende appreciatie” van de resultaten van verzoeker achterwege gelaten zou hebben en zijn tekorten niet zou hebben afgewogen tegenover de andere resultaten, feitelijke grond te missen.
Verzoeker mag het met het eindoordeel van de beroepscommis-
sie oneens zijn, hij komt er in zijn verzoekschrift niet toe om de voormelde feite-
lijke gegevens waarop de commissie steunt, tegen te spreken. De beroepscom-
missie lijkt dan ook geen verwijt te treffen van onzorgvuldigheid in haar feiten-
vinding.
En ook de beoordeling van die feiten door de commissie brengt verzoeker vooralsnog niet aan het wankelen; hij gaat er in zijn verzoekschrift zelfs niet concreet op in.
Waarom de stelling van de beroepscommissie dat de algemene vakken ook belangrijk zijn geen valide afweging is, verduidelijkt verzoeker niet.
De bewering van verzoeker dat aan artistieke vakken meer uren worden besteed dan aan de algemene vakken lijkt feitelijke grondslag te missen, gelet op het door
IX-9203- 12/20
de verwerende partij voorgelegde uurrooster. In haar nota met opmerkingen wijst de verwerende partij op het eerste gezicht bovendien ook terecht naar haar peda-
gogisch project, waarin ondubbelzinnig te lezen is dat het “algemeen theoretisch pakket” erg belangrijk is voor een brede algemene ontwikkeling van de leerling en evenwaardig is aan de artistieke vakken. Het pedagogisch project van de verwe-
rende partij laat begrijpen, met de woorden van de verwerende partij, dat voor haar “de algemene vakken […] in élke richting cruciaal [zijn en] ongeacht of ze exact evenveel uren als de artistieke vakken omvatten dan wel wat minder uren, als een evenwaardig pakket [worden] beschouwd voor de vorming van de leerling”.
Verzoeker heeft, door zich in te schrijven als leerling bij de verwerende partij, er zelf voor gekozen en zich akkoord verklaard om onderwijs verstrekt te krijgen volgens de opvattingen van dit pedagogisch project. Dat het aantal lesuren per week dan de enige graadmeter is voor het belang van een vak voor de betrokken opleiding, valt de Raad vooralsnog niet bij.
Verzoekers betoog gaat er voorts aan voorbij dat de commissie haar beoordeling over de evenwaardigheid van de algemene vakken ook koppelt aan het feit dat de studierichting een doorstroomrichting is.
Verzoeker verliest bovendien uit het oog dat de commissie op beredeneerde wijze weerlegt dat de cijfers voor de artistieke vakken zo overwel-
digend zouden zijn dat ze zijn tekorten compenseren.
Welnu, het komt de Raad van State voor dat de commissie aldus niet enkel haar beslissing uitdrukkelijk heeft gemotiveerd, maar ook dat zij met haar evaluatie binnen de grenzen van de redelijkheid is gebleven. Een leerling die vier aanzienlijke jaartekorten behaalt mag zich niet verrast weten als dit in een C-attest resulteert en de commissie lijkt op aanneembare gronden toegelicht te hebben waarom de cijfers voor de artistieke vakken en voor de GIP daar niet tegen opwegen.
IX-9203- 13/20
De aangevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur lijken bijgevolg in zoverre niet geschonden te zijn.
11. De opmerkingen van de beroepscommissie over de attitude van verzoeker lijken haar slechts tot een overtollig motief te voeren, zodat op dit punt de kritiek van verzoeker, zelfs al ware ze gegrond, niet tot een andere beoordeling zou leiden. In zoverre heeft verzoeker geen belang bij het middel en is het evenmin ernstig.
12. Het vertrouwensbeginsel houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op toezeggingen of beloften die het bestuur in een concreet geval heeft gedaan of op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedragslijn of beleidsregel van het bestuur op grond waarvan dat bestuur de door hem opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen niet mag beschamen.
Dit beginsel lijkt niet geschonden te worden door het beroeps-
orgaan. De beroepscommissie heeft immers geen eerdere toezeggingen aan ver-
zoeker gedaan met betrekking tot bijkomende proeven. Dat de klassenraad daar anders tegenaan keek doet vooralsnog niet anders besluiten. Het behoort immers net tot het wezen van een georganiseerd administratief beroep, dat het beroeps-
orgaan de hele zaak opnieuw onderzoekt en onderwerpt aan een eigen, autonome beoordeling. Niet blijkt dat de decreetgever deze autonomie heeft beperkt door de beroepscommissie te verbieden in haar oordeel tot een voor de leerling minder gunstige beslissing te komen in vergelijking met de beroepen evaluatiebeslissing.
De stelling dat verzoeker erop mocht vertrouwen dat de beroepscommissie over het al dan niet toestaan van bijkomende proeven er eender over zou denken als voorheen de klassenraad, faalt in rechte, zo lijkt.
Louter ten overvloede daarom mag nog worden opgemerkt dat de delibererende klassenraad de bijkomende proeven niet, zoals verzoeker stelt, heeft toegestaan omdat hij over onvolledige studiegegevens zou beschikken maar wel om verzoeker een mogelijkheid te geven zijn uitkering te behouden.
IX-9203- 14/20
13. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat de beroepscommissie haar eigen weigering om bijkomende proeven op te leggen omstandig motiveert (voetnoten weggelaten):
“39. De Beroepscommissie benadrukt vooreerst dat bijkomende proeven geen herkansing of herexamen uitmaken, maar louter en alleen bedoeld zijn als uitzonderingsmaatregel, in de gevallen waar zulke proeven onontbeer-
lijk zijn om tot een globale evaluatie van een leerling over te gaan.
Leerlingen hebben dan ook geen „recht‟ op bijkomende proeven. Dat bij-
komende proeven geen herexamens zijn zoals in het hoger onderwijs, heeft ook tot gevolg dat de resultaten van de bijkomende proeven niet in de plaats zouden komen van de beoordelingen die tijdens het schooljaar werden behaald.
Enkel wanneer bijzondere elementen of bijzondere omstandigheden voorhanden zijn, kunnen bijkomende proeven dus toegestaan worden.
Dergelijke bijzondere elementen of omstandigheden vindt de Beroeps-
commissie niet terug in het dossier van Sem De Meulenaer, zoals hieronder verder wordt uiteengezet.
40. Ten eerste, wat betreft het argument van ziekte en depressie dat Sem De Meulenaer inroept als zogenaamde bijzondere omstandigheden.
De Beroepscommissie stelt vast dat Sem gedurende het ganse schooljaar 44
keer te laat op school kwam en 12 halve dagen ongewettigd afwezig was.
Voor al deze afwezigheden werd op geen enkel moment tijdens het ganse schooljaar enig medisch attest bijgebracht.
Pas op 5 juli 2017, en dus pas een week nadat de klassenraad tot een C-attest beslist had, bracht Sem bij de school een doktersattest binnen dat zou moeten verklaren waarom hij in de periode van 13 maart t.e.m. 30 juni 2017 zo frequent afwezig was.
Op geen enkel eerder moment gedurende het schooljaar, kaartte Sem De Meulenaer zelf enige medische problemen aan bij de school. De Be-
roepscommissie treedt de delibererende klassenraad dan ook bij in vol-
gende overweging uit de notulen van de einddeliberatie deze eind juni 2017:
„Met een doktersattest had de begeleiding een aangepast schema van lessen en examens kunnen organiseren en zouden misschien de slaagkansen groter zijn geweest. Sem heeft dit schooljaar geen enkel doktersattest ingeleverd. Nochtans hebben directie, secreta-
riaat, begeleiding dikwijls gevraagd om naar de dokter te gaan. Sem heeft zelfs adressen gekregen van dokters van de wereld waar hij kosteloos naartoe kon.‟ De Beroepscommissie vindt de timing van het doktersattest van 3 juli 2017
dan ook in elk geval hoogst merkwaardig en kan dergelijk „dixit‟-attest, dat post factum door een dokter werd uitgevaardigd, op geen enkele wijze aanvaarden als geldig bewijsstuk (zie ook artikel 3.1.1.2 Schoolreglement), De Beroepscommissie maakt dan ook alle voorbehoud bij het attest en bij een mogelijke tuchtklacht tegen de arts die dit attest uitgeschreven heeft.
IX-9203- 15/20
De Beroepscommissie meent dan ook dat er geen bijzondere of uitzonder-
lijke omstandigheden zijn die het opleggen van bijkomende proeven zou-
den kunnen rechtvaardigen.
41. Ten tweede merkt de Beroepscommissie op dat zij, voor zover Sem De Meulenaer het verlies van zijn OCMW-uitkering als reden inroept om de klassenraad en nu de Beroepscommissie te doen laten besluiten tot het toekennen van een A-attest, minstens bijkomende proeven („De huidige stand van zaken geeft mij geen recht op steun. Voor volwassen onderwijs of midden-jury studenten immers wordt je niet aanzien als student en veronderstelt te werken.‟), hier in de evaluatiebeoordeling in beginsel geen rekening mee kan houden. Het evalueren en/of delibereren dient op basis van studiegegevens te gebeuren. Een oriënteringsattest kan slechts worden verleend op grond van de studiegegevens van de betrokken leerling, Het verlies van het leefloon vanaf september 2017 – m.a.w. ná het schooljaar 2016-2017 – maakt bovendien geen „bijzondere omstandigheid‟ uit die bijkomende proeven noodzakelijk maakt of rechtvaardigt. Immers, zoals hierboven reeds uiteengezet en ook door de leerling wordt toegelicht, is het laten afleggen van bijkomende proeven een middel om bijkomende informatie te vergaren die noodzakelijk is om tot een globale evaluatie-
beoordeling over te kunnen gaan. Het feit dat Sem zijn OCMW-uitkering nu zou verliezen, is geen omstandigheid die de representativiteit van de eerder behaalde cijfers zou hebben kunnen aantasten. De Beroepscom-
missie dient dergelijke elementen dan ook niet in overweging te nemen om te kunnen overgaan tot een evaluatiebeoordeling.
De Beroepscommissie merkt bovendien op dat ook bij een oriënteringsat-
test C niets de leerling in de weg staat om alsnog zijn voltijds onderwijs voort te zetten, in geval waarvan zijn OCMW-uitkering wellicht niet zal worden ingetrokken.
De Beroepscommissie wijst volledigheidshalve nog op de inspanningen die leerkrachten en het CLB hebben geleverd teneinde Sem ook in deze fi-
nanciële problematiek te ondersteunen, waarvan aantekening werden ge-
maakt in het zorgdossier van Sem De Meulenaer.
42. Ten derde kan de Beroepscommissie geenszins akkoord gaan met de stelling in het beroepsschrift van Sem De Meulenaer dat het eindrapport van schooljaar 2016-2017 een „onverwacht zwak resultaat‟ zou inhouden en dat hij „voordien steeds goede/voldoende/redelijke resultaten haalde‟.
Voor zover de leerling met het zogenaamde „onverwacht zwak resultaat‟ zou doelen op de resultaten van het tweede semester waarvoor hij het me-
disch attest van 3 juli 2017 ter verantwoording inroept, ten opzicht van de resultaten in het eerste semester, verwijst de Beroepscommissie naar wat hierboven reeds onder tussentitel A. werd overwogen: de leerling heeft voor de vakken met een jaartekort gedurende het ganse schooljaar zeer zwakke resultaten behaald.
Behalve voor wat het vak Esthetica betreft – voor dit vak liggen de tekorten in het tweede semester wel lager t.o.v. het eerste semester – zijn er geen onverwachte of uitzonderlijke uitschuivers. Reeds in de eerste twee rap-
porten merkte de klastitularis en vaktitularissen op dat Sem beter zou moeten presteren, zoniet zou het een „lastig jaar‟ worden. De commentaren
IX-9203- 16/20
op zijn rapporten van het eerste semester gaven steeds opnieuw blijk van waarschuwingen, laatste kansen, de dringende nood om zich te herpakken, etc. In het tweede semester kwam hierin geen enkele verandering en doken dezelfde waarschuwingen weer op. Er was gedurende het ganse schooljaar 2016-2017 geen noemenswaardige progressie, zodat de slechte resultaten in juni 2017 zeker niet als „uitzonderlijk‟ kunnen beschouwd worden, maar veeleer als het onvermijdelijke resultaat van een gans schooljaar vol des-
interesse en gebrek aan inzet.
In het geval er met de verwijzing naar „voordien steeds goe-
de/voldoende/redelijke resultaten‟ echter zou gedoeld worden op voorbije schooljaren, is de Beroepscommissie van oordeel dat ook dan de stelling van de leerling feitelijke grondslag mist; in het vierde jaar ontving Sem De Meulenaer een B-attest en vorig schooljaar 2015-2016 kon hij slechts na bijkomende proeven slagen.
Er is m.a.w. allerminst sprake van een eerder „vlekkeloos parcours‟ (zie ook supra, onder punt A), zodat de stelling van de leerling dat de tekorten een „onverwacht‟ zwak resultaat uitmaken die mogelijk te wijten zijn aan externe factoren, niet door de Beroepscommissie kan worden gevolgd.
43. Ten vierde kreeg Sem De Meulenaer vanwege de school, zoals hier-
boven reeds uiteengezet, jarenlang heel wat faciliteiten en extra onder-
steuning aangeboden. In het schooljaar 2016-2017 had hij zo ook een af-
spraak bij het CLB gekregen om te kijken hoe hij zich kon herpakken. Hij is evenwel nooit op deze uitnodiging ingegaan, zoals hij zelf ook erkent in zijn Motivatienota. Evenmin is Sem De Meulenaer ooit op school gebleven om te studeren, tenzij in het kader van de GIP en dit pas op het einde van het schooljaar in juni. Nochtans werd dit bij de deliberatie van het kerst-
rapport door de klassenraad opgelegd.”
De beroepscommissie lijkt terecht op te merken dat een leerling geen recht heeft op bijkomende proeven en dat het toestaan van bijkomende proeven geen oneigenlijk middel is om hetzij klassieke „herexamens‟ te vervangen hetzij de leerling toe te laten een uitkering te genieten. Alleszins handelt zij niet onwettig, zo lijkt, om niet op die gronden bijkomende proeven toe te staan.
Verzoeker mag dan prima facie wel gelijk hebben dat het dok-
tersattest van 3 juli 2017 strikt genomen géén dixit-attest is – de arts verklaart immers verzoeker “persoonlijk te hebben ondervraagd en onderzocht” – de be-
roepscommissie stelt wel correct vast dat het post factum, na het einde van het schooljaar, is opgesteld en ingediend en maakt er om die reden voorbehoud bij. In dat verband brengt verzoeker in zijn verzoekschrift vooralsnog niets in tegen de bepaling van het schoolreglement waarop de commissie steunt, namelijk dat met
IX-9203- 17/20
medische attesten geen rekening wordt gehouden indien de datum ervan niet valt in de periode van afwezigheid. Van verzoeker mocht dan een inspanning worden verwacht om in de huidige procedure het voorbehoud van de beroepscommissie – een op het eerste gezicht conform het schoolreglement terecht voorbehoud – bij het post factum opgestelde attest te ontkrachten, bijvoorbeeld door een aanvullende verklaring waarin de huisarts de data bevestigt waarop hij in de loop van het schooljaar de onderzoeken heeft gedaan waarop hij op 3 juli 2017 zijn diagnose steunt.
Hoe dan ook is het zo dat het voorbehoud van de beroepscom-
missie bij het doktersattest – en dus de medische verantwoording van verzoekers vele afwezigheden – maar één aspect vormt van één van de vier zo-even aange-
haalde weigeringsmotieven. Als de beroepscommissie voorts opmerkt dat ver-
zoeker tijdens het schooljaar veelvuldig afwezig was, dat hij toentertijd nooit at-
testen heeft ingediend of zelfs maar melding heeft gemaakt van de bijzondere omstandigheden waarop hij zich nu beroept, dat zijn medisch attest post factum is ingediend, dat verzoeker in de loop van het schooljaar bijaldien zelf het onmogelijk heeft gemaakt voor de school om tijdig passende maatregelen te nemen zoals een aangepast schema van lessen en examens, dat hij tijdens het schooljaar niet is ingegaan op een uitnodiging van het CLB, dat de beschikbare cijfers in die om-
standigheden dan ook een correct beeld geven van verzoekers prestaties over het afgelopen schooljaar en zijn juniresultaten noch onverwacht noch uitzonderlijk zijn en dat alle beschikbare cijfers in één richting wijzen, dan zijn dit, alle samen genomen en onverminderd het feit dat het attest van 3 juli 2017 géén dixit-attest lijkt, motieven die de weigering op het eerste gezicht afdoende vermogen te on-
dersteunen. Verzoeker wijst in zijn verzoekschrift op de tegenspraak met de af-
weging door de klassenraad, maar gaat aan deze eigen, concrete argumentatie door de beroepscommissie voorbij. Zoals het middel is toegelicht, toont verzoeker niet aan dat het ondenkbaar is dat een andere beroepscommissie op grond van diezelfde feitelijke gegevens en argumenten tot hetzelfde oordeel zou komen. De weigering om bijkomende proeven toe te kennen schendt op het eerste gezicht bijgevolg niet
IX-9203- 18/20
de aangevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook in die mate mist het middel ernst.
14. De uitgebreide kritiek van verzoeker op het verloop van de niet afgelegde bijkomende proeven van eind augustus is, zo lijkt, niet relevant voor de beoordeling van de huidige vordering. Verzoeker heeft nu eenmaal niet tijdig aan de delibererende klassenraad gevraagd, bijvoorbeeld op grond van het doktersat-
test van 29 augustus 2017, om de proeven op een andere datum te mogen afleggen.
Zelfs indien verzoeker terecht zou aanvoeren dat er eind augustus in de commu-
nicatie iets fout gelopen is dat aan de directrice of aan de klassenraad verwijtbaar is, dan nog kan dit prima facie de wettigheid van de huidige beslissing niet raken.
De beslissingen daarover van de delibererende klassenraad zijn immers, ingevolge verzoekers beslissing tot het instellen van het georganiseerd beroep, uit het rechtsverkeer verdwenen en vervangen door de huidige beslissing van de be-
roepscommissie, die zich zoals gezien een eigen oordeel heeft gevormd over het al dan niet toekennen van bijkomende proeven. In zoverre is het middel niet ont-
vankelijk en dus niet ernstig.
15. Het enige middel is in geen van zijn onderdelen ernstig, wat betekent dat de vordering moet worden verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
IX-9203- 19/20
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 9 januari 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Geert Van Haegendoren
IX-9203- 20/20
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.368