Cassation appeal dismissed as inadmissible due to lack of specific argumentation on material law violations.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the cassation appeal inadmissible and ordered the applicant to bear the costs. The applicant failed to specify how the Refugee Board violated the duty of motivation or Article 39/65 of the Aliens Act. Consequently, the court ruled that the appeal lacked the necessary legal foundation to proceed.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 7 to 11 of the Royal Decree of 30 November 2006; The cassation appeal is inadmissible if the applicant fails to specify the manner in which the lower court allegedly violated the duty of motivation or substantive law.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 12.663 van 20 december 2017
in de zaak A. 223.818/XIV-37.570
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rahim Aktepe kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 95
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
Het cassatieberoep, ingesteld op 20 november 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 194.170 van 25 oktober 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het administratief dossier is op 28 november 2017 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De materiële motiveringsplicht is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest en verzoeker laat na uiteen te zetten op welke wijze de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk
XIV-37.570-1/3
bestreden beslissing de inhoud van dat beginsel wet zou hebben geschonden. Verzoeker voert ook de schending aan van artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) doch zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepaling zou hebben geschonden. Het eerste middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn beroep niet ongegrond verklaard “omdat verzoeker niet zelf klacht heeft neergelegd als slachtoffer”. In het bestreden arrest besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op gemotiveerde wijze dat de beoordeling dat “verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij zich bevindt in een bijzonder schrijnende situatie omwille van partnergeweld, zoals bedoeld in artikel 42quater, § 4, 4°, van de vreemdelingenwet” niet kennelijk onredelijk is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er daarbij onder meer op dat uit het politieverslag blijkt dat het niet verzoeker maar wel zijn ex-partner was die klacht tegen hem heeft neergelegd en dat zij verwondingen vertoonde, dat het enkele feit dat verzoeker in het politieverslag verklaarde dat ook hij werd gekrabd en gestampt niet inhoudt dat de verwerende partij ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van partnergeweld ten aanzien van hem, dat weliswaar uit de medische attesten blijkt dat verzoeker zich heeft laten verzorgen voor krabletsels maar dat bij gebreke aan bijkomende ondersteunende bewijzen niet blijkt dat het zijn ex-partner is die deze verwondingen heeft aangebracht en dat hij zelf heeft verklaard goed overeen te komen met zijn partner. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat verzoeker die bevindingen weliswaar tegenspreekt maar niet aantoont met welke elementen geen rekening zou zijn gehouden of dat die beoordeling kennelijk onredelijk is. Verzoekers kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een voorwaarde toevoegt aan artikel 42quater, § 4, 4°, van de vreemdelingenwet mist feitelijke grondslag. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
XIV-37.570-2/3
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig december tweeduizend zeventien, door:
Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Carlo Adams
XIV-37.570-3/3
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.663