Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.403 ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.403 Généré par l'IA

Cassation appeal dismissed as inadmissible because the applicant failed to substantiate new evidence with a credible, coherent, and plausible explanation.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.403
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Irrecevable (Inadmissible)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State declared the cassation appeal inadmissible, dismissing the applicant's request to overturn the Refugee Board's decision. The Refugee Board rejected new documents submitted by the applicant because they lacked evidentiary value without supporting a credible, coherent, and plausible narrative, noting the applicant had previously failed to establish credibility. The court upheld this ruling, finding the applicant merely repeated theoretical arguments without addressing the specific grounds for rejection during the hearing.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 7 to 11 of the Royal Decree of 30 November 2006; The cassation appeal is inadmissible if the applicant fails to substantiate new evidence with a credible, coherent, and plausible explanation, thereby failing to meet the threshold for admissibility under administrative cassation law.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative cassation inadmissible appeal evidentiary value credible explanation refugee status new evidence coherent narrative

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 20 of the coordinated laws on the Council of State
Articles 7 to 11 of the Royal Decree of 30 November 2006
Title VI, Chapter II of the Council of State laws

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID

IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE

nr. 12.403 van 24 april 2017

in de zaak A. 221.785/XIV-37.366

In zake : XXXXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kathleen Dassen kantoor houdend te 2070 Burcht Pastoor Coplaan 241

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN

EN DE STAATLOZEN

Het cassatieberoep, ingesteld op 27 maart 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 182.593 van 21 februari 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Het administratief dossier is op 31 maart 2017 aangekomen ter griffie.

Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in de beschikking genomen in toepassing van artikel 39/73, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ betreffende de nieuwe elementen die verzoeker had aangebracht naar

XIV-37.366-1/3

aanleiding van zijn tweede asielaanvraag dat aan de voorgelegde documenten slechts bewijswaarde kan worden toegekend wanneer ze worden voorgelegd ter ondersteuning van geloofwaardige, coherente en plausibele verklaringen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er daarbij op dat verzoekers asielrelaas reeds in het kader van zijn eerste asielaanvraag ongeloofwaardig werd bevonden en hij er te dezen in volhardt.

Om die reden, samen met de concrete vaststellingen van de commissaris-generaal betreffende de authenticiteit van die stukken “welke niet worden ontkracht of weerlegd”, besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de beschikking dat aan de neergelegde documenten geen bewijswaarde worden gehecht. In die beschikking stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tevens vast dat verzoeker “in wezen niet verder komt dan het uiteenzetten van theoretische beschouwingen, het formuleren van algemene beweringen en kritiek, het poneren van een vrees voor vervolging, en het op algemene wijze tegenspreken van de gevolgtrekkingen van de commissaris-generaal”. Hieruit blijkt genoegzaam dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de grieven die verzoeker in zijn verzoekschrift had ontwikkeld in de beschikking heeft beoordeeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht in het bestreden arrest dan ook op wettige wijze te besluiten dat verzoeker, door ter terechtzitting slechts te verwijzen naar zijn verzoekschrift en zonder daadwerkelijk opmerkingen bij de beschikking van 22 december 2016 te formuleren, de in de beschikking opgenomen grond tot verwerping niet betwist. Het enige middel is kennelijk ongegrond.

BESLUIT:

1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 200 euro.

XIV-37.366-2/3

Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vierentwintig april tweeduizend zeventien, door:

Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Carlo Adams

XIV-37.366-3/3

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.403