Court dismisses urgent suspension request against new Antwerp jewelry shop closure rules due to lack of extreme necessity.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of the new Antwerp municipal regulation banning jewelry shops with certain criminal records. The court found no evidence that the applicant's business faced an extreme necessity requiring immediate intervention before the standard annulment appeal process could conclude. Consequently, the court ruled that the procedural threshold for suspending the enforcement of the new police code provisions was not met.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 7, 8, and 10 of the Law of 12 January 1973 on the Council of State; A request for urgent suspension of enforcement fails where the applicant cannot demonstrate that the outcome of the ordinary annulment appeal would cause extreme and irreparable harm.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE Xe KAMER
nr. 240.352 van 5 januari 2018
in de zaak A. 224.090/X-17.089.
In zake : de BVBA GABRIELLI DIAMONDS & JEWELERY
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Luyckx kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 122
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de STAD ANTWERPEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justius Lipsiusstraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 26 december 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van de gemeenteraad van de Stad Antwerpen van 18 december 2017 tot wijziging van de Code van de Politiereglementen, waarbij Titel 6, Hoofdstuk 6bis van deze Code wordt gewijzigd/ingevoerd en specifieke regelgeving bij wijze van algemeen geldende verordening wordt opgelegd betreffende de detailhandel in sieraden”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
X-17.089-1/8
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 januari 2018, om 11.00 uur.
Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Kris Luyckx, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Liesbeth Peeters, die loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. De gemeenteraad van de stad Antwerpen besluit op 18 december 2017 de code van politiereglementen (hierna: politiecodex) te wijzigen. Inzonderheid wordt in titel 6 een hoofdstuk 6bis “Detailhandel in sieraden” (artikelen 635 tot 635quinquies) ingevoegd. Wat de “Regelgeving:
bevoegdheid” betreft, wordt in de aanhef van de gemeenteraadsbeslissing verwezen naar onder andere artikelen 119 en 119bis van de nieuwe gemeentewet.
Onder “detailhandel in sieraden” is volgens het nieuwe artikel 635 van politiecodex te begrijpen: “een publiek toegankelijke inrichting waar de exploitant een activiteit uitoefent van aankoop en/of verkoop van sieraden, die in de Kruispuntbank van Ondernemingen een inschrijving vereisen onder de NACE-BEL-code 47.770”.
X-17.089-2/8
Artikel 635ter, § 1, schrijft voor:
“De inrichting kan niet worden geëxploiteerd door personen ten laste van wie een inbreuk werd vastgesteld met betrekking tot de volgende moraliteitsvoorwaarden of door een persoon ten laste van wie verschillende of herhaalde inbreuken werden vastgesteld met betrekking tot de volgende moraliteitsvoorwaarden:
1° geen vaststellingen en/of veroordelingen, al dan niet met uitstel, voor inbreuken op feiten zoals omschreven in:
° het Strafwetboek, met uitzondering van de overtredingen in Titel X van dit wetboek [...]
° de Drugswet;
° de Wapenwet;
° de Wet Private Militie;
° de Vreemdelingenwet;
° de fiscale en sociale wetgeving.
2° geen vaststellingen van en/of veroordelingen voor inbreuken op (nationale en supranationale) wettelijke verplichtingen die verband houden met of naar aanleiding van de exploitatie, zoals de niet-naleving van vestigingsvoorwaarden, persoonsgebonden beroepsuitoefeningsvoorwaar-
den (o.m. leeftijd, verblijfskaart, beroepskaart, leurkaart, arbeidskaart), administratieve verplichtingen t.a.v. de Kruispuntbank van Ondernemingen, sociaal- en arbeidsrechtelijke verplichtingen van de personen die op enigerlei wijze deelnemen aan de exploitatie (o.m. aangifte en bijdrageplicht sociale zekerheid), boekhoudkundige en fiscale verplichtingen ,vennootschapsrechtelijke verplichtingen, vergunningen, erkenningen en toelatingen met betrekking tot de beroepsuitoefening, de regelgeving met betrekking tot de openingsuren, rookverbod, milieureglementering, regelgeving met betrekking tot edele metalen, regelgeving betreffende de economische regulering en de prijzen, regelgeving tot voorkoming van witwassen van geld en financiering van terrorisme, regelgeving met betrekking tot in-, uit- en doorvoer van goederen, wetboek economisch recht e.a.”
Artikel 635quater voorziet in de verplichting om bij elke verkoop van een sieraad of uurwerk bepaalde gegevens te attesteren op de verkoopfactuur of een ander document.
Artikel 635quinquies, § 1, bepaalt dat wie onder toepassing van hoofdstuk 6bis valt én onderworpen is aan de registratieverplichting bepaald in hoofdstuk 6 “Tweedehands goederen inkopen”, het gehele publiek toegankelijke gedeelte van de inrichting moet “beveiligen met een kwalitatieve camera-
installatie, zodat de geregistreerde personen herkend en/of geïdentificeerd kunnen worden”.
X-17.089-3/8
Voorts, brengt de gemeenteraadsbeslissing van 18 december 2017 artikel 712, § 1, van de politiecodex – behorend tot titel 8 “Strafbepalingen”
– in herinnering:
“Tenzij de wet of het decreet andere strafbepalingen voorziet wordt elke overtreding van de code van politiereglementen bestraft met:
° een administratieve geldboete die maximaal 175 euro of 350 euro bedraagt, naargelang de overtreder minderjarig of meerderjarig is; of ° de administratieve schorsing of intrekking van een door de stad of haar organen afgeleverde toelating of vergunning, en/of ° een tijdelijke of definitieve administratieve sluiting van een instelling.”
Ten slotte treden, overeenkomstig het nieuw ingevoegde artikel 732 van de politiecodex, de bepalingen van het nieuwe hoofdstuk 6bis in werking vanaf 1 januari 2018, met uitzondering van artikel 635quinquies dat in werking treedt vanaf 1 maart 2018.
IV. Schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
V. Voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid
Standpunt van de partijen
5. Volgens het verzoekschrift blijkt op evidente wijze uit de bestreden beslissing dat verzoekster, die een detailhandel in juwelen uitbaat, “reeds met ingang vanaf 1 januari 2018 wordt onderworpen aan een mogelijk verbod tot exploitatie van haar handelsaak van zodra zij word[t] geconfronteerd met ‘vaststellingen’ die een wetsinbreuk inhouden die op enigerlei wijze kan
X-17.089-4/8
worden verbonden met haar exploitatie”. Aangezien de verbodsbepaling tot exploitatie zodanig algemeen is en slechts een vaststelling vereist van bepaalde feiten, zonder dat de ernst van de vaststellingen van een wetsinbreuk op enigerlei wijze dient te worden vastgesteld, ontstaat een soort van “politionele willekeur”.
Meer bepaald acht verzoekster zich overgeleverd “aan een willekeurig optreden van de politie die met één vaststelling de sluiting van een handelszaak kan bewerkstelligen”. Volgens haar toont zij aan dat zij door de bestreden gemeenteraadsbeslissing “op een concrete wijze wordt bedreigd met de sancties inzake sluiting van de handelszaak verbonden aan het verbod op exploitatie in geval de uitbater het voorwerp is geweest van loutere vaststellingen” en dat zij zich zonder schorsing “in een toestand [bevindt] met onherroepelijke schadelijke gevolgen”.
6. De verwerende partij benadrukt in de nota dat het politiereglement weliswaar erin voorziet dat een inrichting niet mag worden geëxploiteerd door personen ten laste van wie inbreuken werden vastgesteld zoals omschreven in artikel 635ter van de politiecodex, maar “dat uit dit reglement an sich niet de sluiting volgt”. Inbreuken op de bepalingen van het politiereglement kunnen aanleiding geven tot het opleggen van “een GAS-sanctie”. Dat gebeurt evenwel volgens een wettelijk geregelde procedure, waarin de nodige waarborgen zijn ingebouwd. De loutere inwerkingtreding van de bestreden wijziging van de politiecodex maakt “helemaal geen imminente en concrete dreiging op sluiting van de handelszaak” uit.
Beoordeling
7. De voorliggende vordering strekt ertoe verzoekster te behoeden voor het gevaar dat, ten gevolge van de bestreden nieuwe reglementering, haar inrichting zomaar door de politie wordt gesloten, op grond van één of meer vaststellingen van bepaalde feiten waarvan op geen enkele wijze de ernst moet worden nagegaan.
X-17.089-5/8
Dit schrikbeeld waarop de aangevoerde uiterst dringende noodzakelijkheid berust, is ten onrechte.
8. Zoals de bestreden beslissing zelf aangeeft, kunnen overtredingen van het nieuw ingevoegde hoofdstuk 6bis bestraft worden met een tijdelijke of definitieve administratieve sluiting van de inrichting. Die sanctie moet evenwel, gelet op het artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet waaraan overigens expliciet gerefereerd wordt in de aanhef van de bestreden beslissing, worden opgelegd “overeenkomstig de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties”.
Overeenkomstig die wet, evenals artikel 712, § 4, van de politiecodex, moet de sanctie van een administratieve sluiting worden opgelegd door het college van burgemeester en schepenen.
Bij het nemen van zijn beslissing dient, gelet op artikel 7, eerste lid, van de voormelde wet van 24 juni 2013, het college van burgemeester en schepenen zich ervan te vergewissen dat de sluiting evenredig is aan de zwaarte van de vastgestelde feiten.
Tevens bepaalt artikel 45, tweede lid, van de wet van 24 juni 2013 dat de sluiting slechts kan worden opgelegd nadat de overtreder een voorafgaande verwittiging heeft gekregen; die verwittiging bevat een uittreksel van het overtreden reglement.
Bovendien moet het college van burgemeester en schepenen, zoals eerder ook al overwogen door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 44/2015 van 23 april 2015 (sub B.46.3), bij het nemen van een sluitingsbeslissing de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen.
In dat verband gewaagt de verwerende partij zelf, en op het eerste gezicht niet onterecht, van een hoorrecht voor de betrokken exploitant.
X-17.089-6/8
Ten slotte kunnen, in voorkomend geval, tegen een beslissing tot administratieve sluiting bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing – zo nodig bij uiterst dringende noodzakelijkheid –
worden ingesteld.
9. Uit wat voorafgaat volgt dat er geen sprake van is dat verzoeksters inrichting met toepassing van de bestreden beslissing “willekeurig”
door de politie kan worden gesloten vanwege een inbreuk waarvan zelfs niet het ernstig karakter moet zijn vastgesteld. De beweerde dreiging van “onherroepelijke schadelijke gevolgen” mist dan ook overtuigingskracht.
Verzoekster doet niet aannemen dat zij, actueel, ten gevolge van de gemeenteraadsbeslissing van 18 december 2017 in een zodanig urgente situatie verkeert dat zij niet de uitkomst van een annulatieberoep tegen die beslissing kan afwachten, noch ten minste de uitkomst van een gewone vordering tot schorsing ertegen.
10. Er is geen uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden.
Aldus is alvast één van de cumulatieve voorwaarden voor een schorsing niet vervuld.
Deze vaststelling volstaat om de vordering in haar geheel te verwerpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan de verwerende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro.
X-17.089-7/8
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf januari 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Johan Lust
X-17.089-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.352