Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.348 ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.348 Généré par l'IA

Belgian asylum appeal dismissed for inadmissibility due to non-compliant summary of grounds and Article 6 ECHR inapplicability.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.348
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Irrecevable (Inadmissible)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State declared the administrative cassation appeal inadmissible, ruling that Article 6 of the ECHR does not apply to asylum-related border and residence disputes. The applicant's summary of grounds merely repeated the initial petition without providing a genuine reply to the opposing party's arguments, violating statutory requirements. The court held that this procedural requirement serves the legislative goal of efficient case handling and does not disproportionately restrict the right to an effective remedy.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 6 of the ECHR; Article 13 of the ECHR; Article 39/81, paragraph 5 of the Aliens Act; Article 6 of the ECHR is not applicable to disputes concerning access to territory, residence, or removal of foreigners; the requirement for a summary of grounds in cassation proceedings does not constitute an excessive formality restricting the right to an effective remedy.

Mots-clés

Généré par l'IA
asylum appeal inadmissibility summary of grounds requirement Article 6 ECHR inapplicability administrative cassation procedure effective remedy limitation

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 6 of the ECHR
Article 13 of the ECHR
Article 39/81, paragraph 5 of the Aliens Act

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Miessen v. Belgium (no. 30000/96)
ECHR, no. 30000/96

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID

IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE

nr. 12.348 van 14 maart 2017

in de zaak A. 221.418/XIV-37.314

In zake : XXXXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

Het cassatieberoep, ingesteld op 7 februari 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 180.659 van 12 januari 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Het administratief dossier is op 14 februari 2017 aangekomen ter griffie.

Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

1. Artikel 6 van het EVRM is, zoals herhaaldelijk bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, niet van toepassing op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.

XIV-37.314-1/4

2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast dat verzoeker in zijn synthesememorie “integraal de middelen zoals uiteengezet in het inleidende verzoekschrift [herneemt]”, dat “[d]ergelijke herneming […] niet als een samenvatting van de middelen [kan] worden beschouwd” en dat de “[t]oevoeging van een bespreking van een eerder gewezen arrest […] in casu evenmin als een samenvatting [kan]

worden beschouwd” zodat het beroep bij gebrek aan een wetsconforme synthesememorie onontvankelijk is.

Te dezen blijkt uit het rechtsplegingsdossier dat verzoeker in zijn synthesememorie inderdaad de middelen zoals uiteengezet in het verzoekschrift heeft hernomen met daarbij de volgende toevoeging:

“Ten onrechte wordt hiermee in het arrest van 31 juli 2016 geen rekening gehouden (nr. 172.728).

In dit arrest wordt bovendien wel op een concrete manier een belangenafweging uitgevoerd, doch door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf en niet door de verwerende partij. Het komt evenwel niet aan de Raad toe als annulatierechter om zich in de plaats te stellen van de verwerende partij.

Het kwam aan de verwerende partij toe deze belangenafweging te maken op basis van de concrete omstandigheden, hetgeen werd nagelaten.”

Verzoeker betoogt dat hij daarmee “in zijn synthesememorie een werkelijke repliek heeft voorzien”. Het komt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe in de plaats van de feitenrechter te oordelen of een bepaalde memorie, waarin de middelen integraal worden herhaald, voldoende is aangevuld om als een werkelijke repliek op de nota met opmerkingen te worden beschouwd. Hij kan desgevraagd, zoals te dezen het geval is, wel nagaan of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 39/81, zesde lid, van de vreemdelingenwet heeft geschonden door toepassing van deze bepaling te maken zonder te onderzoeken of de toevoeging in verzoekers als synthesememorie ingediende akte al dan niet een werkelijke repliek vormt. Te dezen heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zulks onderzocht en geoordeeld dat de toevoeging, die slechts bestaat uit de verwijzing naar een eerder arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, geen werkelijke repliek of samenvatting vormt. In het bestreden arrest is dan ook niet op onwettige wijze besloten dat de synthesememorie niet wetsconform is.

XIV-37.314-2/4

Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.

3. In tegenstelling tot wat verzoeker in het tweede middelonderdeel aanvoert, wordt in het bestreden arrest niet het ontbreken van het vereiste belang vastgesteld maar wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard bij gebrek aan een wetsconforme synthesememorie. De kritiek van verzoeker mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.

4. De vereiste van een samenvatting van de middelen als bedoeld in artikel 39/81, vijfde lid, van de vreemdelingenwet vormt geen ongeoorloofde beperking van het recht op een effectief rechtsmiddel of van het recht op een effectief hoger beroep voor een nationale instantie, als bedoeld in artikel 13 van het EVRM.

Het doel van de bewuste nationale regelgeving is een snelle en efficiënte afhandeling van de annulatieberoepen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Daardoor wordt de toegang voor verzoeker tot de rechter niet disproportioneel verminderd. Verzoekers hebben immers de keuze tussen het afzien van de mogelijkheid om een synthesememorie in te dienen, waardoor uitspraak zal worden gedaan over hun middelen zoals uiteengezet in hun verzoekschrift tot nietigverklaring, of het gebruikmaken van de mogelijkheid om een synthesememorie in te dienen, waarbij zij echter aan de voorwaarde van het samenvatten van de middelen dienen te voldoen. In het licht van de keuzemogelijkheid waarover verzoeker dus beschikte en de doelstellingen van de wetgever, kan deze laatste voorwaarde niet als een overdreven formaliteit worden beschouwd. De verwijzing naar het arrest van 18 oktober 2016 van het EHRM, Miessen t.

België, is te dezen niet dienstig nu dit geen betrekking heeft op de in het geding zijnde bepalingen.

Het derde onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.

XIV-37.314-3/4

BESLUIT:

1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 200 euro.

Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op veertien maart tweeduizend zeventien, door:

Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Carlo Adams

XIV-37.314-4/4

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ORD.12.348