Cassation appeal dismissed as inadmissible due to lack of procedural grounds and failure to prove legal error.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the cassation appeal inadmissible, rejecting the applicant's claim that the Refugee Board ignored a psychiatric certificate. The applicant argued the Board relied on incorrect facts regarding a medical document from August 2014, but the court found this document was attached to a separate regularization application that had already been rejected. Consequently, the court determined the Board had not failed to exercise its duty of care and dismissed the appeal on procedural grounds.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 2 and 3 of the ECHR juncto Article 13 of the ECHR; A cassation appeal is inadmissible if the applicant fails to demonstrate that the lower court could not exercise its duty of care or that the decision was legally unfounded.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 12.545 van 11 september 2017
in de zaak A. 222.850/XIV-37.494
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Brussel Landsroemlaan 40
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
Het cassatieberoep, ingesteld op 7 augustus 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 189.277 van 30 juni 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het administratief dossier is op 16 augustus 2017 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Verzoekers kritiek dat “de Raad het medisch attest van psychiater R.
dd. 30 april 2015 buiten beschouwing [laat]” mist feitelijke grondslag. In punt 3.3.2.1. van het bestreden arrest wordt dit stuk immers wel degelijk in de beoordeling betrokken en besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat met dit stuk “de verzoekende partijen
XIV-37.494-1/3
nog niet aan[tonen] dat de arts-adviseur in zijn medisch advies van 26 februari 2015 op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze heeft vastgesteld dat […]”.
Wat het “relevant medisch stuk dd. 4 augustus 2014” betreft, waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat het niet werd voorgelegd bij de aanvraag om machtiging tot verblijf die tot de aanvankelijk bestreden beslissing heeft geleid, voert verzoeker aan dat dit stuk werd bijgebracht bij zijn regularisatieaanvraag van 30 september 2014 en dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen “onder verwijzing naar de aanvragen om machtiging tot verblijf ingediend op datum van 26.04.2011
en 30.09.2014”. Uit het administratief dossier blijkt evenwel dat verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf van 30 september 2014, waarbij het betreffende stuk werd bijgebracht, niet-ontvankelijk werd verklaard en het beroep tegen die beslissing door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met arrest nr. 189.276 van 30 juni 2017 werd verworpen. De aanvraag om machtiging tot verblijf van 30 september 2014 waarnaar de aanvankelijk bestreden beslissing verwijst, betreft te dezen de aanvraag van verzoekers zus die met dezelfde beslissing ongegrond wordt verklaard.
Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “onmogelijk op deugdelijke wijze de wettigheidscontrole [kon]
uitoefenen”, noch dat het arrest “niet naar recht is verantwoord in het licht van de artikelen 2
en 3 EVRM juncto 13 EVRM”. Het eerste en het tweede middel zijn kennelijk ongegrond.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 200 euro.
XIV-37.494-2/3
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf september tweeduizend zeventien, door:
Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Carlo Adams
XIV-37.494-3/3
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.545