ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.241 · Conseil d'État
Synthèse Legislator
Généré par l'IAHet beroep, ingesteld op 28 september 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 30 juli 2015 inzake verzoekers beroep tegen de beslissing van de gouverneur van Limburg van 8 oktober 2014. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Regeste Legislator
Généré par l'IAECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.241 · Conseil d'État: “Art. 6, § 1. De natuurlijke personen en privaatrechtelijke personen die een museum of een verzameling van meer dan vijf vergunningsplichtige vuurwapens of van munitie wensen aan te leggen zonder voor elk bijkomend wapen een vergunning overeenkomstig artikel 11 te moeten bekomen, moeten overeenkomstig artikel 5, §§ 3 en 4, daartoe worden erkend door de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats. De Koning bepaalt de inhoudelijke voorwaarden waaraan de verzameling moet voldoen en de bijzondere in acht te nemen technische voorzorgen indien de wapens ontwikkeld zijn na 1945.
Mots-clés
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 240.241 van 20 december 2017
in de zaak A. 217.104/XIV-36.686
In zake : Daniel Gustaaf VRANCKEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerald Kindermans kantoor houdend te 3870 Heers Steenweg 161
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 28 september 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 30 juli 2015 inzake verzoekers beroep tegen de beslissing van de gouverneur van Limburg van 8 oktober 2014.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld.
XIV-36.686-1/16
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Charlotte Pexters, die loco advocaat Gerald Kindermans verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker dient op 27 november 2013 een aanvraag in met het oog op een erkenning als verzamelaar van wapens en munitie.
3.2. Op 8 oktober 2014 weigert de gouverneur van de provincie Limburg verzoekers aanvraag.
3.3. Verzoekers beroep tegen die beslissing wordt op 30 juli 2015
door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen op de volgende gronden:
“Op basis van bovenvernoemde elementen kan worden besloten dat er inzake uw algemene moraliteit en persoonlijkheid problemen bestaan, en dat er een terechte
XIV-36.686-2/16
vrees bestaat dat het toekennen van een erkenning als wapenverzamelaar in uw hoofde een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden.
Concreet kan worden verwezen naar de inbreuken die werden gepleegd op de wapenwetgeving, met name het te koop stellen van verboden wapens, zijnde werpmessen.
Voor deze feiten heeft de Correctionele Rechtbank te Hasselt u op 26 februari 2015 de gunst van de opschorting gedurende 3 jaar verleend. In tegenstelling tot uw bewering betekent dit dat de strafrechter de ten laste gelegde feiten wel degelijk als bewezen heeft beschouwd en u schuldig heeft bevonden aan het te koop stellen van verboden wapens. Dit betreft hoe dan ook een zware inbreuk op de wapenwet-
geving.
Het louter feit dat u voor deze inbreuk de gunst van de opschorting werd verleend, betekent nog niet dat de feiten als dusdanig niet weerhouden kunnen worden om aan te tonen dat uw gedrag een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden. Ook de Raad van State [heeft] in zijn arrest nr. 193 442
d.d. 19 mei 2009 uitdrukkelijk bepaald dat een bestuur bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, ook rekening gehouden mag worden met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid.
Bovendien is een veroordeling wegens een inbreuk op de wapenwetgeving en/of haar uitvoeringsbesluiten opgenomen in art. 5, §4, 2°, a) van de wapenwet waardoor een aanvraag tot het verkrijgen van een erkenning als wapenhandelaar of wapenverzamelaar onontvankelijk moet worden verklaard. U werd dan niet veroordeeld wegens dergelijke inbreuken, doch rekening houdend met de bedoeling van de wetgever om geen erkenningen af te leveren aan personen die werden veroordeeld wegens voornoemde inbreuken, kan worden aangenomen dat wanneer het onomstotelijk vaststaat dat iemand dergelijke inbreuken heeft gepleegd, ook voldoende reden is om de erkenning te weigeren en/of in te trekken.
De minister van Justitie is immers van oordeel dat inbreuken op de wapenwetgeving misdrijven betreffen die in de wapenwetgeving zijn opgenomen omdat het - in combinatie met wapenbezit - een vermoeden creëert van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Dergelijke feiten maken dat het noodzakelijk vertrouwen dat moet gesteld kunnen worden in hoofde van een wapenbezitter, en in het bijzonder van een wapenverzamelaar, wordt ondermijnd.
Daarenboven heeft de strafrechter u bij vonnis van 26 februari 2015 de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling toegestaan voor een proefperiode van 3 jaar. Dit betekent dat indien u zich binnen deze proefperiode nogmaals schuldig zou maken aan strafbare feiten u alsnog een straf kan worden opgelegd voor de huidige feiten. U kan met andere woorden nog steeds effectief worden veroordeeld voor deze inbreuken aangezien deze proefperiode nog lopende is.
Van een wapenbezitter -verzamelaar mag worden verwacht dat hij ALLE regels inzake wapenbezit met de nodige nauwgezetheid en het nodige respect naleeft. De wapenwetgeving is immers in de eerste plaats gericht op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Het niet strikt naleven van deze regelgeving kan dan ook desastreuze gevolgen hebben en zeer zeker een gevaar inhouden voor die openbare orde en veiligheid. Uit de feiten is gebleken dat u die wapenwetgeving niet heeft gerespecteerd.
Bovendien is uit uw argumenten die u naar voor heeft gebracht in het kader van de uitoefening van de hoorplicht gebleken dat u niet bijzonder goed op de hoogte bent van de wapenwetgeving in het algemeen […]. Het is best mogelijk dat u voornoemde inbreuken heeft gepleegd uit onwetendheid. Het is echter de verantwoordelijkheid van de wapenbezitter zelf om zich ervan te vergewissen dat
XIV-36.686-3/16
hij te allen tijde de wapenwetgeving respecteert. Onwetendheid en/of onzorgvuldigheid op dit vlak is onaanvaardbaar. De gebrekkige kennis van de wapenwetgeving in hoofde van een persoon die gemachtigd is om een wapenverzameling op te bouwen betekent zeer zeker een gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Als wapenverzamelaar wordt u immers beschouwd als een deskundige, en uiteraard niet alleen op technisch vlak, doch ook op het vlak van de na te leven regelgeving. Erger nog is het feit dat u zelf zeer overtuigd bent van uw expertise op het vlak van de wapenwetgeving; en dat u anderen - met name politie, de procureur des Konings en zelfs uw eigen raadsman - afschildert als degenen die de (wapen)wet niet kennen. Op basis van diverse stellingen in uw verzoek- en verweerschrift blijkt echter dat uw kennis van de wapenwetgeving alles behalve afdoende is. U bent zich niet eens bewust van het feit dat u de wapenwetgeving op een geheel verkeerde wijze interpreteert en toepast, en u bent duidelijk ook niet bereid uw ongelijk toe te geven. Dit gegeven kan wel degelijk een gevaar opleveren voor de openbare orde en veiligheid. Het risico dat u in de toekomst nieuwe inbreuken pleegt op de wapenwetgeving, al dan niet bewust, valt niet uit te sluiten.
Voorts kan ook nog verwezen worden naar de problematiek van het door u opgegeven thema. Initieel heeft u een erkenning als wapenverzamelaar aangevraagd met als thema ‘historische wapens tot 1945. Geen automatische. Western- sport- en recreatiewapens’.
In het kader van uw aanvraag heeft de gouverneur van Limburg de heer [M. G.], wapendeskundige, meermaals verzocht om advies omtrent het door u opgegeven thema. Ook aan de Proefbank te Luik werd advies hieromtrent gevraagd […].
Op basis van deze adviezen is gebleken dat het door u gekozen thema veel te ruim is. Volgend thema werd als aanvaardbaar voorgesteld: ‘korte en lange western-, sport- en vuurwapens voor het recreatief schieten met een historisch kader, vervaardigd voor 1945 en munitie voor deze wapens, met uitzondering van volautomatische wapens.’ In uw respons stelde u het voorgestelde thema aan te vullen met ‘en hun al of niet moderne replica’s’ en als uitzondering ‘volautomatische wapens’ te vervangen door ‘al de automatische oorlogswapens gefabriceerd na 1945 en hun replica’s’.
Verder stelde u telkens opnieuw dat u al uw vergunde wapens (waarvoor u voorheen een vergunning werd toegekend tijdens de regularisatieperiode) eveneens in deze verzameling wenst onder te brengen. Volgens u zou u zich kunnen beroepen op de mogelijkheid waarbij een sportschutter die stopt met schieten recht heeft op een verzamelaarsvergunning met behoud van 10 patronen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat deze mogelijkheid helemaal niet in de wapenwetgeving wordt voorzien. Wel kan een sportschutter na beëindiging van zijn activiteiten zijn wapens gedurende een periode van 3 jaar voorhanden houden, doch zonder bezit van munitie en mits voldaan is aan een aantal voorwaarden (art. 13, 2e lid van de wapenwet). Na het verstrijken van deze periode kan hij dan op basis van art. 11/1
van de wapenwet bij de gouverneur een vergunning zonder munitie aanvragen. Dit staat echter helemaal los van de regels inzake het toekennen van een erkenning als wapenverzamelaar. Om dergelijke erkenning te kunnen krijgen moet er een aanvaardbaar thema voorliggen, en moeten alle wapens die opgenomen worden in die verzameling ook binnen dit thema passen. Hieruit blijkt overigens andermaal uw gebrekkige kennis van de wapenwetgeving.
Meermaals werd u verzocht om een aanvaardbaar thema op te geven, doch telkens was het opgegeven thema veel te ruim. Het afleveren van een erkenning als wapenverzamelaar voor de door u opgegeven thema’s zou neerkomen op de mogelijkheid om zonder enige beperking alle moderne wapens aan te schaffen. Dit zou in strijd zijn met de bedoeling van de wetgever.
Ook is uit de expertise van de heer [M. G.] gebleken dat meerdere wapens
XIV-36.686-4/16
waarvoor u een vergunning werd toegekend met het oog op de beoefening van de schietsport, niet in aanmerking kunnen komen om opgenomen te worden in een verzameling. Desondanks blijft u hardnekkig eisen dat al uw huidige wapens in de verzameling dienen opgenomen te worden. En ook wat betreft het thema zelf heeft u geen nieuwe aanvaardbare voorstellen gedaan.
CONCLUSIE:
Op basis van voornoemde elementen is gebleken dat er voldoende ernstige en concrete redenen zijn die aantonen dat de toekenning van een erkenning als wapenverzamelaar als nadelig en gevaarlijk voor de openbare orde en veiligheid moet worden beschouwd. Uw gedrag biedt niet de vereiste waarborgen, dit is immers gebleken uit de feiten. U kan niet genieten van het noodzakelijk vertrouwen dat moet kunnen gesteld worden in een wapenverzamelaar.
Wapens zijn door hun aard en bestemming levensgevaarlijke voorwerpen die enkel toebedeeld kunnen worden aan personen die beschikken over de vereiste maturiteit, verantwoordelijkheidszin en betrouwbaarheid. Uit voorgaande is gebleken dat u zich noch matuur, noch verantwoordelijk, noch betrouwbaar gedraagt. Een wapenbezitter, en in het bijzonder een wapenverzamelaar, wordt geacht betrouwbaar te zijn en zich te allen tijde verantwoordelijk te gedragen.
Met het oog op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid, en rekening houdend met het feit dat één van de belangrijkste doelstellingen van de nieuwe wapenwetgeving net het beschermen van de samenleving en het vermijden van ongelukken is, is de minister van Justitie van oordeel dat u geen erkenning als wapenverzamelaar kan worden toegekend.
Bovendien werd ook vastgesteld dat het door u opgegeven thema van de wapenverzameling veel te ruim is, en dat u niet bereid bent tegemoet te komen aan de voorstellen die werden gedaan.
Derhalve zal u geen getuigschrift van erkenning als wapenverzamelaar worden toegekend.”
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) en van het materieel- en formelemotiveringsbeginsel.
XIV-36.686-5/16
Verzoeker stelt dat uit het vonnis van 26 februari 2015 van de correctionele rechtbank van Hasselt geen zware inbreuk op de wapenwetgeving blijkt, anders zou hem nooit het voordeel van de opschorting zijn toegekend. In het strafdossier werd volgens verzoeker op geen enkele wijze aangetoond dat het om verboden wapens zou gaan, er werden enkel beweringen in die zin geuit zonder deze te toetsen aan de regelgeving. Verzoeker benadrukt dat hij steeds heeft betwist dat het om verboden messen zou gaan en dat hij van mening was dat hij geen enkele wet heeft overtreden. Het is voor verzoeker dan ook onbegrijpelijk dat op basis van deze elementen gesteld wordt dat er een terechte vrees zou bestaan dat hij een gevaar voor de openbare orde en veiligheid zou kunnen inhouden, wat door het vonnis ten stelligste wordt tegengesproken. Verzoeker haalt rechtspraak van de Raad van State aan waaruit volgens hem blijkt dat een loutere opschorting van een strafrechtelijke veroordeling niet kan worden aangewend om ervan uit te gaan dat hij automatisch een gevaar voor de openbare orde en veiligheid zou inhouden.
Verzoeker wijst ook op zijn lange ervaring met wapens, zijn blanco strafregister en een gunstig verslag van de burgemeester van zijn gemeente, alsook dat hij een bonafide ambtenaar is die thans na zijn pensionering samen met zijn echtgenote een handelszaak uitbaat. Wat zijn kennis van de wapenwetgeving betreft, stelt verzoeker dat geen rekening is gehouden met het feit dat hij geslaagd is voor het examen van wapenhandelaar. Wat het te uitgebreide thema van zijn verzameling betreft, meent verzoeker dat dit probleem niet langer aan de orde is gezien de beslissing van de gouverneur is uitgegaan van een omschrijving die uitdrukkelijk wordt weergegeven in de beslissing van de minister. Het loutere gegeven dat verzoeker aan het thema “korte en lange vuurwapens vervaardigd vóór 1945 en munitie voor deze wapens, met uitzondering van volautomatische wapens” graag toegevoegd had gezien dat ook replica’s van die wapens in aanmerking kwamen, kan volgens hem niet van aard zijn om de erkenning te weigeren. Ook dit aspect is volgens verzoeker onvoldoende gemotiveerd.
5. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker dat te dezen absoluut niet wordt aangetoond dat zijn wapenbezit de openbare orde zou schaden: hij is er steeds van overtuigd geweest dat de te koop aangeboden
XIV-36.686-6/16
werpmessen niet als verboden wapens konden worden beschouwd en uit geen enkel element blijkt dat zijn moraliteit of persoonlijkheid te wensen zou overlaten.
Verzoeker refereert daartoe andermaal naar het vonnis van de correctionele rechtbank van 26 februari 2015. Hij verwijst ter adstructie van zijn standpunt voorts nog naar twee arresten van de Raad van State waaruit hij afleidt dat er geen automatisme mag bestaan tussen het bekomen van een opschorting in het kader van een strafrechtelijke veroordeling en een weigering van vergunning inzake de wapenwetgeving.
6. In de laatste memorie betoogt verzoeker dat het auditoraats-
verslag geen rekening houdt met het feit dat de beslissing een eigen finaliteit dient te hebben die niet samenvalt met de redengeving van een strafrechter die de gunst van opschorting toekent, zoals in het door hem aangehaalde arrest van de Raad van State van 19 april 2007 werd bepaald. Te dezen wordt volgens verzoeker in de bestreden beslissing louter gewag gemaakt van de correctionele veroordeling, heeft de gouverneur zijn ruime discretionaire bevoegdheid ter beoordeling van de eventuele schending van de openbare orde niet gebruikt en heeft de bestreden beslissing dan ook geen eigen finaliteit. Voorts wordt volgens verzoeker de beoordelingsvrijheid van de verwerende partij wel degelijk beperkt door de veroordeling van de correctionele rechtbank hoewel er geen ernstige en concrete redenen zijn die aantonen dat er een gevaar is voor de openbare orde en heeft het auditoraat geen rekening gehouden met het feit dat de gouverneur zijn ruime discretionaire bevoegdheid niet hanteert of er eventueel een schending van de openbare orde is en wordt er geen inschatting gemaakt door de gouverneur voor de toekomst en wordt er louter rekening gehouden met de feiten van de correctionele veroordeling en zijn er volgens hem geen andere feiten voorhanden waarvoor een weigering te rechtvaardigen is.
Beoordeling
7. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991. Deze verplichten de administratieve overheid in de akte de
XIV-36.686-7/16
juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.
Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
Geconcretiseerd op het voorliggende beroep, impliceert de formelemotiveringsplicht aldus dat uit de bestreden beslissing de redenen moeten blijken die zouden leiden tot de weigering van de erkenning als wapenverzamelaar en dat deze afdoende moeten zijn.
De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
XIV-36.686-8/16
Ter beoordeling van deze grief moet evenwel ook worden gewezen op de artikelen 6, § 1, juncto 5, § 3, en 30, eerste lid, van de wapenwet, die luiden:
“Art. 6, § 1. De natuurlijke personen en privaatrechtelijke personen die een museum of een verzameling van meer dan vijf vergunningsplichtige vuurwapens of van munitie wensen aan te leggen zonder voor elk bijkomend wapen een vergunning overeenkomstig artikel 11 te moeten bekomen, moeten overeenkomstig artikel 5, §§ 3 en 4, daartoe worden erkend door de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats. De Koning bepaalt de inhoudelijke voorwaarden waaraan de verzameling moet voldoen en de bijzondere in acht te nemen technische voorzorgen indien de wapens ontwikkeld zijn na 1945.
Art. 5, § 3. De gouverneur doet uitspraak over de aanvraag om erkenning na ontvangst van het met redenen omkleed advies van de procureur des Konings en van de burgemeester bevoegd voor de vestigingsplaats en voor de woonplaats van de aanvrager.
De erkenning kan alleen worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde. Elke beslissing tot weigering vanwege de gouverneur moet met redenen omkleed zijn.
Artikel 30. Beroep staat open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde in geval van het ontbreken van een beslissing van de gouverneur binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen, of tegen de beslissingen van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, een vergunning of een recht, behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen.
Op straffe van onontvankelijkheid wordt het gemotiveerd verzoekschrift aangetekend verzonden aan de federale wapendienst uiterlijk vijftien dagen na vaststelling dat er geen beslissing werd genomen binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen of na kennisname van de beslissing van de gouverneur, vergezeld van een kopie van de bestreden beslissing. De uitspraak wordt gedaan binnen zes maanden na de ontvangst van het verzoekschrift.”
Artikel 30 van de wapenwet bepaalt een georganiseerd administratief beroep bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde tegen het in de voormelde bepaling opgesomde stilzitten of opgesomde beslissingen van de gouverneur (Cf. GwH 19 december 2007, nr. 154/2007, punt B.60.1). Door de devolutieve werking van het georganiseerd beroep verwerft de beroepsinstantie op grond van deze bepaling de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Zij kan aldus op dezelfde wijze als de gouverneur de erkenning als wapenverzamelaar weigeren om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde.
XIV-36.686-9/16
De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch van welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet worden beoordeeld.
De beroepsinstantie heeft bij de beoordeling van de vraag of de erkenning de openbare orde kan verstoren, bijgevolg een discretionaire bevoegdheid, zowel op het vlak van het bewezen verklaren van de feiten waarop zij zich steunt om tot dit oordeel te komen, als op het vlak van de kwalificatie van die feiten als gronden tot het beoordelen van de verstoring van de openbare orde.
Aangezien de wapenwet inzake het bewezen verklaren van de feiten geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de beroepsinstantie op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het dossier om tot haar overtuiging te komen. Zij mag zich daarbij niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz.
Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om desgevraagd zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de feiten waarop de beroepsinstantie zich steunt om tot haar oordeel te komen, noch van de vraag of deze feiten waarvan het bestaan naar behoren is bewezen, in rechte verantwoorden dat een erkenning als verzamelaar de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
8. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.3.). Hieruit blijkt dat verzoekers erkenning wordt geweigerd omdat “er voldoende ernstige en concrete redenen zijn die aantonen dat de toekenning van een erkenning als wapenverzamelaar als nadelig en gevaarlijk voor de openbare orde en veiligheid moet worden beschouwd”. Daartoe wordt er verwezen “naar de inbreuken die werden gepleegd op de wapenwetgeving, met name het te koop stellen van verboden wapens, zijnde werpmessen” waarbij de
XIV-36.686-10/16
verwerende partij zich steunt op het vonnis van 26 februari 2015 van de correctionele rechtbank van Hasselt, en naar verzoekers gebrekkige kennis van de wapenwetgeving waardoor “[h]et risico dat [hij] in de toekomst nieuwe inbreuken pleegt op de wapenwetgeving, al dan niet bewust, […] niet uit te sluiten [valt]”.
Ten overvloede wordt tevens vastgesteld dat het “opgegeven thema van de wapenverzameling veel te ruim is, en dat [verzoeker] niet bereid [is] tegemoet te komen aan de voorstellen die werden gedaan”. De formele motivering verschaft aldus aan verzoeker voldoende duidelijkheid waarom de beroepsinstantie de vergunning weigert. De enkele omstandigheid dat verzoeker een ander standpunt heeft en zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering, maakt die daarom niet onwettig.
Het middel is in die mate ongegrond.
9. Het gegeven dat verzoeker met het vonnis van 26 februari 2015
de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd verleend, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de feiten waarvoor hij werd vervolgd - het te koop aanbieden van verboden wapens, met name werpmessen - bewezen zijn verklaard en verzoeker er schuldig aan werd bevonden. In het strafvonnis wordt voorts vermeld dat “er verwacht en gehoopt [mag] worden dat beklaagde zich niet meer aan dergelijke feiten plichtig zal maken” en wordt er niet, zoals verzoeker voorstaat, gesteld dat de feiten zich in de toekomst niet meer zullen voordoen noch wordt er ten stelligste tegengesproken dat er een gevaar voor de openbare orde is.
De beroepsinstantie vermocht zich op die bewezen feiten, die op onaantastbare wijze in een vonnis met kracht van gewijsde zijn vastgesteld, te steunen om te oordelen dat verzoeker de “wapenwetgeving niet heeft gerespecteerd”. Wat verzoekers kennis van de wapenwetgeving betreft, wordt niet betwist dat de verwerende partij zich daartoe steunt op de argumenten die verzoeker naar voren heeft gebracht in het kader van de uitoefening van de hoorplicht en waarvan in de bestreden beslissing de onjuistheid wordt aangetoond.
XIV-36.686-11/16
Verzoeker betwist in zijn middel de kwalificatie van de in beslaggenomen messen als verboden wapens en wijst, voor wat zijn kennis van de wapenwetgeving betreft, op het feit dat hij is geslaagd voor het examen van wapenhandelaar. Met deze argumentatie geeft verzoeker weliswaar blijk van een andere feitelijke beoordeling van de zaak dan de beroepsinstantie, maar verzoeker maakt hiermee niet aannemelijk dat die in verband met de beoordeling van de in het strafdossier vervatte feiten, zijn gebrek aan kennis van de wapenwetgeving en de kwalificatie ervan als een mogelijk gevaar voor de openbare orde, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan.
Verzoekers kritiek in zijn laatste memorie dat “[i]n de bestreden beslissing [louter]
gewag [wordt] gemaakt van de correctionele veroordeling” waardoor “[d]e beslissing […] m.a.w. geen eigen finaliteit [heeft]” mist, gelet op het voorgaande, feitelijke grondslag.
Het middel is in die mate ongegrond.
10. Het vastgestelde gevaar voor de openbare orde is een voldoende dragend motief voor de bestreden beslissing.
Verzoekers kritiek betreffende de beoordeling van het thema van zijn gewenste verzameling is gericht tegen een overtollig motief en kan daarom nooit tot vernietiging van de bestreden beslissing leiden.
11. Het eerste middel is ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
12. In zijn tweede middel voert verzoeker de schending aan van het gelijkheids-, het evenredigheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker stelt dat de bestreden beslissing buiten elke verhouding valt met de zogenaamde
XIV-36.686-12/16
gepleegde feiten waarvoor hem opschorting werd verleend en dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat het ondenkbaar is dat enige andere zorgvuldige overheid in dezelfde omstandigheden dergelijke beslissing zou nemen. Volgens verzoeker miskent de verwerende partij niet alleen de doelstelling van de “strafrechtwetgever” maar gaat hij thans een sanctie opleggen die nooit de bedoeling is geweest van de strafrechter die hem het voordeel van de opschorting van uitspraak heeft verleend.
Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel stelt verzoeker dat dat beginsel het fundament is van alle grondrechten en belangen gewaarborgde grondrechten de openbare orde aan waarvan de schending, desnoods van ambtswege, moet worden onderzocht. Volgens verzoeker bestaan er “voldoende redenen om aan te nemen dat het gelijkheidsbeginsel niet anders kan worden beschouwd dan als een beginsel van openbare orde” en is het “aangewezen dat de Raad van State dit beoordeelt.”
13. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker dat de in de bestreden beslissing aangehaalde elementen niet voldoende ernstig zijn om een beperking, schorsing of intrekking van “de vergunning” te rechtvaardigen. Voorts wijst hij er nogmaals op dat er te dezen geen sprake is van een veroordeling maar van een opschorting waarbij het eigene daarvan is dat de rechtbank van mening is dat er geen redenen zijn om een veroordeling uit te spreken. In de bestreden beslissing wordt volgens verzoeker ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen het bewezen geacht worden van de feiten - die volgens hem “op zich […] niets voor[stellen]” - en een veroordeling en wordt de finaliteit van de opschorting niet onderkend.
14. In de laatste memorie stelt verzoeker dat het auditoraatsverslag geen rekening houdt met het gegeven dat de gelaakte feiten niet in verhouding staan met de getroffen maatregel en dat de loutere opschorting van de uitspraak tot veroordeling niet in verhouding staat tot de schorsing of intrekking van een vergunning. Voor het overige worden er volgens verzoeker geen feiten aangehaald
XIV-36.686-13/16
om de betrokken vergunning te schorsen of in te trekken. Waar in het auditoraatsverslag wordt opgemerkt dat verzoeker het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel niet uitwerkt, merkt hij op dat hij in zijn memorie van wederantwoord heeft gesteld dat het gelijkheidsbeginsel een beginsel van openbare orde is dat ambtshalve kan worden onderzocht. Verzoeker merkt nog op dat er sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel gelet op het feit dat de bestreden beslissing niet zorgvuldig is genomen en niet is gebaseerd op feitelijke en deugdelijke juridische aspecten.
Beoordeling
15. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het middel op grond van de volgende overwegingen.
Wat de “zogenaamde gepleegde feiten” betreft, dient te worden vastgesteld dat ze op een onaantastbare wijze bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis zijn vastgesteld. Daarenboven gaat het te dezen niet om een sanctie, maar wel om een maatregel genomen ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. De gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling staat volledig los van de beoordeling die binnen de proefperiode van te dezen drie jaar, op bestuurlijk niveau gebeurt omtrent het al dan niet verlenen van een erkenning als wapenverzamelaar en de beoordeling van de persoonlijkheid van verzoeker in dit opzicht. Met zijn betoog toont verzoeker bijgevolg geen schending van het ingeroepen redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel aan.
In tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt, is de schending van het gelijkheidsbeginsel niet van openbare orde. Verzoeker werkt het middel in zoverre het betrekking heeft op het gelijkheidsbeginsel niet uit, maar laat de uitwerking over aan de Raad van State in de niet-bijgetreden redenering dat de schending van voornoemd beginsel toch van openbare orde is en door de Raad van State moet worden beoordeeld. Bijgevolg is het middel in zoverre het betrekking heeft op de schending van het gelijkheidsbeginsel, niet ontvankelijk.
XIV-36.686-14/16
In de mate de ingeroepen schending van het zorgvuldigheids-
beginsel betrekking heeft op de schending van de al besproken beginselen, volstaat het te verwijzen naar die bespreking. In het andere geval moet worden vastgesteld dat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel niet wordt uitgewerkt.
Het middel is deels niet ontvankelijk, deels ongegrond.
16. Verzoeker betwist deze conclusie, maar beperkt zich tot een herhaling van zijn standpunt dat “de gelaakte feiten niet in verhouding staan met de getroffen maatregel” en dat “het gelijkheidsbeginsel een beginsel van openbare orde is dat ambtshalve kan worden onderzocht”. Waar verzoeker voor het eerst in zijn laatste memorie aanvoert dat “er een schending is van het zorgvuldig-
heidsbeginsel gelet op het feit dat de bestreden beslissing niet zorgvuldig genomen is en dat de beslissing niet gebasseerd [is] op feitelijke en deugdelijke juridische motieven” toont hij niet aan dat hij dit argument niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel.
De Raad van State ziet voorts geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver-
klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-
vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
XIV-36.686-15/16
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-36.686-16/16
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.241