Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.320 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.320 Généré par l'IA

Belgian court dismisses urgent injunction request against school board regarding student exam grading.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.320
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request for an urgent injunction to suspend the school board's decision to deny a C-level orientation certificate. The court found that the applicant failed to meet the strict requirement of 'extreme urgency' and did not seriously challenge the school's assessment of her exam performance. Consequently, the application was dismissed, and the applicant was ordered to pay the opposing party's legal costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Code of Justice on Administrative Litigation; An injunction request fails if the applicant does not demonstrate extreme urgency and fails to seriously challenge the contested decision.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent injunction extreme urgency school administration exam grading administrative litigation orientation certificate legal costs besoin d'une formation scolaire spéciale

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Code of Justice on Administrative Litigation
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 240.320 van 27 december 2017

in de zaak A. 223.972/IX-9197

In zake: XXXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VZW SCHOOLBESTUUR DE PLEINSCHOOL &

SINT-AMANDSCOLLEGE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Dewaele kantoor houdend te 8500 Kortrijk Groeningestraat 33

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 13 december 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Guldensporencollege te Kortrijk van 7 december 2017 om “onder de ontbindende voorwaarde dat de vordering tot nietigverklaring in de zaak A.223.407/IX-9146 wordt verworpen en bij wijze van voorlopige maatregel” aan XXXX een oriënteringsattest C toe te kennen voor het eerste leerjaar van de derde graad.

Voorts strekt de vordering ertoe om aan de verwerende partij voorlopige maatregelen op te leggen, onder verbeurte van een dwangsom.

IX-9197-1/26

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 december 2017, om 10.00 uur.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoe-

kende partij en advocaat Nele Vroman, die loco advocaat Pieter Dewaele ver-

schijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Tijdens het schooljaar 2016-2017 is verzoekster ingeschreven in het eerste jaar van de derde graad wetenschappen-wiskunde aan het Guldenspo-

rencollege te Kortrijk.

De delibererende klassenraad beslist om verzoekster een oriën-

teringsattest C toe te kennen.

3.2. Overleg leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassen-

raad, waarna op 5 juli 2017 beroep volgt bij het schoolbestuur.

IX-9197-2/26

3.3. De beroepscommissie neemt op 17 augustus 2017 een beslissing waarbij zij beslist “dat het beroep ontvankelijk is” en waarbij zij het evaluatiere-

sultaat bevestigt.

Bij arrest nr. 238.983 van 30 augustus 2017 verwerpt de Raad van State een op 22 augustus 2017 ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de evaluatiebeslissing van 17 augustus 2017. De Raad oordeelt dat niet is voldaan aan de schorsings-

voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid.

Bij arrest nr. 239.033 van 7 september 2017 verwerpt de Raad van State een tweede, op 30 augustus 2017 ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van dezelfde evalua-

tiebeslissing. De Raad stelt vast dat een middel, ontleend aan de schending van de formelemotiveringsplicht, ernstig is maar overweegt dat hij, “gelet op het bepaalde in artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, niet anders kan dan de huidige vordering afwijzen wegens ontbreken van nieuwe elementen die de spoedeisendheid rechtvaardigen”.

3.4. Op 14 september 2017 beslist de beroepscommissie om haar op 17 augustus 2017 met betrekking tot verzoekster genomen beslissing in te trekken.

Zij beslist voorts “het beroep, ingesteld op 5 juli 2017 […] onontvankelijk te ver-

klaren”, in essentie omdat het georganiseerd administratief beroep niet voldoet “aan de vereiste van gezamenlijke vertegenwoordiging […] door de beide ouders gezamenlijk”.

Bij arrest nr. 239.307 van 5 oktober 2017 beveelt de Raad van State de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van 14 september 2017. De Raad van State overweegt onder meer dat één ouder alleen als betrokken persoon het recht van overleg vermag te doen gelden of de beroepscommissie te adiëren.

IX-9197-3/26

De verwerende partij verzoekt vervolgens om de voortzetting van deze procedure met het oog op een beoordeling ten gronde. Zij heeft onder-

tussen ook een memorie van antwoord ingediend.

3.5. Bij arrest nr. 240.068 van 4 december 2017 beveelt de Raad van State dat de beroepscommissie van het Guldensporencollege te Kortrijk onverwijld samenkomt om haar beslissing over het beroep van verzoekster te heroverwegen, in aanmerking nemend het in arrest nr. 239.307 van 5 oktober 2017 ernstig be-

vonden middel.

3.6. Op 7 december 2017 beslist de beroepscommissie om “onder de ontbindende voorwaarde dat de vordering tot nietigverklaring in de zaak A.223.407/IX-9146 wordt verworpen en bij wijze van voorlopige maatregel” aan verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen voor het eerste leerjaar van de derde graad.

Hiertoe overweegt de beroepscommissie het volgende:

“Overwegende dat de delibererende klassenraad van het tweede leerjaar van de tweede graad (4de middelbaar) in schooljaar 2015-2016 tot de vast-

stelling is gekomen dat [X.] een ‘harde werker’ is, maar ‘inzichtelijk zwakker’.

Overwegende dat de delibererende klassenraad van het tweede leerjaar van de tweede graad (4de middelbaar) in schooljaar 2015-2016 aan [X.] heeft aangegeven dat het volgen van wiskunde wetenschappen een moeilijke opdracht wordt en het advies heeft gegeven om de richting humane we-

tenschappen te volgen.

Overwegende dat de klassenraad met het kerstrapport in 2016-2617 het advies om de richting humane wetenschappen te volgen, heeft herhaald.

Overwegende dat [X.] in het eerste semester van schooljaar 2016-2017 in totaal 58 % behaalde en in het tweede semester in totaal 56 %.

Overwegende dat [X.] in het schooljaar 2016-2017 de volgende jaarresul-

taten behaalde:

- Nederlands: 60%;

- Frans: 59%;

- Engels: 43%;

- wiskunde: 48%;

- godsdienst: 55%;

- geschiedenis: 66%;

- aardrijkskunde: 54%;

IX-9197-4/26

- biologie: 62%;

- chemie: 54%;

- fysica: 56%;

- esthetica: 64%;

- lichamelijke opvoeding: 77%;

- extra Duits: 59%.

Overwegende dat de delibererende klassenraad op 30 juni 2017 beslist heeft om aan [X.] een oriënteringsattest C toe te kennen.

Overwegende dat de ouders van [X.] op 30 juni 2017 een overleg gehad hebben met de directeur in aanwezigheid van de leerkracht wiskunde en de leerlingenbegeleider.

Overwegende dat de directeur na het gesprek op 30 juni 2017 beslist heeft om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen en dat de directeur deze beslissing op 3 juli 2017 schriftelijk aan de ouders heeft meegedeeld.

Overwegende dat [de] vader van [X.], per brief van 3 juli 2017 aan de di-

rectie gevraagd heeft om de delibererende klassenraad bijeen te roepen.

Overwegende dat de directeur per brief van 6 juli 2017 heeft meegedeeld dat de delibererende klassenraad niet opnieuw wordt bijeengeroepen.

Overwegende dat [de] vader van [X.], op 5 juli 2017 beroep heeft aange-

tekend tegen de beslissing van de delibererende klassenraad om een ori-

ënteringsattest C uit te reiken en tegen de beslissing van de directeur om de delibererende klassenraad niet opnieuw bijeen te roepen.

Overwegende dat de beroepscommissie op 17 augustus 2017 het evalua-

tieresultaat van de delibererende klassenraad van 30 juni 2017 heeft be-

vestigd en een C-attest heeft afgeleverd.

Overwegende dat tegen deze beslissing op 22 augustus 2017 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingesteld bij de Raad van State. Dat deze vordering door de Raad van State wordt ver-

worpen bij arrest nr. 238.983 van 30 augustus 2017.

Overwegende dat tegen deze beslissing op 30 augustus 2017 een tweede vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt inge-

steld bij de Raad van State. Dat deze vordering door de Raad van State wordt verworpen bij arrest nr. 239.033 van 7 september 2017.

Overwegende dat Mr. Bart Staelens per brief van 8 september 2017 heeft meegedeeld dat de beslissing van 17 augustus 2017 niet rechtmatig is en heeft aangemaand om deze beslissing in te trekken bij gebreke waarvan een verzoekschrift tot nietigverklaring zal worden neergelegd.

Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 239.033 van 7 sep-

tember 2017 inderdaad tot de vaststelling is gekomen dat het middel dat is ontleend aan de schending van de formele motiveringsplicht ernstig is.

Overwegende dat de beroepscommissie op 14 september 2017 beslist heeft om:

1) de beslissing van de beroepscommissie van 17 augustus 2017 met be-

trekking tot het afleveren van een C-attest aan [X.] in te trekken;

2) het beroep, ingesteld op 5 juli 2017 […] onontvankelijk te verklaren.

IX-9197-5/26

Overwegende dat tegen deze nieuwe beslissing op 29 september 2017 op-

nieuw een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingesteld bij de Raad van State. Dat de Raad van State bij arrest nr.

239.307 van 5 oktober 2017 de schorsing heeft bevolen van de tenuit-

voerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van 14 september 2017.

Overwegende dat vzw Schoolbestuur De Pleinschool & Sint-Amands-

college op 27 oktober 2017 een vordering tot voortzetting van de procedure (omtrent de vordering tot nietigverklaring) heeft neergelegd en op 27 no-

vember 2017 een memorie van antwoord heeft ingediend.

Overwegende dat [X.], vertegenwoordigd door haar ouders, op 29 november 2017 een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijk-

heid tot het opleggen van voorlopige maatregelen heeft ingediend. Dat de Raad van State in haar arrest 240.068 van 4 december 2017 hierover de volgende beslissing heeft genomen:

‘1. De Raad van State beveelt dat de beroepscommissie van het Gulden-

sporencollege te Kortrijk na de kennisgeving van dit arrest onverwijld samenkomt om haar beslissing over het beroep van [X.] te heroverwegen in aanmerking nemend het in arrest nr. 239.307 van 5 oktober 2017 ernstig bevonden middel, dat de verzoekende partij en haar raadsman van het re-

sultaat van deze beraadslaging uiterlijk op 11 december 2017 om 17.00 uur per e-mail of telefonisch op de hoogte worden gebracht en dat de nieuwe beslissing van de beroepscommissie aan de verzoekende partij en aan haar raadsman ter kennis wordt gebracht bij aangetekend schrijven en per e-mail uiterlijk één dag later.

2. Een dwangsom van duizend euro zal verschuldigd zijn per begonnen dag dat de hiervóór, onder punt 1, opgelegde voorlopige maatregelen niet zijn nageleefd.’ Dat de beroepscommissie op 7 december 2017 is samengekomen om haar beslissing van 14 september 2017 te heroverwegen, rekening houdend met het gezag van gewijsde van het arrest nr. 239.307 van de Raad van State van 5 oktober 2017.

Overwegende dat de Raad van State in zijn arrest nr. 240.068 van 4 de-

cember 2017 overweegt dat de beroepscommissie (1) ofwel haar beslissing van 14 september 2017 kan intrekken, het beroep ontvankelijk kan ver-

klaren en vervolgens ten gronde op het beroep kan antwoorden, (2) ofwel het beroep voorwaardelijk ontvankelijk kan verklaren, onder ontbindende voorwaarde dat het beroep in de zaak A.223.407/IX-9146 wordt verworpen en vervolgens, eveneens voorwaardelijk, het beroep ten gronde kan on-

derzoeken.

Overwegende dat de beroepscommissie kennis neemt van de memorie van antwoord van de raadsman van vzw Schoolbestuur De Pleinschool & Sint-

Amandscollege van 27 november 2017.

Dat de beroepscommissie van oordeel is dat de uitgewerkte argumentatie in de memorie van antwoord haar ernstig lijkt en dat zij besluit om haar be-

slissing van 14 september 2017, waarvan de tenuitvoerlegging is geschorst, niet in te trekken. De beroepscommissie neemt wel een voorwaardelijke

IX-9197-6/26

beslissing met een ontbindende voorwaarde. De ontbindende voorwaarde heeft tot gevolg dat, als de vordering tot nietigverklaring in de zaak A.223.407/lX-9146 wordt verworpen, de huidige beslissing wordt ont-

bonden.

Overwegende dat de Raad van State in zijn arrest nr. 239.307 van 5 oktober 2017 prima facie heeft overwogen dat één ouder alleen als betrokken per-

soon het recht van overleg mag doen gelden of de beroepscommissie mag adiëren; dat de Raad van State aldus van oordeel is dat het beroep onterecht onontvankelijk werd verklaard in de beslissing van 14 september 2017.

Dat de beroepscommissie daarom beslist om het beroep, ingesteld op 5 juli 2017, onder de hierboven beschreven ontbindende voorwaarde, ontvanke-

lijk te verklaren.

Dat de beroepscommissie, onder bovenstaande ontbindende voorwaarde, de zaak vervolgens ten gronde beoordeelt.

Overwegende dat de resultaten van [X.] in het eerste semester 6 % onder het klasgemiddelde zaten (58 % ten opzichte van 64 %) en in het tweede semester 11 % onder het klasgemiddelde (56 % ten opzichte van 67 %).

Dat hieruit blijkt dat de resultaten van [X.] – ten opzichte van het gemid-

delde van de klasgroep – een negatieve evolutie kenden tijdens het schooljaar 2016-2017.

Overwegende dat het dagelijks werk van [X.] als volgt geëvolueerd is van het eerste ten opzichte van het tweede semester:

Nederlands gedaald met 1,67 % 42/60 -> 41/60

Frans gestegen met 10 % 32/60 -> 38/60

Engels gestegen met 8,33 % 24/60 -> 29/60

Wiskunde gestegen met 5 % 20/40 -> 22/40

Godsdienst gestegen met 17,5 % 20/40 -> 27/40

Geschiedenis gedaald met 30 % 34/40 -> 22/40

Aardrijkskunde gelijk 26/40 -> 26/40

Biologie gedaald met 5 % 28/40 -> 26/40

Chemie gestegen met 7,5 % 22/40 -> 25/40

Fysica gedaald met 10 % 27/40 -> 23/40

Voor dagelijks werk wordt voor vijf van de tien vakken een verbetering in de resultaten vastgesteld. Ondanks deze verbetering is er voor Engels nog steeds een onvoldoende.

Overwegende dat de proefwerken van [X.] als volgt geëvolueerd zijn van het eerste ten opzichte van het tweede semester,

Nederlands gedaald met 12,5 % 22/40 -> 17/40

Frans gedaald met 17,5 % 28/40 -> 21/40

Engels gedaald met 2,5 % 17/40 -> 16/40

Wiskunde gedaald met 23,33 % 35/60 -> 21/60

Godsdienst gedaald met 3,33 % 32/60 -> 30/60

Geschiedenis gestegen met 25 % 30/60 -> 45/60

Aardrijkskunde gedaald met 11,67 % 32/60 -> 25/60

IX-9197-7/26

Biologie gestegen met 26,67 % 26/60 -> 42/60

Chemie gedaald met 8,33 % 33/60 -> 28/60

Fysica gedaald met 3,33 % 33/60 -> 31/60

Dat de resultaten van de proefwerken van [X.] in het tweede semester, op twee vakken na, zijn verslechterd.

Dat [X.] in het eerste semester een tekort had voor Engels en biologie (2 vakken) en in het tweede semester een tekort voor Nederlands, Engels, wiskunde, aardrijkskunde en chemie (5 vakken).

Dat de relatieve verbetering van het dagelijks werk aantoont dat [X.] een harde werker is, maar dat de proefwerkresultaten aantonen dat zij er in de gekozen richting niet in slaagt om grotere pakken leerstof ineens voldoende te verwerken en de leerstof te beheersen.

Overwegende dat [X.] een jaartotaal behaalde voor Engels van 43 % en dat er in het tweede semester (45%), ondanks een stijging ten opzichte van het semester (41 % ) nog steeds een tekort van 5% werd vastgesteld, Overwegende dat werd vastgesteld dat [X.] de volgende leerplandoelstel-

lingen van Engels niet heeft behaald (linkerkolom is het leerplannummer en rechterkolom geeft de niet behaalde doelstelling):

Lu 2 de hoofdgedachte achterhalen in een beluisterde tekst (ET 2)

Lu 3 de gedachtegang volgen van een beluisterde tekst (ET 3)

Lu 4 relevante informatie selecteren in een beluisterde tekst (ET 4)

Lu 5 cultuuruitingen herkennen en opzoeken specifiek voor de Engelsta-

lige wereld (ET 5)

Lu 9 De leerlingen kunnen bij het luisteren en het uitvoeren van luister-

taken hun functionele taalkennis inzetten en uitbreiden (ET 42, ET

43).

De functionele taalkennis heeft betrekking op:

de vorm, de betekenis en het gebruik van woorden en grammaticale structuren;

de uitspraak, het spreekritme en de intonatiepatronen.

De leerlingen kunnen reflecteren over taal en taalgebruik binnen de vermelde taalgebruikssituaties en daarbij hun functionele kennis ter ondersteuning van hun taalbeheersing uitbreiden door naar aanlei-

ding van zinvolle communicatieve situaties en taaltaken (ET 43):

reeds in de klas behandelde vormen en structuren te herkennen en ontleden;

door te observeren hoe vormen en structuren functioneren, onder begeleiding regels te ontdekken en formuleren;

Lu10 De leerlingen kunnen bij het beluisteren van teksten de in de context best passende strategieën gebruiken om hun luisterdoel te bereiken.

Ze worden daarbij steeds zelfstandiger en tonen initiatief (ET 8}.

Ze kunnen:

het luisterdoel bepalen en hun taalgedrag erop afstemmen;

gebruikmaken van talige en niet-talige ondersteunende gegevens binnen en buiten de tekst;

hypothesen formuleren over de inhoud en de bedoeling van de tekst;

de vermoedelijke betekenis van transparante woorden afleiden;

IX-9197-8/26

de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context;

Le 1 het onderwerp bepalen in een tekst (ET 9)

Le 2 de hoofdgedachte achterhalen in een tekst (ET 10)

Le 3 de gedachtegang volgen van (ET 11)

Le 4 relevante informatie selecteren in (ET 12)

Le 5 de tekststructuur en -samenhang herkennen; structurerende ele-

menten in een tekst herkennen (ET 13)

Le 9 Bij het lezen van teksten hun functionele taalkennis inzetten en uit-

breiden (ET 42). Dit betekent dat de leerlingen hun taalkennis kunnen inzetten om:

- nieuwe boodschappen en teksten te begrijpen;

- onder begeleiding nieuwe taalkennis te kunnen opdoen als een leestekst als uitgangspunt voor taalstudie gebruikt wordt.

Reflecteren over taal en taalgebruik (ET 43). De leerlingen kunnen reflecteren over taal en taalgebruik binnen de vermelde taalge-

bruikssituaties en daarbij hun functionele kennis ter ondersteuning van hun taalbeheersing uitbreiden door:

- naar aanleiding van zinvolle communicatieve situaties en taaltaken reeds in de klas behandelde vormen en structuren te herkennen en ontleden;

Sch 1 gelezen teksten globaal weergeven (ET 30).

Sch 5 beluisterde en gelezen informatieve en narratieve teksten samen-

vatten (ET35)

Sch 6 gelezen argumentatieve teksten samenvatten (ET36)

Sch 11 Bij schrijftaken alledaagse uitdrukkingen en elementaire routines in het Engels gebruiken (ET 33).

Sch 12 Bij schrijftaken functionele kennis (taalhandelingen, woordenschat en grammatica) inzetten en uitbreiden (ET 42-43).

De functionele taalkennis heeft betrekking op de vorm, de betekenis en het gebruik van woorden en grammaticale structuren en op de correcte spelling.

Dit betekent dat de leerlingen, naar aanleiding van zinvolle com-

municatieve situaties en schrijftaken, - reeds in de klas behandelde vormen en structuren kunnen gebrui-

ken;

- door te observeren hoe vormen en structuren functioneren, onder begeleiding, regels kunnen ontdekken en formuleren;

- gelijkenissen en verschillen tussen talen kunnen ontdekken en hun kennis van andere talen inzetten.

IX-9197-9/26

Gra 1 De leerlingen kunnen hun grammaticale kennis inzetten voor het uitvoeren van de communicatieve taken: luisteren, lezen, spreken, gesprekken voeren en schrijven.

Dit betekent dat zij in zinvolle communicatieve contexten:

- een praktische kennis hebben van de relevante grammaticale be-

grippen;

- de basisregels in verband met de vorming en het gebruik van be-

langrijke aspecten van grammatica kunnen toepassen; de relevante Engelse zinsstructuren herkennen, navolgen en toepassen; in teksten opmerken welke vormen uitzonderingen zijn op de gekende regels (ET 42,43, 46*).

Wo 1 De leerlingen kunnen lexicale elementen (woorden, woordcombi-

naties en uitdrukkingen) functioneel d.w.z. gepast inzetten om de voor hen relevante receptieve taaltaken (luisteren en lezen) zo cor-

rect mogelijk uit te voeren.

De leerlingen kunnen lexicale elementen (woorden, woordcombi-

Wo 2 naties en uitdrukkingen) functioneel d.w.z. gepast inzetten om de voor hen relevante productieve taaltaken (spreken, gesprekken voeren en schrijven) uit te voeren.

Dit betekent dat de leerlingen de woorden, woordcombinaties, uit-

drukkingen en structuren leren gebruiken:

-in gebruikelijke contexten, -via betekenisvolle taaltaken.

Wo 3 De leerlingen kunnen bij het uitvoeren van taaltaken hun functionele taalkennis inzetten en uitbreiden. Ze kunnen hierbij reflecteren over taal en taalgebruik (ET 43). Dit betekent dat de leerlingen:

- reeds in de klas behandelde vormen en structuren kunnen herken-

nen en ontleden, onder meer naar aanleiding van nieuwe teksten;

- onder begeleiding regels kunnen ontdekken en formuleren door te observeren hoe vormen en structuren functioneren;

Overwegende dat [X.] een jaartotaal behaalde voor wiskunde van 48 % en dat de resultaten van het eerste semester (55%) aanzienlijk verslechterden in het tweede semester (43 %).

Overwegende dat werd vastgesteld dat [X.] de volgende leerplandoelstel-

ling van wiskunde niet heeft behaald:

AN1 Een definitie formuleren voor begrippen uit de analyse en de sa-

menhang met hun gebruik in toepassingen aangeven.

AN2 Met behulp van de beschikbare analysekennis problemen wiskundig modelleren en oplossen.

AN3 Bij het oplossen van vergelijkingen of ongelijkheden, het omvormen van functievoorschriften, het berekenen van afgeleiden of integralen op een verantwoorde wijze gebruik maken van rekenregels, formu-

les en manuele rekentechnieken.

AU3 Irrationale vergelijkingen oplossen die gevormd worden door een som van een eerstegraadsvorrn en een elementaire irrationale vorm.

AN15 Bij grafieken van functies van de vorm f(x) ? b.a en f(x) ? “(log(x) het

IX-9197-10/26

voorschrift bepalen.

AN16 Basiseigenschappen van logaritmen bewijzen.

AN18 Vergelijkingen en ongelijkheden vanuit exponentiële en logaritmi-

sche functies oplossen.

AN22 Domein, bereik, periodiciteit, stijgen/dalen, extrema van de functies f(x) = sin x, f(x) = cos x en f(x) = tan x aflezen van de grafieken en beschrijven.

AN26 Vergelijkingen van de vorm a.sin(b(x+c) )+ d = e oplossen ≤ AN27 Ongelijkheden van de vorm a.sin(b(x+c))+d e of ≥e oplossen AN29 Som- en verschilformules, verdubbelingsformules en formules van Simpson gebruiken om goniometrische uitdrukkingen te vereen-

voudigen, vergelijkingen op te lossen en eenvoudige identiteiten te bewijzen.

AN32 Het begrip afgeleide herkennen in situaties binnen en buiten de wiskunde.

AN35 Het verloop van een functie onderzoeken, in het bijzonder voor veeltermfuncties en rationale, irrationale, goniometrische, expo-

nentiële en logaritmische functies, met beperking van de moeilijk-

heidsgraad.

AN36 De formule voor de afgeleide van enkele basisfuncties bewijzen.

AN37 Limieten van functies bepalen en het asymptotisch gedrag van een functie onderzoeken.

AL10 Binnen een probleem bewerkingen met matrices uitvoeren:

- matrices optellen en aftrekken, - een matrix met een getal vermenigvuldigen, - een matrix transponeren, - matrices vermenigvuldigen, - machten van matrices berekenen.

AL11 Eigenschappen van de bewerkingen van matrices formuleren en gebruiken bij het rekenen met matrices.

AL13 De methode van het rijherleiden verklaren en gebruiken voor het oplossen van m x n -stelsels van de eerste graad.

AL14 Vraagstukken oplossen die te herleiden zijn tot het oplossen van een m x n -stelsel van de eerste graad.

AL15 Een m x n stelsel met één parameter bespreken EW1 Een determinant behorend bij een vierkante matrix definiëren en gebruiken in meetkundige toepassingen.

D11 De convergentie of divergentie van een rij met voorbeelden illu-

streren.

D12 Limieten van eenvoudige rijen bepalen.

Overwegende dat er remediëring geweest is voor Engels onder de vorm van een remediëringstoets in het begin van het tweede semester en dat er een aanbod van remediëring en studieopvolging is geweest.

Overwegende dat de beroepscommissie een discretionaire beoordelings-

bevoegdheid heeft om te beoordelen of [X.] het jaar met vrucht heeft be-

ëindigd.

Dat op grond van bovenstaande feitelijke elementen wordt vastgesteld dat [X.] niet voldoende kennis en vaardigheden heeft verworven om te slagen

IX-9197-11/26

in het eerste jaar van de derde graad in de richting wetenschappen – wis-

kunde.

Overwegende dat de argumenten uit het beroepschrift, als volgt kunnen worden samengevat:

• een C-attest is een verregaande, radicale en onredelijke beslis-

sing in de gegeven omstandigheden:

o het ganse schooljaar waren er geen tekorten, voor geen enkel vak, behoudens voor Engels, o in het tweede semester hield [X.] mooi stand en ging ze voor bepaalde vakken (ook voor Engels) vooruit, vóór de ju-

ni-examens had [X.] met geen enkel tekort, o er is op geen enkel moment extra taken of opvolging of remediëring geweest, o tijdens het examen wiskunde had [X.] een black-out, de eerste oefening heeft [X.] mooi afgewerkt, vanaf de tweede oe-

fening liep het mis en volgden er blanco bladzijden o bij grote hoeveelheden leerstof, zoals fysica en met hoog inzichtelijk gehalte was [X.] op het juni-examen geslaagd, • [X.] moet de kans krijgen om een bijkomend examen voor wiskunde af te leggen, • de motivatie voor het C-attest van de klassenraad is zeer alge-

meen, niet concreet en is volledig in tegenstrijd met het voorlig-

gende puntenoverzicht.

Overwegende dat de beslissing om een C-attest af te leveren in casu niet onredelijk is, rekening houdend met het geheel van de omstandigheden die hierboven werden aangehaald […]. De feitelijke elementen die in het be-

roepschrift worden aangehaald zijn feitelijk onjuist en vormen een onte-

rechte verbloeming van de werkelijkheid.

Dat op grond van een gezamenlijke beoordeling van het dagelijks werk, de proefwerkresultaten en de leerplandoelstellingen enkel kan worden vast-

gesteld dat het voor [X.] niet mogelijk is om grote stukken leerstof vol-

doende te verwerken en te beheersen, in het bijzonder voor de vakken Engels en wiskunde.

Dat [X.] de black-out op deelexamen 1 van wiskunde (op 14 juni 2017)

tijdens het examen gemeld heeft en de vakleerkracht haar onmiddellijk heeft gerustgesteld en [X.] haar examen heeft afgewerkt. Dat [X.] boven-

dien punten behaald heeft op de vragen 1, 2, 3, 6, 7, 8, 10, 13 en 14 (laatste vraag), zodat zij wel degelijk het ganse examen heeft doorlopen.

Dat [X.] op deelexamen 1 van wiskunde een totaal van 19/65 (omgerekend naar 8,7/30) heeft behaald.

Dat er geen black-out gemeld is op deelexamen 2 van wiskunde (op 19 juni 2017) en dat [X.] ook op dit examen slechts 28/69 (omgerekend naar 12,20/30) behaalde.

Dat deze proefwerken bevestigen dat [X.] onvoldoende inzicht heeft ver-

worven in de leerstof van wiskunde van het tweede semester.

IX-9197-12/26

Dat dit ook al bleek uit de tussentijdse rapporten in het tweede semester van wiskunde waar zij respectievelijk 7,7/10, 3,8/10, 4,3/10, 4,1/10 en 5,2/10

en dus op drie van de vijf tussentijdse proeven ruim onvoldoende scoorde.

Overwegende dat leerlingen geen ‘recht’ op een bijkomende proef kunnen laten gelden. Dat het in het algemeen zo is dat de klassenraden (en be-

roepscommissie) na een volledig schooljaar geacht worden voldoende zicht te hebben op hun leerlingen om een weloverwogen beslissing te nemen.

Dat een bijkomende proef of vakantietaak slechts nuttig kan worden op-

gelegd wanneer de klassenraad of de beroepscommissie niet over alle nodige gegevens beschikt om op een redelijke en zorgvuldige manier een leerling te beoordelen.

Dat de enige reden die wordt aangehaald om een bijkomende proef op te leggen, de beweerde black-out van [X.] tijdens het eerste examenonderdeel wiskunde is.

Dat er van een echte blijvende black-out echter geen sprake is geweest. Dat [X.] haar probleem heeft gemeld tijdens het examen en dat zij, na gerust-

stelling door de vakleerkracht, het volledige examen heeft kunnen afwer-

ken.

Overwegende dat de grief met betrekking tot de remediëring feitelijke grondslag mist aangezien er een effectief aanbod tot remediëring en stu-

dieopvolging is geweest en, met betrekking tot Engels, een remedië-

ringstoets werd gehouden.

Dat, zelfs in het geval dat er een gebrekkige remediëring geweest zou zijn, hetgeen wordt betwist, dat op zich geen afbreuk doet aan de vaststelling dat [X.] op het einde van het jaar onvoldoende kennis en vaardigheden heeft verworven om te slagen.

Dat overigens niet aannemelijk wordt gemaakt dat met een bijkomende opvolging voor wiskunde, [X.] wel geslaagd zou zijn, omdat de leerstof niet alleen studie vergt maar ook inzicht in de leerstof en dat uit de resul-

taten en proefwerken blijkt dat [X.] dit inzicht onvoldoende heeft.

Overwegende dat de raadsman van [X.] op 26 juli 2017 een aanvulling op het eerder ingestelde beroep heeft ingediend.

Dat deze aanvulling laattijdig en derhalve onontvankelijk is.

Dat de daarin aangehaalde grieven bovendien voor het grootste deel aan-

sluiten bij het beroep dat werd ingesteld door de vader van [X.] en dat de beroepscommissie voor haar antwoord daarop verwijst naar wat zij hier-

boven heeft gezegd.

Overwegende dat de raadsman bijkomend argumenteert dat een tekort voor wiskunde (en Engels) niet per se een C-attest kan verantwoorden, omdat er in de richting wetenschappen-wiskunde twee polen zijn en [X.] voor de pool wetenschappen wel slaagcijfers vertoont.

Dat het vak wiskunde in de richting wetenschappen-wiskunde echter een hoofdvak is met 6 lesuren per week (evenveel als biologie, chemie en fy-

sica samen) en dat de resultaten voor dat vak in grote mate bepalend zijn om te beoordelen of de leerling geslaagd is. Dat [X.] in het tweede semester bovendien niet geslaagd was voor de proefwerken van aardrijkskunde en chemie.

IX-9197-13/26

Overwegende dat de raadsman ook argumenteert dat het met vrucht be-

ëindigen van een leerjaar niet meer gebonden is aan het slagen voor af-

zonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming en dat het beoordelen van het al dan niet slagen een globale ap-

preciatie vereist over de vraag of de leerling de leerplandoelstellingen in hun geheel genomen en op voldoende mate heeft bereikt en dat het tekort voor één vak slechts één element is van een dossier.

Dat [X.] evenwel twee jaartekorten heeft, waarvan één voor het hoofdvak wiskunde en dat zij in het tweede semester voor 5 vakken niet slaagde voor het proefwerk.

Dat de beoordeling door de beroepscommissie bovendien niet enkel ge-

baseerd is op grond van de proefwerkresultaten van één vak, maar op grond van een beoordeling van alle resultaten van het volledige schooljaar en alle elementen van het dossier.”

IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-

stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-

zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

V. Uiterst dringende noodzakelijkheid

5. Terecht betwist de verwerende partij niet, dat de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld.

VI. Ernst van het enige middel

Uiteenzetting van het middel

6. Het enige middel is geput uit de “schending van de artikelen 5, § 5, en 57 van het besluit van 19 juli 2002 van de Vlaamse regering betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs [hierna ook: organisatiebesluit];

IX-9197-14/26

schending van de materiële motiveringsplicht; schending van het zorgvuldigheids-

en redelijkheidsbeginsel”.

Het middel wordt vervolgens toegelicht overheen ongeveer vijfentwintig bladzijden, waarbij herhaling en overlap niet vermeden wordt.

Verzoekster levert kritiek op de adviezen die haar werden ge-

geven om over te stappen naar een andere studierichting.

Zij wijst erop dat haar examenresultaten per vak tussen 55% en 64% liggen, behoudens voor wiskunde en Engels.

De evolutie van het klasgemiddelde is volgens verzoekster niet dienstig, omdat zes minder sterke leerlingen de klas hebben verlaten, wat het klasgemiddelde bijgevolg heeft beïnvloed.

Zij onderstreept de forse vooruitgang, bij de meeste vakken, voor de punten dagelijks werk.

De beroepscommissie bekijkt ook de examenresultaten, maar gaat volgens verzoekster volledig voorbij aan de bijzondere omstandigheden van de black-out situatie op het examen wiskunde bij de start van de juni-examens. De commissie concludeert meteen ten onrechte dat dit uitsluitend te wijten is aan een onvermogen om grote pakketten stof te verwerken. Haar resultaten voor fysica en geschiedenis illustreren volgens verzoekster het tegendeel. Verzoekster bespeurt ook een tegenstrijdigheid tussen dit motief en de suggestie, van de directrice, om voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap het diploma in één jaar te behalen. Zij wijst op haar “stabiele 55% voor wiskunde gans het voorbije schooljaar”. Na het voorval van de black-out was het voor verzoekster moeilijk om de examens rustig voort te zetten, wat haar mindere resultaten voor de navolgende examens verklaart. Verzoekster stipt aan dat het examen Engels net de dag nadien moest worden afgelegd en dat zij “het niet met een doktersbriefje [heeft] opgelost”.

IX-9197-15/26

Met het motief dat de resultaten voor wiskunde aanzienlijk ver-

slechterden stelt de beroepscommissie de feiten volledig verkeerd voor. Verzoek-

ster betoogt dat zij negen in plaats van vijf toetsen heeft gehad in het tweede se-

mester en dat zij dus slechts voor drie op negen toetsen een tekort had. Zij kon zich handhaven, want behaalde voor dagelijks werk 55%. De beroepscommissie mis-

kent de reeds genoemde bijzondere omstandigheden van het juni-examen en kan niet zonder meer een plotse verslechtering van de punten voor wiskunde afleiden en meteen stellen dat verzoekster niet zou hebben voldaan aan twee bladzijden lange lijsten van leerdoelstellingen voor wiskunde.

Verzoekster is van mening dat de beroepscommissie de bijzon-

dere omstandigheden van een black-out tijdens het examen wiskunde niet zomaar kan negeren om volgende redenen:

“1. Verzoekster heeft de eerste oefening op het examen volledig tot een goed einde gebracht en pas vanaf de tweede oefening liep het mis. Ze kon de antwoorden op de andere vragen ook totaal niet meer op orde krijgen.

Verzoekster heeft tijdens het examen van wiskunde uiteindelijk aan de toezichthoudende leerkracht gesignaleerd dat zij een probleem had en zich nog moeilijk kon herinneren van wat zij de dag voordien gestudeerd had.

Verzoekster is er niet in geslaagd om zich op het examen te herpakken. Het gaat hier niet om een excuus post factum bij ontvangst van de punten.

2. Verzoekster heeft nog onmiddellijk na het examen gesmeekt of zij het examen stande pede opnieuw mocht proberen aangezien de leerstof haar de dag voordien goed lukte (stuk 7). Iemand die een black-out zou veinzen, zou niet aanbieden/smeken om het examen onmiddellijk opnieuw te mogen doen! Een veinzer zou stil zwijgen.

3. Deze bijzondere omstandigheden werden ook precies meegedeeld per mail nog dezelfde dag aan de directrice met de vraag voor een bijkomend examen of hoe dat kon opgelost worden. Het bestaan van deze omstan-

digheden werden niet betwist.

4. Verzoekster is trouwens steeds blijven aandringen op de kans voor een bijkomend examen ook na ontvangst van het C-attest bij de directie en dit diverse malen en tot na de beroepscommissie op 16/08/2017. Verzoekster heeft nooit gratuit om een A attest gevraagd terwijl ze eigenlijk vindt dat een A attest met verwittiging of vakantietaak gelet op haar stabiele punten van wiskunde gans het voorbije jaar, waar ook geen remediëring voor wiskunde aan te pas kwam (!), gepast zouden zijn. Verzoekster was bereid om een bijkomend examen af te leggen! Alles werd haar geweigerd.

5. Het inroepen van een black-out is trouwens een uniek feit! Gedurende gans haar humaniora heeft zij nooit beroep gedaan op bijzondere omstan-

IX-9197-16/26

digheden. Ze behaalde overigens ook jaar na jaar een A attest en volgde van in het begin de richting wetenschappen.

6. [X.] is een ernstige studente en geen ‘plantrekker’ noch ‘broekveger’ die ‘het kan uitleggen’. Ze is integendeel een ernstige en werkkrachtige stu-

dente wat ook bevestigd wordt in de diverse rapporten. Als [X.] dit pro-

bleem inriep tijdens haar examen, kan dit ernstig genomen worden!

7. Tenslotte is verzoekster ook geen sputterende motor geweest die op het einde van het jaar stilviel, in welk geval een black-out een twijfelachtige verklaring kon zijn voor het slechte resultaat op het juni examen. Nee, verzoekster heeft de vierdes (tweede graad) beëindigd met 70 % voor wiskunde.

In de vijfdes (derde graad) heeft ze gedurende gans het jaar stand gehouden met 55 % tot voor de juni examens. Een haalbare kaart om te slagen! Zo-

maar met deze context besluiten dat de kennis van wiskunde in hoofde van verzoekster onvoldoende is om over te gaan op basis van het examenmo-

ment (terwijl er een melding van een black-out tijdens het examen voorligt)

en deze black-out naast zich neerleggen is onterecht, onredelijk en on-

zorgvuldig.

8. Op het juni examen is er sprake van een spectaculaire inzinking van de punten voor wiskunde (35 %) in vergelijking met haar stabiele punten tijdens gans het schooljaar en tot voor de examens van het tweede semester (55 %). Deze bijzondere omstandigheden die vaststaan (!) kunnen deze plotse inzinking van de punten verklaren.

9. Het wiskunde examen gaf ook een [het] beeld van examen met een black- out. De eerste oefening ging goed en zorgvuldig en bij de andere oefeningen was er soms een aanzet met elementaire rekenfouten of werd de vraag blanco gelaten. Het examen vormde duidelijk geen betrouwbare ba-

sis voor beoordeling.”

Verzoekster meent dat zij een recht op een bijkomend examen kan laten gelden, aangezien een examen gemaakt in deze bijzondere omstandig-

heden geen deugdelijke basis vormt voor beoordeling van een attest. Zelfs al twijfelt de beroepscommissie aan de omstandigheden van een black-out in hoofde van verzoekster, dan nog diende zij verzoekster minstens het voordeel van de twijfel te geven. De beroepscommissie kan zich immers niet beroepen op een onzekere basis van een examen onder twijfelachtige omstandigheden om een ra-

dicaal en ingrijpend C-attest toe te kennen.

Verzoekster betwist dat er ooit sprake geweest is van enige re-

mediëring voor wiskunde. Als de leerkracht wiskunde al van mening zou zijn dat verzoekster weinig inzicht heeft, wat wordt betwist gezien het stabiele puntenbeeld

IX-9197-17/26

en gebrek aan een tekort voor wiskunde heel het schooljaar, dan moest zij dit al langer hebben geweten dan voor het juni-examen en moest zij alles hebben gedaan om een C-attest te vermijden en dus eerst remediëring geven. Zonder remediëring kan niet onmiddellijk een C-attest worden toegekend.

Ten slotte betwist verzoekster dat een nota die op de hoorzitting van de beroepscommissie wordt neergelegd onontvankelijk zou zijn. Geen bepa-

ling verbiedt om ter zitting argumenten uit te werken of aan te vullen. Verzoekster herhaalt dat zij voor de pool wetenschappen geslaagd is. Verzoekster acht het niet juist en niet redelijk noch verantwoord om haar een gans jaar te laten overdoen terwijl zij voor alle wetenschapsvakken geslaagd is en zij geen enkel tekort ver-

toonde voor wiskunde gedurende gans het jaar, behalve tijdens de juni-examens, hetgeen bovendien het gevolg was van een bijzondere omstandigheid.

Op de bladzijden 20 tot 22 van het inleidend verzoekschrift herformuleert verzoekster in wezen dezelfde boodschap: de beroepscommissie dwaalt om uit het voorliggende dossier af te leiden dat zij niet in staat is om grote pakken leerstof te verwerken, waarbij zij vooral en opnieuw de waarde van het klasgemiddelde op de korrel neemt.

Op de bladzijden 22 tot 26 gaat verzoekster in op de vaststel-

lingen van de begeleidende en de delibererende klassenraad van het tweede jaar van de tweede graad en van het eerste jaar van de derde graad, die zij in het ad-

ministratief dossier heeft teruggevonden. Die notuleringen wijzen volgens ver-

zoekster op een tunnelvisie: zij moest en zou naar humane wetenschappen geleid worden, hoewel de commentaren niet stroken met de cijfers.

Vanaf bladzijde 26 van het verzoekschrift komt verzoekster terug op het jaartekort wiskunde. Zij herhaalt alle vorige argumenten. Zij stelt vast dat in casu een A-attest “zeker verantwoordbaar is”. Als de beroepscommissie echter twijfelt of zij de leerplandoelstellingen heeft behaald, “dan is dit het schoolvoorbeeld van een kwestie waar men toepassing diende te maken van een

IX-9197-18/26

bijkomende proef”. De spectaculaire inzinking in punten die niet in lijn ligt met de eerdere resultaten rechtvaardigt deze vraag. Ofwel erkent de commissie dat deze inzinking een invloed heeft gehad en dat deze in het licht van het feit dat er ook veel goede cijfers voorliggen – die minstens even zwaar, om niet te zeggen zwaarder, dienen door te wegen – tot een A-attest kan leiden, ofwel moet zij vaststellen dat zij een zekere twijfel heeft omtrent de representativiteit van de cijfers in het licht van de kennis van de leerling. In dat laatste geval diende een bijkomende proef of alternatieve maatregel opgelegd te worden.

Echter, zo besluit verzoekster:

“Dit bijkomend examen kan naar verzoeksters mening thans 6 maanden later niet meer redelijkerwijze worden opgelegd, noch materialiter noch mentaal.

De school is immers (binnen de Beroepscommissie) reeds gedurende 6

maanden – onbegrijpelijkerwijze – dermate een strijd aan het voeren om haar gelijk te halen voor een C attest dat zij niet meer de vereiste objectieve garanties biedt om nog een examen van [verzoekster] af te nemen. Bo-

vendien is [verzoekster] zelf thans examens aan het voorbereiden voor de Examencommissie en is ze bezig met andere stof in ook andere en ver-

schillende vakken. Tenslotte is het voor [verzoekster] sedert de toekenning van het C attest in juni reeds een heel zware mentale periode geweest en zou het voor haar mentaal nog eens heel zwaar zijn om opnieuw bij deze school het examen wiskunde af te leggen na 6 lange en onzekere maanden.

Verzoekster is van mening dat De Beroepscommissie nu ook zelf verant-

woordelijk dient gesteld te worden voor haar onterechte weigering gedu-

rende 6 maanden (!) om een bijkomend examen toe te staan waar ze dit thans overigens niet meer redelijkerwijze kan opleggen! Zij dient zich naar de mening van verzoekster dan ook te baseren op de resultaten van wis-

kunde van [verzoekster] van vóór het kwestieuze wiskunde examen in juni en het onbetrouwbare juni examen buiten beschouwing te laten.”

Beoordeling

7. Zoals de verwerende partij opmerkt in haar nota:

“Artikel 5, § 5, van het Organisatiebesluit refereert aan de delibererende klassenraad en niet aan de beroepscommissie. Voor zover formeel wordt geput uit een schending van deze bepaling, is het middel niet ernstig.”

IX-9197-19/26

8. Met betrekking tot de aangevoerde schending van artikel 57 van het organisatiebesluit kan in de huidige stand van de procedure ook worden aan-

gesloten bij de nota van de verwerende partij, inzonderheid bij het volgende:

“Nergens blijkt dat de beroepscommissie de beoordeling of [X.] het leer-

jaar met vrucht beëindigd heeft, heeft laten afhangen van een afzonderlijke toets, examen of proef. […]

De beroepscommissie houdt, zo blijkt uit de beslissing, onder meer reke-

ning met de adviezen van de tussentijdse klassenraden, de punten van [X.], zowel op dagelijks werk als voor proefwerken, het klasgemiddelde, de evolutie van [X.], de inzet van [X.], de argumenten van de ouders van [X.]

in het kader van de beroepsprocedure, enz.

Er is dus geenszins sprake van een schending van artikel 57 van het Orga-

nisatiebesluit.

Bovendien, dat een A-attest ‘niet noodzakelijk’ gebonden is aan het slagen voor alle toetsen en proeven, betekent niet dat het niet-slagen voor bepaalde vakken, proeven of toetsen geen rol kan spelen.”

Daar mag nog aan worden toegevoegd, dat de beroepscommissie blijkens de gemotiveerde bestreden beslissing behalve met de twee jaartekorten voor Engels en wiskunde ook rekening houdt met de evolutie van de punten voor elk vak en dit zowel voor dagelijks werk als voor de proefwerken. De algemeen vast te stellen “relatieve verbetering van het dagelijks werk” wordt afgewogen tegenover “de proefwerkresultaten” die “in het tweede semester, op twee vakken na, zijn verslechterd”. Voor wiskunde wordt ermee rekening gehouden dat “de resultaten van het eerste semester (55%) aanzienlijk verslechterden in het tweede semester (43%)”. Verzoekster kan niet onbekend zijn met het feit dat geen paas-

examens werden afgenomen, zodat – voor het eerst in haar schoolcarrière – de examenprogramma’s in juni significant grotere pakketten leerstof omvatten. Ove-

rigens wordt vooralsnog de verwerende partij bijgevallen, waar zij erop attendeert dat de beroepscommissie bijkomend refereert aan drie tekorten op vijf rapporten, niet aan vijf toetsen.

Het is op grond van het geheel van die elementen dat de be-

roepscommissie overweegt dat verzoekster “een harde werker is, maar […] dat zij er in de gekozen richting niet in slaagt om grotere pakken leerstof ineens vol-

doende te verwerken en de leerstof te beheersen” en besluit dat verzoekster “niet

IX-9197-20/26

voldoende kennis en vaardigheden heeft verworven om te slagen in het eerste jaar van de derde graad in de richting wetenschappen – wiskunde”.

Op het argument dat verzoekster slaagcijfers haalt voor de an-

dere profielbepalende vakken (wetenschappen), antwoordt de commissie dat “het vak wiskunde in de richting wetenschappen-wiskunde echter een hoofdvak is met 6 lesuren per week (evenveel als biologie, chemie en fysica samen) en dat de re-

sultaten voor dat vak in grote mate bepalend zijn om te beoordelen of de leerling geslaagd is” en dat verzoekster “in het tweede semester bovendien niet geslaagd was voor de proefwerken van aardrijkskunde en chemie”. De commissie wijst erop dat verzoekster “twee jaartekorten heeft, waarvan één voor het hoofdvak wiskunde en dat zij in het tweede semester voor 5 vakken niet slaagde voor het proefwerk”.

9. Verzoekster kan de Raad van State in de huidige stand van de procedure niet ervan overtuigen dat een beroepscommissie die, op grond van de zo-even beschreven afweging van alle elementen van het leerlingendossier, besluit dat de leerling het jaar niet met vrucht heeft beëindigd aldus onzorgvuldig of on-

redelijk handelt. Daarmee is niet uitgesloten dat een andere beroepscommissie, geplaatst tegenover dezelfde cijfers, een andere beslissing zou kunnen nemen. Het behoort echter eenmaal tot de beoordelingsvrijheid van de beroepscommissie om, binnen de grenzen van de redelijkheid, de voorliggende gegevens van het leer-

lingendossier in een evaluatiebeslissing te transformeren. Zoals verzoekster het zelf stelt, is dit geen louter mathematische oefening – wat net betekent dat uit-

eenlopende inschattingen denkbaar en verdedigbaar zijn. De voormelde grenzen van de beoordelingsvrijheid lijken hier op het eerste gezicht niet overschreden te zijn.

10.1. Verzoekster geeft kritiek op de adviezen die haar werden gege-

ven om van richting te veranderen. Die kritiek lijkt niet dienstig. De bestreden beslissing lijkt immers op die adviezen niet te steunen, minstens niet, zo lijkt, als een determinerend argument om het C-attest toe te kennen.

IX-9197-21/26

10.2. Daargelaten of verzoekster terecht het gewicht van het klasge-

middelde in vraag stelt, lijkt wat de beroepscommissie daarover opmerkt, in twee inleidende zinnen van haar beoordeling ten gronde, een overtollig motief te zijn.

De beslissing steunt wezenlijk, zo lijkt, op de effectief door verzoekster behaalde cijfers en de evolutie van die cijfers per se en niet op hun verhouding tot de re-

sultaten van de klasgenoten.

10.3. Verzoekster becommentarieert een aantal adviezen van de klassenraden. In de bestreden beslissing lijkt de beroepscommissie niet op die adviezen te steunen om het C-attest te onderbouwen, zodat deze commentaar prima facie niet toelaat om de wettigheid van de bestreden beslissing in vraag te stellen.

Om dezelfde reden kan een suggestie van de directrice niet aan de beroepscommissie – die collegiaal beslist – worden toegerekend en tegenge-

worpen.

10.4. Verzoekster betoogt dat een C-attest niet mag worden toegekend zonder voorafgaande remediëring. Verzoekster laat na een rechtsregel aan te wij-

zen die dergelijke verplichting oplegt. Daargelaten voorts of al dan niet remedië-

ring is aangeboden of moest zijn aangeboden, herinnert de Raad van State aan zijn vaste rechtspraak dat zulke kritiek in rechte faalt, omdat een eventuele tekortko-

ming op dat vlak de vastgestelde resultaten niet meer kunnen veranderen en hoogstens wijzen op de eventuele aansprakelijkheid van de onderwijsverstrekker.

10.5. Verzoekster heeft een jaartekort voor Engels. Hieruit volgt, dat verzoekster voor dat vak de leerplandoelstellingen niet op voldoende wijze heeft bereikt. Een verwijzing naar een bij veronderstelling ordentelijk vastgelegd jaar-

tekort volstaat dan ook in de regel als formele motivering voor die vaststelling. De beroepscommissie is in de regel niet verplicht daarbovenop een uitdrukkelijke opsomming te geven van alle niet behaalde eindtermen of leerplandoelstellingen.

IX-9197-22/26

Nog minder lijkt zij verplicht om een en ander formeel te staven “aan de hand van concrete toetsen”, zoals verzoekster wenst.

10.6. Met verzoekster mag worden betwijfeld of de beroepscommissie een nota die is neergelegd op de hoorzitting, waarin het beroep nader wordt toe-

gelicht, mag verwerpen als onontvankelijk. De commissie lijkt evenwel toch op de nota te hebben geantwoord, zodat verzoekster geen belang lijkt te hebben bij deze grief, zelfs al ware ze gegrond. Verzoekster laat alleszins na, aan te geven welke argumenten uit haar nota zonder antwoord zouden zijn gebleven terwijl het ant-

woord tot een voor haar gunstiger resultaat had kunnen leiden.

11.1. Blijft ten slotte de vraag of het jaartekort voor het vak wiskunde, dat medebepalend is geweest voor het C-attest, correct is vastgesteld.

11.2. Verzoekster wijst uitvoerig op de omstandigheden waarin zij in juni het deelexamen 1 heeft afgelegd. Ingevolge een black-out zouden haar pres-

taties op dit examen niet een juiste weergave vormen van haar werkelijke kunnen.

Om die reden vroeg zij reeds dadelijk na dit examen, opnieuw in de administratieve beroepsfase en vervolgens in alle vorige procedurestappen bij de Raad van State om een bijkomende proef te mogen afleggen. Ook in huidig verzoekschrift noemt zij haar situatie nog “een schoolvoorbeeld van een kwestie waar men toepassing diende te maken van een bijkomende proef”. De bijzondere omstandigheden, aldus verzoekster, “verantwoorden precies wél een bijkomende proef die de blinde vlek in de beoordeling kan wegnemen”.

De beroepscommissie van haar kant is de mening toegedaan dat de behaalde resultaten op deelexamen 1 wel representatief zijn en verwijst hiervoor naar het verdere verloop van het examen zelf, naar het resultaat voor deelexamen 2

en naar de resultaten voor dagelijks werk. Voor de commissie is er bijgevolg geen reden om een bijkomende proef op te leggen.

IX-9197-23/26

11.3. De Raad van State brengt in herinnering dat hij geen beroeps-

orgaan is dat in hoger beroep de beslissing van de beroepscommissie overdoet en zijn eigen appreciatie in de plaats stelt. Zoals hiervóór ook reeds is opgemerkt, impliceert de discretionaire bevoegdheid die de beroepscommissie bezit, dat zij beschikt over een beoordelingsruimte die enkel de redelijkheid tot grens heeft.

Welnu, om de voor haar opgeworpen vraag voor een bijkomende proef af te wijzen, heeft de beroepscommissie in essentie geoordeeld als volgt:

“Dat [X.] de black-out op deelexamen 1 van wiskunde (op 14 juni 2017)

tijdens het examen gemeld heeft en de vakleerkracht haar onmiddellijk heeft gerustgesteld en [X.] haar examen heeft afgewerkt. Dat [X.] boven-

dien punten behaald heeft op de vragen 1, 2, 3, 6, 7, 8, 10, 13 en 14 (laatste vraag), zodat zij wel degelijk het ganse examen heeft doorlopen.

Dat [X.] op deelexamen 1 van wiskunde een totaal van 19/65 (omgerekend naar 8,7/30) heeft behaald.

Dat er geen black-out gemeld is op deelexamen 2 van wiskunde (op 19 juni 2017) en dat [X.] ook op dit examen slechts 28/69 (omgerekend naar 12,20/30) behaalde.

Dat deze proefwerken bevestigen dat [X.] onvoldoende inzicht heeft ver-

worven in de leerstof van wiskunde van het tweede semester.

Dat dit ook al bleek uit de tussentijdse rapporten in het tweede semester van wiskunde waar zij respectievelijk 7,7/10, 3,8/10, 4,3/10, 4,1/10 en 5,2/10

en dus op drie van de vijf tussentijdse proeven ruim onvoldoende scoorde.

Overwegende dat leerlingen geen ‘recht’ op een bijkomende proef kunnen laten gelden. Dat het in het algemeen zo is dat de klassenraden (en be-

roepscommissie) na een volledig schooljaar geacht worden voldoende zicht te hebben op hun leerlingen om een weloverwogen beslissing te nemen.

Dat een bijkomende proef of vakantietaak slechts nuttig kan worden op-

gelegd wanneer de klassenraad of de beroepscommissie niet over alle nodige gegevens beschikt om op een redelijke en zorgvuldige manier een leerling te beoordelen.

Dat de enige reden die wordt aangehaald om een bijkomende proef op te leggen, de beweerde black-out van [X.] tijdens het eerste examenonderdeel wiskunde is.

Dat er van een echte blijvende black-out echter geen sprake is geweest. Dat [X.] haar probleem heeft gemeld tijdens het examen en dat zij, na gerust-

stelling door de vakleerkracht, het volledige examen heeft kunnen afwer-

ken.”

Vastgesteld zij dat verzoekster thans de overwegingen van de bestreden beslissing niet weerlegt waarbij wordt vastgesteld dat de leerkracht haar heeft gerustgesteld, dat zij het volledige examen heeft kunnen afwerken en heeft

IX-9197-24/26

geantwoord en punten behaald op de vragen 1, 2, 3, 6, 7, 8, 10, 13 en 14 (laatste vraag), waarbij wordt aangenomen dat er geen sprake was van “een echte blijvende black-out” en waarbij ook wordt gesteund op het tekort voor het tweede examen-

gedeelte wiskunde.

De beroepscommissie oordeelt op het eerste gezicht niet onwet-

tig om op grond van die vaststellingen het motief tot het hare te maken dat leer-

lingen geen ‘recht’ kunnen laten gelden op een bijkomende proef en dat zij over voldoende resultaten beschikt om, zonder bijkomende proef, met kennis van het door verzoekster verworven inzicht een weloverwogen evaluatiebeslissing over verzoekster te nemen.

Ten overvloede nog zij opgemerkt dat verzoekster te verstaan geeft dat zij “thans 6 maanden later” er niet meer op aanstuurt om nog een bij-

komende proef af te leggen. De Raad valt verzoekster niet bij, dat op grond van zo een éénzijdige weigering, een beslissing over haar slagen in dat geval moet steunen op cijfers waarvan zij zelf aangeeft dat ze geen representatief beeld geven van haar kennis. Door erop te alluderen dat zij geen bijkomende proef meer wil afleggen, rijst zelfs de vraag of verzoekster nog belang heeft bij dit onderdeel van haar wet-

tigheidskritiek.

12. Het enige middel is niet ernstig.

VII. Voorlopige maatregelen

13. De vaststelling dat het verzoekschrift geen ernstig middel aan-

voert, volstaat om ook de gevraagde voorlopige maatregelen af te wijzen.

IX-9197-25/26

VIII. Anonimisering

14. Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt de verzoekende partij dat bij de publicatie van het arrest haar identiteit niet wordt opgenomen.

Dit verzoek wordt ingewilligd.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vorderingen.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 27 december 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Geert Van Haegendoren

IX-9197-26/26

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.320