Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.552 ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.552 Généré par l'IA

Belgian Council of State dismisses asylum appeal as inadmissible due to procedural and jurisdictional defects.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.552
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Irrecevable (Inadmissible)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State declared the asylum applicant's cassation appeal inadmissible for failing to meet procedural requirements and lacking jurisdictional standing. The applicant argued that the Refugee Board erred in assessing medical accessibility, but the court noted the limited scope of the Board's annulment power regarding this specific issue. Furthermore, the court determined that the applicant's claim of a violation of the duty of motivation did not apply to the jurisdictional decision at hand, rendering the appeal non-entitled.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 9ter, § 1 of the Foreigners' Law; Article 20 of the Coordinated Laws on the Council of State: The Council of State lacks jurisdiction to annul a decision of the Refugee Board when the Board's limited power of annulment precludes such review, and claims of procedural violations regarding jurisdictional decisions are inadmissible.

Mots-clés

Généré par l'IA
asylum appeal inadmissibility jurisdictional decision scope duty of motivation limitation Refugee Board annulment power procedural defect dismissal

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 9ter, § 1, last paragraph of the Law of 15 December 1980 on access to the territory, residence, establishment and expulsion of foreigners
Article 20 of the Coordinated Laws on the Council of State
Articles 7 to 11 of the Royal Decree of 30 November 2006 on the procedure for cassation at the Council of State

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID

IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE

nr. 12.552 van 11 september 2017

in de zaak A. 222.782/XIV-37.484

In zake : XXXXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martine De Raedemaeker kantoor houdend te 2800 Mechelen Augustijnenstraat 10

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

Het cassatieberoep, ingesteld op 31 juli 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 189.842 van 18 juli 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Het administratief dossier is op 9 augustus 2017 aangekomen ter griffie.

Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

1. Op grond van artikel 9ter, § 1, laatste lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ gebeurt de beoordeling van, onder meer, de toegankelijkheid tot behandeling in het land van herkomst of het land van verblijf door een ambtenaar-geneesheer of een geneesheer aangeduid door de minister of diens gemachtigde.

XIV-37.484-1/3

In zijn advies van 14 december 2016 stelt de ambtenaar-geneesheer wat de toegankelijkheid van de medische zorgen betreft, vast dat “[b]etrokkene […] geen bewijs van (algemene)

arbeidsongeschiktheid voor[legt] en […] er geen elementen [zijn] in het dossier die erop wijzen dat betrokkene geen toegang zou hebben tot de arbeidsmarkt in zijn land van oorsprong” zodat “[n]iets […] derhalve toe[laat] te concluderen dat hij niet zou kunnen instaan voor de kosten die gepaard gaan met de noodzakelijke hulp”. Daarbij merkt de ambtenaar-geneesheer op dat “het ook erg onwaarschijnlijk [lijkt] dat betrokkene in de Koerdische regio in Irak - waar hij tenslotte 25 jaar verbleef - geen familie, vrienden of kennissen meer zou hebben bij wie hij terecht zou kunnen voor (tijdelijke) opvang en hulp bij het bekomen van de nodige zorgen” en dat “[i]ndien betrokkene zich in Bagdad wenst te vestigen […] mag […] worden aangenomen dat betrokkene […] in staat is om buiten zijn regio van herkomst in zijn levensonderhoud te voorzien”. Verzoeker heeft in het derde onderdeel van het enige middel dat hij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft ontwikkeld kritiek geuit op het feit dat de informatie van de ambtenaar-geneesheer zich beperkt tot Bagdad en de Koerdische regio maar hij is daarmee voorbij gegaan aan de concrete motivering in de aanvankelijk bestreden beslissing zoals die hoger is geciteerd.

Daargelaten de vraag of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het begrip “toegankelijkheid” in artikel 9ter, § 1, van de vreemdelingenwet zou hebben miskend door te motiveren dat de behandeling aanwezig moet zijn in het land van herkomst en niet noodzakelijk in de regio van herkomst, kan verzoekers kritiek, mede gelet op de beperkte annulatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen, niet tot de cassatie van het bestreden arrest leiden.

2. Uit de lezing van het tweede middel blijkt dat verzoeker een schending van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aanvoert dat echter niet van toepassing is op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk.

BESLUIT:

1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 200 euro.

XIV-37.484-2/3

Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf september tweeduizend zeventien, door:

Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Carlo Adams

XIV-37.484-3/3

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.552