Cassation appeal dismissed for inadmissibility due to lack of new grounds and procedural errors.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the cassation appeal inadmissible and dismissed the request, ordering the applicant to bear the costs. The applicant argued violations of asylum and data protection laws but failed to specify how the lower court breached them or present new grounds. The court ruled that the appeal was procedurally flawed because it relied on civil law articles in an administrative context and introduced new arguments not raised before the Refugee Board.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 774 and 1042 of the Judicial Code; Article 20 of the Coordinated Laws on the Council of State: Civil law provisions are inapplicable in administrative cassation proceedings, and appeals with reform power allow the court to substitute its own assessment without prior disclosure of reasons.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 12.458 van 1 juni 2017
in de zaak A. 222.092/XIV-37.405
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Herman De Ponthière kantoor houdend te 8900 Ieper Veemarkt 5
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN
EN DE STAATLOZEN
Het cassatieberoep, ingesteld op 28 april 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 184.590 van 28 maart 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het administratief dossier is op 8 mei 2017 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
1. Verzoeker voert in het eerste middel onder meer de schending aan van de artikelen 48, 48/2, 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’, doch zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen zou hebben geschonden. De artikelen 774 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek hebben betrekking op de burgerlijke rechtspleging en kunnen niet dienstig worden
XIV-37.405-1/3
ingeroepen in een cassatieprocedure tegen een beslissing van een administratief rechtscollege. Het eerste middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
Gelet op de devolutieve werking van het beroep met hervormingsbevoegdheid tegen een beslissing van de commissaris-generaal, vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een eigen beoordeling in de plaats te stellen van de beoordeling in de aanvankelijk bestreden beslissing, gebaseerd op de elementen vervat in het rechtsplegingsdossier. Het recht van verdediging houdt daarenboven niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op voorhand de motieven van zijn arrest moet meedelen. Het eerste middel is in die mate kennelijk ongegrond.
2. In het tweede middel voert verzoeker onder meer de schending aan van de artikelen 8 en 10 van het EVRM en van de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8 van de wet van 8 december 1992 ‘tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens’ omdat de commissaris-generaal refereert naar informatie op zijn Facebook-profiel. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen middel in die zin aangevoerd zodat het een nieuw middel betreft dat niet voor het eerst kan worden aangevoerd in de graad van administratieve cassatie. Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk en verzoekers kritiek dat “het Arrest op dit punt niet naar behoren werd gemotiveerd” is niet dienstig.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 200 euro.
XIV-37.405-2/3
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op een juni tweeduizend zeventien, door:
Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Carlo Adams
XIV-37.405-3/3
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.458