Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.348 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.348 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against heritage authority's refusal to regularize a lowered ceiling in a protected Brussels building.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.348
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal against the Brussels Regional Government's decision to refuse regularization of a lowered ceiling and partition wall in a protected building. The applicant argued that the refusal lacked legal grounds and failed to consider the shop's heritage value, while the government maintained the interventionist style of the ceiling was incompatible with the site's historical character. The court upheld the refusal, ruling that the heritage authority correctly prioritized the preservation of the building's empirical-style ceiling over the applicant's request for modernization.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 173 BWRO; Art. 214 BWRO: The administrative authority is not required to propose an equally valuable alternative when refusing a regularization request, and late invocation of legal grounds renders the corresponding plea inadmissible.

Mots-clés

Généré par l'IA
heritage protection regularization permit administrative appeal protected building procedural fairness inadmissible plea burden of proof frais de rénovation

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 173 BWRO
Art. 214 BWRO
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 240.348 van 5 januari 2018

in de zaak A. 220.023/X-16.705.

In zake : de BVBA CARIS & CARIS

Rechtsgeding hervat door :

de NV NEUHAUS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Deltour kantoor houdend te 1200 Brussel Brand Whitlocklaan 132

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Philippe Coenraets en Christophe Lépinois kantoor houdend te 1000 Brussel Ter Kamerenlaan 36

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 17 augustus 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 mei 2016 houdende de verwerping van het beroep ingediend door de verzoekende partij tegen de beslissing van de gemachtigde ambtenaar tot weigering van de gevraagde regularisatievergunning voor de plaatsing van een verlaagd plafond en een tussenwand in het goed gelegen aan de Magdalenasteenweg 29 te 1000 Brussel.

X-16.705-1/15

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld.

De nv Neuhaus heeft de hervatting van het geding gevraagd voor de verzoekende partij en heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december 2017.

Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Bernard Deltour, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Christophe Lépinois, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De verzoekende partij is huurder van een pand gelegen aan de Magdalenasteenweg 29 te 1000 Brussel, aldaar kadastraal gekend als Afdeling 1, Sectie A, nr. 964A, waarin zij een chocoladewinkel uitbaat.

X-16.705-2/15

Overeenkomstig het bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op 3 mei 2001 goedgekeurd gewestelijk bestemmingsplan is dit goed gelegen in een gemengd gebied. Daarnaast is het goed als monument beschermd bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 12 juni 2008.

De verzoekende partij heeft een verlaagd plafond met geïntegreerde verlichting en airconditioning in de voormelde beschermde woning geïnstalleerd.

3.2. Op 11 juli 2012 stelde de directie voor Monumenten en Landschappen een proces-verbaal op voor de plaatsing van het verlaagd plafond en een gipsplaten scheidingswand.

3.3. Kort voordien, op 26 juni 2012, diende de verzoekende partij een aanvraag tot regularisatie van deze werken in.

3.4. Op 18 januari 2013 brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna: de KCML) een advies over die aanvraag uit, waarin zij onder meer het volgende stelt:

“[...]

De Commissie betreurt de plaatsing van het verlaagde plafond omdat dit enerzijds een waardevol historisch plafond aan het zich[t] onttrekt en, anderzijds, de volumetrie van de ruimte wijzigt. Aangezien het nieuwe plafond geen meerwaarde betekent op erfgoedkundig vlak vraagt de KCML

dit element niet te regulariseren. Ze betreurt ook dat het plafond geplaatst werd zonder het empire-plafond te herstellen en te restaureren en zonder een nauwkeurig onderzoek (bijv. door middel van endoscopie) van het oorspronkelijke plafond.

De Commissie vraagt het nieuwe verlaagde plafond te verwijderen en het onderliggende plafond in empirestijl te herstellen en te restaureren volgens de regels van de kunst. Dit impliceert dat ook de plaatsing van de koelinstallatie herzien moet worden. De Commissie vraagt die installatie op een discrete manier in de winkel te integreren zonder afbreuk te doen aan de erfgoedkundige kwaliteiten van het pand. Ook de verlichting moet opnieuw bestudeerd worden in functie van de herwaardering van het te behouden en te restaureren plafond en van de ruimte in het algemeen.

[...]”

X-16.705-3/15

3.5. Op 26 april 2013 weigert de gemachtigde ambtenaar de regularisatieaanvraag op grond van het advies van de KCML van 18 januari 2013. Het door de verzoekende partij tegen dit advies van de KCML ingediende annulatieberoep, wordt met ‘s Raads arrest nr. 238.502 van 13 juni 2017

verworpen.

3.6. Op 21 juni 2013 dient de verzoekende partij tegen de voormelde weigeringsbeslissing van 26 april 2013 van de gemachtigde ambtenaar een administratief beroep in bij de Brusselse Hoofdstedelijke Regering (hierna:

de beroepsinstantie).

3.7. Op 30 augustus 2013 verleent het Stedenbouwkundig College een negatief advies aangezien het beroep laattijdig zou zijn ingesteld. Dit advies wordt bij aangetekend schrijven van 30 augustus 2013 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.

3.8. Bij beslissing van 4 mei 2016 bevindt de beroepsinstantie het beroep ontvankelijk maar ongegrond en weigert zij de regularisatieaanvraag.

Dit is het bestreden besluit.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4.1. De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de motiveringswet).

X-16.705-4/15

Zij betoogt dat het bestreden besluit geen enkele inhoudelijke motivering bevat over de gegrondheid van het beroep. Derhalve bevat dit besluit volgens haar niet de juridische en feitelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan de ongegrondverklaring.

4.2. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing de door de verwerende partij aangehaalde passage niet bevat en dat deze partij niet aantoont dat de passage wel in de bestreden besluit is opgenomen, laat staan dat zij aantoont dat deze aan haar werd betekend. De verzoekende partij stelt dat de bewijslast daartoe onbetwistbaar bij de verwerende partij ligt en dat zij geen enkele reden had om te vermoeden dat het bestreden besluit onvolledig werd meegedeeld. Daarnaast verwijst de verzoekende partij naar de rechtspraak van de Raad van State, waaruit volgens haar onder meer blijkt dat een onvolledige kennisgeving automatisch leidt tot de schending van de formelemotiveringsplicht.

Beoordeling

5.1. Met de verwerende partij dient vastgesteld te worden dat het bestreden besluit wel degelijk een achtste blad bevat, waarin de aanvraag ten gronde wordt beoordeeld en de weigering als volgt wordt gemotiveerd:

“Overwegende dat de vergunningsaanvraag de regularisatie van, enerzijds, de plaatsing van een zelfdragend vals plafond om er klimaatregelingsapparatuur te installeren en, anderzijds, de plaatsing van een scheidingswand op de benedenverdieping van het gebouw op de Magdalenasteenweg beoogt;

Overwegende dat de werkzaamheden om er een chocoladewinkel (Neuhaus) te vestigen in de plaats van een boekenwinkel zijn uitgevoerd;

Dat deze werkzaamheden die zonder voorafgaande vergunning zijn uitgevoerd, de kenmerkende elementen van het bestaande erfgoed onvoldoende in de verf zetten en indruisen tegen de doelstellingen die door de artikelen 2 en 3 van het BWRO worden nagestreefd;

Dat de KCML terecht van mening is dat de plaatsing van een vals plafond geen erfgoedkundige meerwaarde is voor het beschermde goed.

Boven het vals plafond bevindt zich een plafond in empirische stijl, dat gerestaureerd had kunnen worden alvorens door een vals plafond te worden bedekt;

X-16.705-5/15

Dat het plafond in empirische stijl bovendien moet worden hersteld en gerestaureerd volgens de regels van de kunst en dat de klimaatregeling op discrete wijze in de winkel dient te worden geïntegreerd. Daarbij dienen de erfgoedkundige kwaliteiten van het goed te worden gerespecteerd;

Overwegende dat de weigering om het vals plafond te regulariseren inhoudt dat de regularisatie van de getrokken tussenwand wordt geweigerd, aangezien beide op structureel niveau verbonden zijn.”

5.2. Gelet op het voormelde is het bestreden besluit wel degelijk formeel gemotiveerd.

5.3. Een gebeurlijke onvolledige betekening van het bestreden besluit tast in principe niet de wettigheid ervan aan. Eventueel kan ze gevolgen hebben voor het ingaan van de beroepstermijn, maar in zoverre het middel is afgeleid uit de motiveringswet is ze ongegrond.

5.4. Overigens wordt vastgesteld dat de verzoekende partij ten laatste samen met het administratief dossier van het volledige bestreden besluit heeft kunnen kennis nemen en dat zij deze formele motieven in het kader van andere aangevoerde rechtsregels in haar memorie van wederantwoord heeft bekritiseerd (zie randnummer 6.2).

5.5. Het middel wordt verworpen.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

6.1. De verzoekende partij roept in een tweede middel de schending in van de artikelen 12, 171, 180, 182, van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (hierna: het BWRO) en het zorgvuldigheidsbeginsel, al dan niet in onderlinge samenhang gelezen.

Zij zet uiteen dat het advies van het Stedenbouwkundig College beperkt is tot het onontvankelijk bevinden van het beroep, waardoor de

X-16.705-6/15

verwerende partij niet over een advies over de grond van het beroep beschikte.

De verzoekende partij meent dat de adviesvereiste een substantiële vormvereiste uitmaakt waarvan de niet naleving met de nietigheid van het bestreden besluit dient te worden gesanctioneerd.

Indien een zorgvuldige overheid vaststelt dat het advies van het Stedenbouwkundig College voor wat betreft de ontvankelijkheid van het beroep niet kan worden gevolgd, dan dient zij volgens de verzoekende partij een advies over de grond van het beroep te vragen. Het tegenovergestelde aannemen zou volgens haar de “adviesverleningsverplichting” al te zeer uithollen.

6.2. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat artikel 12 BWRO in een duidelijk adviesmechanisme voorziet opdat de verwerende partij met kennis van zaken zou kunnen beslissen.

Zelfs indien men zou aannemen dat het bestreden besluit de door de verwerende partij geciteerde motivering zou bevatten, dan nog dient men volgens de verzoekende partij vast te stellen dat de stedenbouwkundig-technische overwegingen te kort schieten. Zo worden de wijzigingen die in het pand door de vorige huurder en de eigenaar zijn aangebracht, niet in rekening gebracht.

Evenmin wordt gemotiveerd waarom het project niet vergund zou kunnen worden om andere redenen dan de staat van het empire-plafond, waaraan zij geen enkele schuld treft. Een inhoudelijk advies van het Stedenbouwkundig College had dit volgens haar kunnen verhelpen.

6.3. De verzoekende partij doet in haar laatste memorie nog gelden dat de verwerende partij, teneinde met afdoende kennis van zaken te kunnen oordelen, om een bijkomend advies van het Stedenbouwkundig College had dienen te verzoeken.

X-16.705-7/15

Beoordeling

7.1. Geen enkele van de door de verzoekende partij aangevoerde rechtsregels verplicht de beroepsinstantie die een beroep ongegrond bevindt om aan het Stedenbouwkundig College, dat zich in zijn advies heeft beperkt tot het onontvankelijk bevinden van dat beroep, een nieuw advies over de grond van de zaak te vragen of te bekomen. Integendeel voorziet artikel 171, § 1, BWRO er in dat de procedure wordt voortgezet bij ontstentenis van een advies binnen de voorgeschreven termijn, zodat de decreetgever het advies niet onontbeerlijk blijkt te hebben bevonden om over de aanvraag ten gronde uitspraak te doen.

Het middel mist in zoverre juridische grondslag.

7.2. De verzoekende partij toont voorts niet aan dat de beroepsinstantie niet met kennis van zaken zou hebben kunnen oordelen.

7.3. Haar betoog, ten slotte, dat de wijzigingen die de vorige huurder en de eigenaar aan het kwestieuze pand hebben aangebracht niet in rekening zijn gebracht, en dat niet gemotiveerd wordt waarom het project niet vergund kan worden om andere redenen dan de staat van het empire-plafond, doet geen afbreuk aan de draagkracht van de onder randnummer 5.1 vermelde motivering dat de kwestieuze werken de kenmerkende elementen van het bestaande erfgoed onvoldoende in de verf zetten, of toont niet aan dat het bestreden besluit anderszins de in het middel aangevoerde rechtsregels schendt.

7.4. Het middel wordt verworpen.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

8.1. De verzoekende partij roept in een derde middel de schending in van de artikelen 2 en 3 BWRO, alsook van het materiëlemotiverings-,

X-16.705-8/15

proportionaliteits-, zorgvuldigheids-, en fair play-beginsel en de redelijketermijnvereiste, al dan niet in onderlinge samenhang gelezen.

8.1.1. Voor zover er per impossibile geen schending van de formelemotiveringsplicht zou worden aangenomen, moet volgens de verzoekende partij worden vastgesteld dat de materiële motivering, zoals die blijkt uit het administratief dossier, de bestreden weigeringsbeslissing niet kan verantwoorden.

De verzoekende partij betoogt dat, in tegenstelling tot wat de KCML voorhoudt, het betrokken zelfdragend plafond wel degelijk een meerwaarde betekent op erfgoedkundig vlak. Volgens haar is een dergelijk plafond immers noodzakelijk voor de technische haalbaarheid van de exploitatie van een chocoladewinkel die naadloos aansluit, zelfs essentieel deel uitmaakt, van het Brusselse erfgoed. Het project past volgens de verzoekende partij dus perfect bij het type pand. Zij meent dat de feiten hebben aangetoond dat er zonder economisch haalbaar project geen sprake is van een herwaardering van het (zwaar verloederde) gebouw en dat de effectieve ontwikkeling en haalbaarheid van het bewuste project staat of valt met de plaatsing van het kwestieuze plafond.

Daardoor is aangetoond dat het betrokken plafond een noodzakelijke voorwaarde is voor de haalbaarheid van de erfgoedkundig zeer lovenswaardige herwaardering van het betrokken pand.

Bovendien houdt de stelling van de KCML volgens de verzoekende partij een schending in van de in artikel 2 BWRO vervatte verplichting om er bij de ontwikkeling van het Gewest naar te streven om op een duurzame manier tegemoet te komen aan de sociale, economische en patrimoniale behoeften van de gemeenschap, door een kwalitatief beheer van het levenskader en door de instandhouding en ontwikkeling van het cultureel erfgoed. Minstens wordt niet overeenkomstig artikel 3 BWRO “alles in het werk gesteld om de sociale en economische vooruitgang met de levenskwaliteit te verzoenen”. De overwegingen uit het advies hebben volgens de verzoekende partij immers alleen oog gehad voor erfgoedkundige belangen, zonder oog te hebben voor de evenwichtige aanpak die de grondslag vormt voor het project van

X-16.705-9/15

de verzoekende partij: een sociaal-economisch leefbare en zelfbedruipende herontwikkeling van een verloederd pand, waarbij onmiddellijk een aanzienlijke erfgoedkundige verbetering wordt gerealiseerd. Daarenboven staat volgens haar vast dat het enige erfgoedkundig bekritiseerde aspect, het aanbrengen van het technisch plafond, geen bijkomende afbreuk doet aan de reeds aanwezige aantastingen van het empire-plafond en op termijn een eventueel herstel van dit empire-plafond (alsnog) perfect mogelijk maakt.

De verzoekende partij onderstreept nog dat de verwerende partij geen “minstens evenwaardig alternatief” kan aanbrengen, en dat geen rekening is gehouden met de omkeerbaarheid van de toestand die met de plaatsing van het kwestieuze plafond is verzekerd.

8.1.2. Wat de schending van het proportionaliteitsbeginsel, het fair play-beginsel en de redelijketermijnvereiste betreft, stelt de verzoekende partij dat de overheid jarenlang heeft nagelaten om de eigenlijke schuldige(n) te verplichten om het empire-plafond te herstellen en dat er bijna vier jaar verstreken is tussen het indienen van de regularisatieaanvraag en de kennisgeving van het bestreden besluit. Het dossier vertoont volgens haar nochtans geen bijzondere complexiteit en zijzelf is steeds diligent geweest. Ook beklaagt zij zich er over dat zij al die tijd aan strafrechtelijke vervolging is blootgesteld geweest.

Het weigeren van de regularisatiegunning was volgens haar te dezen rechtens niet aanvaardbaar.

8.2. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat het project perfect verenigbaar is met de beschermde elementen. Verder getuigt de verwerende partij volgens haar van procedurele kwade trouw wanneer zij voor het eerst voor de Raad van State stelt dat zij niet aantoont dat haar activiteit zonder vals plafond technisch onmogelijk zou zijn. Ook ontslaat het mechanisme van artikel 173 BWRO de vergunningverlenende overheid niet van haar diligentieplicht om binnen een redelijke termijn te beslissen. Indien dit laatste toch een schending van de redelijketermijnvereiste zou verhinderen, merkt zij op dat zij de schending van deze vereiste ook opwerpt in samenhang gelezen

X-16.705-10/15

met met de artikelen 2 en 3 BWRO, het materiëlemotiverings-, proportionaliteits-, zorgvuldigheids- en fair play-beginsel.

8.3. De verzoekende partij doet in haar laatste memorie nog gelden dat de weigering wordt gerechtvaardigd door het feit “dat idealiter de restauratie van het plafond ervoor had moeten gebeuren”, “[e]chter niet op grond van het feit dat het vals plafond in se het bestaan van het plafond in ‘empirische stijl’ in het gedrang brengt”. Voorts betoogt zij dat de verwerende partij “geen gebruik [kan]

maken van een vergunningsaanvraag om de verplichtingen van de eigenaar van een beschermde pand overeenkomstig [h]et artikel 214 van het BWRO over te dragen naar de huurder van dit pand”.

Beoordeling

9.1. De artikelen 2 en 3 BWRO luiden:

“Art. 2. De ontwikkeling van het Gewest, samen met de ordening van zijn grondgebied, wordt nagestreefd om, op een duurzame manier, tegemoet te komen aan de sociale, economische, patrimoniale en milieu- en mobiliteitsbehoeften van de gemeenschap door het kwalitatief beheer van het levenskader, door het zuinig gebruik van de bodem en zijn rijkdommen en door de instandhouding en de ontwikkeling van het cultureel, natuurlijk en landschappelijk erfgoed en door een verbetering van de energieprestatie van de gebouwen en van de mobiliteit.

Art. 3. Bij de tenuitvoerlegging van dit Wetboek, stellen de administratieve instanties alles in het werk om de sociale en economische vooruitgang met de kwaliteit van het leven te verzoenen, en de inwoners van het Gewest ervan te verzekeren dat een harmonieuze ordening in acht wordt genomen.”

9.2. De bewering van de verzoekende partij dat geen rekening zou zijn gehouden met de omkeerbaarheid van het geplaatste plafond, vermag geen afbreuk te doen aan de motieven van het bestreden besluit dat de kwestieuze werken “de kenmerkende elementen van het bestaande erfgoed onvoldoende in de verf zetten”, dat “de plaatsing van een vals plafond geen erfgoedkundige meerwaarde is voor het beschermde goed”, dat zich “[b]oven het vals plafond [...]

een plafond in empirische stijl [bevindt] [...]” en “dat de klimaatregeling op discrete wijze in de winkel dient te worden geïntegreerd”. De verwerende partij

X-16.705-11/15

merkt in haar memorie van antwoord terecht op dat “niettegenstaande de beweerde omkeerbaarheid van de situatie, [...] het plaatsen van een vals plafond tot gevolg [heeft] dat het plafond in empirestijl niet meer zichtbaar is en dus niet meer wordt gevaloriseerd”.

9.3. Met haar betoog dat de KCML ten onrechte voorhoudt dat het betrokken zelfdragend plafond geen meerwaarde betekent op erfgoedkundig vlak, geeft de verzoekende partij ervan blijk er een andere opvatting dan de KCML op na te houden, maar toont zij de onwettigheid van het bestreden besluit niet aan.

9.4. Het betoog van de verzoekende partij dat de bestreden weigering ingaat tegen de door artikel 2 BWRO voorgeschreven verplichting om tegemoet te komen aan de sociale, economische en patrimoniale behoeften van de gemeenschap en evenzeer artikel 3 BWRO schendt door geen oog te hebben voor de haalbaarheid van haar project, kan geen bijval vinden. De bestreden weigeringsbeslissing wil tegemoet komen aan de patrimoniale behoeften van de gemeenschap door de instandhouding van het cultureel erfgoed zoals voorzien in artikel 2 BWRO en verzekert op die manier dat een “harmonieuze ordening”

wordt in acht genomen, zoals vereist door artikel 3 BWRO.

Uit de voormelde bepalingen volgt niet dat de overheid bij het behandelen van een regularisatieaanvraag voor een als monument beschermd pand oog moet hebben voor de haalbaarheid van een in dit beschermd pand op onrechtmatige wijze gerealiseerd project. De verwerende partij stelt in dit verband terecht dat de kwestie van de technische haalbaarheid van het kwestieuze project “[haar] niet belet de kwestie van de verenigbaarheid van dit project met de beschermde elementen van het goed te onderzoeken”. Verzoeksters betoog dat haar project staat of valt met het valse plafond mist dan ook pertinentie.

9.5. Anders dan de verzoekende partij dit blijkbaar ziet, blijkt uit het bestreden besluit niet dat de beroepsinstantie van oordeel zou zijn dat een vals plafond aanvaardbaar is. Verzoeksters standpunt kan niet worden afgeleid uit de enkele overweging van het bestreden besluit dat “[b]oven het vals plafond [...]

X-16.705-12/15

zich een plafond in empirische stijl [bevindt], dat gerestaureerd had kunnen worden alvorens door een vals plafond te worden bedekt”, en dit gelet op de uitdrukkelijke overwegingen dat de kwestieuze werkzaamheden “de kenmerkende elementen van het bestaande erfgoed onvoldoende in de verf zetten en indruisen tegen de doelstellingen die door de artikelen 2 en 3 van het BWRO

worden nagestreefd”, dat “de KCML terecht van mening is dat de plaatsing van een vals plafond geen erfgoedkundige meerwaarde is voor het beschermde goed”

en dat “de klimaatregeling op discrete wijze in de winkel dient te worden geïntegreerd”, waarbij “de erfgoedkundige kwaliteiten van het goed [dienen] te worden gerespecteerd”.

Gezien het voormelde, moet het bestreden besluit wel degelijk geacht worden de aanvraag te hebben geweigerd op grond van het feit dat het vals plafond, gelet op de erfgoedkundige waarde van het plafond in empirische stijl, niet aanvaardbaar is. Verzoeksters betoog dat een chocoladewinkel ongetwijfeld essentieel deel uitmaakt van het Brussels erfgoed, vermag aan dit motief geen afbreuk te doen.

9.6. De beroepsinstantie was er voorts niet toe gehouden om een “minstens evenwaardig alternatief” aan te geven, zoals de verzoekende partij meent.

9.7. Het betoog van de verzoekende partij dat geen enkel motief de bestreden weigeringsbeslissing rechtens kan verantwoorden, kan gelet op wat voorafgaat geen bijval vinden.

9.8. Een gebrek aan de fair play veronderstelt onder meer dat de verwerende partij met opzet zou hebben gepoogd de verzoekende partij in de uitoefening van haar rechten te belemmeren. De verzoekende partij toont zulks geenszins aan.

9.9. Dat de verwerende partij gedurende jaren zou hebben nagelaten om de vorige uitbater en eigenaar – volgens de verzoekende partij “de eigenlijke

X-16.705-13/15

schuldigen” – te verplichten het empire-plafond te herstellen, is als dusdanig niet van aard om de bestreden beslissing te vitiëren. Het doet niets af aan de geldigheid van de onder randnummer 9.2 vermelde motieven.

9.10. De verzoekende partij kan er zich voorts niet met goed gevolg op beroepen dat haar aanvraag niet binnen een redelijke termijn zou behandeld zijn, nu zij geen gebruik heeft gemaakt van de haar door artikel 173 BWRO

geboden mogelijkheid om een herinnering aan de verwerende partij te sturen en deze daarmee tot een snelle beslissing aan te zetten. Verzoeksters betoog dat de zaak niet complex zou zijn en dat zij steeds diligent zou hebben gehandeld, doet niet anders besluiten.

9.11. De omstandigheid dat de verzoekende partij tijdens de vergunningsaanvraag strafrechtelijk vervolgd kan worden, is het gevolg van haar eigengereid handelen, zonder over de daartoe vereiste voorafgaande vergunning te beschikken. Zij kan dit de vergunningverlenende overheid dan ook niet ten kwade duiden.

9.12. De verzoekende partij toont geen schending aan van de aangevoerde rechtsregels, op zichzelf genomen of in hun onderlinge samenhang gelezen.

9.13. In zoverre de verzoekende partij eerst in haar laatste memorie nog de schending van artikel 214 BWRO aanvoert, is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk.

9.14. Het middel wordt verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

X-16.705-14/15

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf januari 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-16.705-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.348