Belgian Court of State dismisses asylum appeal as inadmissible due to procedural defects and lack of new evidence.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of State declared the administrative cassation appeal inadmissible and ordered the applicant to bear the costs. The applicant argued that the Refugee Board failed to adequately examine medical documents and country conditions, but the court found no grounds to reopen the case. Since the appeal was procedurally flawed and the applicant offered no new evidence to challenge the previous decision, the court upheld the rejection of the asylum claim.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 20 of the Coordinated Laws on the Council of State and Articles 7 to 11 of the Royal Decree of 30 November 2006: An administrative cassation appeal is inadmissible if it lacks procedural standing or fails to present new facts that could alter the outcome of the contested decision.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 12.596 van 14 november 2017
in de zaak A. 223.499/XIV-37.533
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte Morjane kantoor houdend te 1000 Brussel Kolenmarktstraat 83
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN
EN DE STAATLOZEN
Het cassatieberoep, ingesteld op 6 oktober 2107, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 191.577 van 5 september 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het administratief dossier is op 18 oktober 2017 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
1. De opmerking in het bestreden arrest dat verzoeker de kans had om middels het verzoekschrift dat hij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft ingediend de in de aanvankelijk bestreden beslissing gedane vaststellingen te verduidelijken is geenszins tegenstrijdig met de daaropvolgende vaststelling dat de verklaringen en
XIV-37.533-1/4
nuanceringen die hij biedt voor de tegenstrijdigheden in zijn relaas niet volstaan. De vaststelling in het bestreden arrest dat de argumenten die verzoeker aanbrengt de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas niet vermogen te herstellen, betekent immers niet dat het hem “onmogelijk [wordt] [ge]maakt om zijn argumenten ten aanzien van de vermeende tegenstrijdigheden en vaagheden te laten gelden”. De vaststellingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen steunen daarbij op de informatie vervat in het administratief dossier. Verzoeker maakt dan ook geen schending van de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen of van de rechten van verdediging aannemelijk.
Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
2. In het bestreden arrest wordt wel degelijk ingegaan op de door verzoeker aangebrachte medische documenten en elementen, zoals ook blijkt uit de door hem in het middelonderdeel geciteerde passage van het bestreden arrest. Ook de impact van verzoekers ziekte op de mogelijkheid tot terugkeer naar Bagdad wordt in het bestreden arrest beoordeeld waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dat “[h]et loutere gegeven dat verzoeker omwille van zijn ziekte zelf onvoldoende bestaansmiddelen zou kunnen vergaren voor zijn gezin kan verder niet volstaan om het bestaan van een reëel risico op ernstige schade in zijn hoofde en in hoofde van zijn gezinsleden aan te tonen” en dit “te meer nu verzoeker en diens gezin in Irak en Bagdad […] beschikken over een uitgebreid familiaal netwerk”. Verzoeker maakt dan ook met de loutere bewering dat “de Raad dit begin van bewijs niet heeft weerlegd en grondig onderzocht” geen schending van de artikelen 3 en 13
van het EVRM “desgevallend in combinatie met artikel 48/3 en 39/2 van de [vreemdelingenwet]” aannemelijk.
Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
3. De beoordeling van de authenticiteit en de bewijswaarde van neergelegde stukken behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die in een beroep tegen een beslissing van de commissaris-
generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over hervormingsbevoegdheid beschikt. Het komt niet aan de Raad van State als administratieve cassatierechter toe om die beoordeling opnieuw te doen. Zoals in het bestreden arrest terecht wordt gesteld, kan een verwijzing naar algemene informatie over de situatie in het land van herkomst niet volstaan om aan te tonen dat verzoeker werkelijk wordt bedreigd en vervolgd.
XIV-37.533-2/4
Het derde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
4. Zoals uit de bewoording van de door verzoeker in zijn vierde middelonderdeel geviseerde passage van het bestreden arrest duidelijk blijkt, betreft het een overtollig motief dat de strekking van het bestreden arrest niet kan hebben beïnvloed. Kritiek tegen dergelijk overtollig motief kan niet tot de cassatie van het bestreden arrest leiden.
5. De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek houden in dat de rechter aan een akte geen uitlegging mag geven die niet verenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan.
Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dat hij thans citeert in het vijfde middelonderdeel, gewezen op het risico op vervolging voor ex-militairen, op het viseren van soennieten, op afpersing als courante praktijk voor de milities en op de staat van de gezondheidszorg. In het bestreden arrest worden al deze elementen uitgebreid onderzocht en verzoeker maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat het feit dat die elementen “niet als geheel werden onderzocht” tot een andere conclusie zou nopen. Verzoekers kritiek dat het bestreden arrest de bewijskracht van het verzoekschrift schendt “in de welke verzoeker niet louter en enkel omwille van het feit dat verzoeker soenniet is heeft aangevoerd dat er een risico tot vervolging is” gaat voorbij aan de concrete motivering van het bestreden arrest dat niet beperkt is tot dit element, zoals ook blijkt uit de door verzoeker zelf geciteerde passages ervan. Verzoeker maakt dan ook niet aannemelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan de stukken vervat in het rechtsplegingsdossier een uitlegging heeft gegeven die niet verenigbaar is met de bewoording of de inhoud ervan.
Het vijfde onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
6. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, blijkt uit de door hem geciteerde passage van zijn laatste gehoor op het commissariaat-generaal wel degelijk dat hij uitdrukkelijk en meermaals heeft gesteld dat hij via de app Tango een jongen heeft leren kennen. Verzoekers kritiek mist dan ook feitelijke grondslag.
Het zesde onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
XIV-37.533-3/4
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op veertien november tweeduizend zeventien, door:
Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Carlo Adams
XIV-37.533-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.596