Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.356 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.356 Généré par l'IA

Court dismisses urgent injunction request as applicants failed to prove extreme necessity for slaughterhouse cooling system shutdown.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.356
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the urgent application to suspend the enforcement of administrative measures ordering the sealing of cooling systems at a slaughterhouse. Applicants argued that shutting down the facilities would cause irreparable harm to their business and third parties, but the court found their claims vague and unsupported by concrete evidence. The court determined that the applicants did not demonstrate the extreme necessity required for an urgent injunction, noting their business viability was already threatened independently of the environmental measures.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, §§ 1 and 4 of the coordinated Council of State laws; An urgent injunction for extreme necessity is only granted when the applicant proves imminent irreparable harm that cannot be remedied by ordinary procedures, and where the alleged illegality of the contested decision does not itself constitute sufficient grounds.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent injunction extreme necessity environmental measures suspension of enforcement irreparable harm administrative law procedural requirements contrat de service

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 17, §§ 1 and 4 of the coordinated Council of State laws
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 240.356 van 8 januari 2018

in de zaak A. 224.071/VII-40.155.

In zake : 1. de NV G. VANHERK EN ZONEN

2. Vital VANHERK

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen, Wouter Moonen en Nick Parthoens kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters kantoor houdend te 8210 Zedelgem Spoorwegstraat 11

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 22 december 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 11 december 2017 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de toezichthouders van de afdeling Handhaving van 23 augustus 2017 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen met betrekking tot koelinstallaties horende bij een slachthuis, gelegen aan de Europalaan 11 te Genk, ongegrond wordt verklaard.

VII-40.155-1/8

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 januari 2018.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaten Wouter Moonen en Nick Parthoens, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Aan de Europalaan 11 te Genk wordt een slachthuis geëxploiteerd.

3.2. Op 26 juni 2017 stellen toezichthouders van de afdeling Handhaving, in opvolging van vroegere processen-verbaal en aanmaningen tot het naleven van bestuurlijke maatregelen, ter plaatse onder meer vast dat de koelinstallaties nog steeds in exploitatie zijn en dat “[d]e melding van overname van de milieuvergunning van de NV Slachthuis Genk, voor de door de NV G. Vanherk & Zonen uitgebate activiteiten, […] niet [is] ingediend”.

VII-40.155-2/8

3.3. Met een brief van 18 juli 2017 deelt de milieu-inspecteur van de afdeling Milieu-inspectie Limburg aan de NV G. Vanherk & Zonen het voornemen mee om op grond van de bepalingen van het decreet van 5 april 1995

houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) bestuurlijke maatregelen op te leggen met betrekking tot de koelinstallaties “centrale 1” en “centrale 2” en deze installaties te verzegelen.

3.4. Omtrent dit voornemen wordt Vital Vanherk op 23 augustus 2017 gehoord door de toezichthouders van de afdeling Handhaving.

3.5. Nog dezelfde dag leggen de toezichthouders van de afdeling Handhaving lastens de NV G. Vanherk & Zonen en Vital Vanherk de volgende bestuurlijke maatregelen op:

“- Voor 1 november 2017 moeten de koelinstallaties „centrale 1‟ en „centrale 2‟ buiten gebruik worden gesteld;

- Vervolgens dient voor 6 november 2017 al het koelmiddel, uit de koelinstallaties „centrale 1‟ en „centrale 2‟, door een gecertificeerd koeltechnieker te worden afgetapt conform artikel 5.16.3.3. § 4 van Vlarem II;

- Van het verwijderd koelmiddel dient aan de afdeling Handhaving voor 1 december 2017 een afgiftebewijs aan een erkend verwerker te worden voorgelegd”.

3.6. Tegen voornoemde beslissing stellen de NV G. Vanherk &

Zonen en Vital Vanherk op 14 september 2017 bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.

3.7. Met het thans bestreden besluit van 11 december 2017 wijst de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het beroep als ongegrond af en bevestigt zij de opgelegde bestuurlijke maatregelen.

VII-40.155-3/8

IV. Onderzoek van de vordering

4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

De uiterst dringende noodzakelijkheid

5. De verzoekende partijen staven het bestaan van een dringende noodzakelijkheid als volgt:

“De bestreden beslissing leidt er toe dat de exploitatie van de nv V & C MEAT SERVICE moet worden stopgezet.

[…] Deze onderneming heeft momenteel 19 arbeiders in dienst. Op dit moment is de continuïteit van nv V&C Meatservice ernstig bedreigd. Om deze reden heeft zij een verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie strekkende tot het bekomen van een collectief akkoord op grond van de artikelen 44 tot 58 van de Wet Continuïteit Ondernemingen bij de Rechtbank van Koophandel te Tongeren ingediend, waarin op 22 december 2017 de openingszitting plaatsvond […].

[…] Deze precaire financiële toestand staat aan de wieg van de problematiek die het voorwerp vormt van de bestreden beslissing. De nv V & C MEAT SERVICE is gelet op haar huidige financiële toestand niet in staat om nieuwe koelinstallaties aan te kopen.

Dit betekent dat voor de exploitatie van deze onderneming en haar voortbestaan, het gebruik van de koelinstallaties 1 en 2 (er zijn geen andere) op korte termijn absoluut noodzakelijk is om haar bedrijvigheid te kunnen voeren.

De bestreden maatregelen hebben als gevolg dat de tweede verzoekende partij, als gedelegeerd bestuurder van zowel de eerste verzoekende partij als van de nv V & C MEAT SERVICE, gehouden is de koelcellen af te sluiten. De activiteit van vleesverwerking is niet mogelijk zonder het gebruik van koelcellen. De bestreden maatregelen die de bestreden beslissing bevestigt, houden bijgevolg in dat de tweede verzoekende partij de sluiting van nv V & C MEAT SERVICE realiseert.

[…] Nu de nv V & C MEAT SERVICE zich reeds in een stadium bevindt waarin haar continuïteit bedreigd wordt en vervolgens door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geconfronteerd zal worden met

VII-40.155-4/8

een sluiting, dreigt de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een algeheel faillissement te kunnen veroorzaken.

De gewone schorsingsprocedure zal alleszins niet kunnen verhinderen dat de bestaande afnemers naar de concurrentie moeten worden doorverwezen of dat het bestaande cliënteel naar de concurrentie zal overstappen. Deze commerciële schade is hoe dan ook onherroepelijk en zal niet ongedaan kunnen worden gemaakt met een gewone schorsingsprocedure.

[…] Niet alleen affecteert dit de belangen van de nv V & C MEAT

SERVICE en haar werknemers, maar uiteraard heeft dit ook onlosmakelijke rechtstreekse gevolgen voor de belangen van de tweede verzoekende partij als gedelegeerd bestuurder van de nv V & C MEAT SERVICE.

De tweede verzoekende partij is voor zijn inkomen uitsluitend afhankelijk van het voortbestaan van nv V & C MEAT SERVICE. De omzet van de eerste verzoekende partij is te laag om enig inkomen te voorzien. Deze onderneming is bovendien verlieslatend.

[…] De eerste verzoekende partij is voor haar inkomsten (die gering zijn)

eveneens eenzijdig afhankelijk van de exploitatie van nv V & C MEAT

SERVICE. De eerste verzoekende partij doet niet zelf aan vleesverwerking. Zij is niet de gebruiker van de koelcellen. Zij verstrekt zelf enkel diensten aan nv V & C MEAT SERVICE, zoals onder meer de terbeschikkingstelling van het onroerend goed en het handelsfonds. Hoewel de eerste verzoekende partij niet de exploitant is van de inrichting zal zij wel rechtstreeks geaffecteerd worden door het sluiten van de activiteiten van nv V & C MEAT SERVICE.

[…] Een maatregel die als gevolg heeft dat de nv V & C MEAT SERVICE

haar activiteiten moet staken, heeft tot gevolg dat er geen inkomsten meer kunnen worden gehaald uit de activiteiten van de aan haar gelieerde onderneming. Een doorzetting van de activiteiten van V & C MEAT SERVICE

onder eigen naam wordt door de bestreden beslissing eveneens onmogelijk aangezien deze activiteit afhankelijk is van het gebruik van de twee koelinstallaties. Het voortbestaan van de eerste verzoekende partij is daarmee op dezelfde wijze bedreigd als de nv V & C MEAT SERVICE.

[…] Hiermee staat voldoende vast dat de verzoekende partijen het resultaat van de reguliere schorsingsprocedure niet kunnen afwachten om hun beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.

[…] Een abrupte en totale beëindiging van een beroepsactiviteit werd door Uw Raad reeds aangenomen als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel toen dit nog een van de schorsingsvoorwaarden was.[…] De wijziging in de schorsingsvoorwaarden verandert hier in essentie niets aan.

Ook in casu leidt de toepassing van de maatregelen de facto tot de abrupte stopzetting van de activiteiten van de eerste verzoekende partij en de nv V & C MEAT SERVICE zodat het persoonlijk en ernstig nadeel dat de verzoekende partijen lijden door de bestreden beslissing enkel worden afgewend door een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

[…] In ieder geval kan aan de verzoekende partijen geen gebrek aan diligentie worden verweten bij het indienen van het beroep. Het beroep wordt ingediend op dezelfde dag van de kennisgeving van de bestreden beslissing”.

VII-40.155-5/8

Beoordeling

6. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook de uitzondering vormen en beperkt blijven tot die gevallen waarbij het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond.

Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in het inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens onder meer aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.

Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl. St. Senaat, 2012-2013, nr. 5-2277/1, 13).

De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is ten slotte een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich

VII-40.155-6/8

geen reden zijn om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden.

7. De uiteenzetting van de verzoekende partijen stoelt in wezen op de imminent nefaste gevolgen die het buiten gebruik stellen van de koelinstallaties zou hebben voor de verdere exploitatie van het slachthuis/vleesversnijderij.

Aangezien de verzoekende partijen in hun verzoekschrift herhaaldelijk benadrukken dat niet zij maar de NV V&C Meat Service de inrichting exploiteert, valt niet in te zien hoe zij persoonlijk geraakt kunnen worden door een eventuele volledige stopzetting van de activiteiten. Met de verwijzing naar de schadelijke gevolgen die derden dreigen te ondergaan, hoe belangrijk en onherroepelijk die ook mogen zijn, wordt het uiterst dringend karakter van de door de verzoekende partijen ingestelde vordering niet aangetoond.

Voorts overtuigen de verzoekende partijen niet wanneer zij op algemene wijze beweren financieel “geaffecteerd” te zullen worden door de stopzetting van de activiteiten van de NV V&C Meat Service. In dit verband geeft de tweede verzoekende partij geen enkel concreet inzicht in zijn financiële toestand en er wordt zelfs geen poging ondernomen om de omvang van het beweerde nadeel in het verzoekschrift concreet te begroten. Met betrekking tot de eerste verzoekende partij volstaat één enkele blik op de financiële gegevens van het neergelegde handelsrapport om vast te stellen dat de levensvatbaarheid van de onderneming reeds ettelijke jaren ernstig bedreigd is, en zulks ongeacht de milieumaatregelen die actueel genomen moeten worden ten aanzien van de lekkende koelinstallaties. Bijgevolg tonen de verzoekende partijen niet aan waarom een schorsing volgens de gewone procedure hen geen soelaas kan bieden noch waarom zij de periode die de uitspraak in een gewone schorsingsvordering voorafgaat niet zullen kunnen overbruggen.

8. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende

VII-40.155-7/8

noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen.

Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering.

2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht januari tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Peter Sourbron

VII-40.155-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.356