Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.239 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.239 Généré par l'IA

Court annells foreigner's appeal decision due to violation of evidence principle under Civil Code.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.239
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Foreigners' Dispute Board's decision of June 6, 2016, which had declared a residence permit application inadmissible. The applicant argued that the board failed to apply the principle of non-evaluation of written administrative documents as required by the Civil Code. The court held that this procedural error regarding the assessment of evidence was sufficient grounds for annulment, necessitating a retrial by a different chamber.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 1319, 1320, 1322 of the Civil Code; The administrative court must apply the principle of non-evaluation of written administrative documents, and failure to do so constitutes a ground for annulment.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative evidence principle Civil Code articles 1319 residence permit annulment written administrative documents procedural error annulment Foreigners' Dispute Board cassation procedure régularisation des déductions

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 1319, 1320 and 1322 of the Civil Code
Article 149 of the Constitution
Article 30/1, Section 1, first paragraph of the Coordinated Laws on the Council of State
Article 30/1, Section 2, second paragraph of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 240.239 van 20 december 2017

in de zaak A. 219.653/XIV-37.111

In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door destaatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. XXX

2. XXX

3. XXX

4. XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Suzanne Van Rossem kantoor houdend te 2018 Antwerpen Boomgaardstraat 93

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 5 juli 2016, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 169.093 van 6 juni 2016 van de Raad voor Vreemdelingen-

betwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.058 van 14 juli 2016.

XIV-37.111-1/9

De verweerders hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november 2017.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Carmenta Decordier, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Annik Haegeman, die loco advocaat Suzanne Van Rossem verschijnt voor de verweerders, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De verweerders dienenop 8 augustus 2011 een aanvraag om machtiging tot verblijf in met toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet).

De staatssecretaris voor Asiel en Migratieverklaart die aanvraag met een beslissing van 4 juli 2012ontvankelijk doch ongegrond.

XIV-37.111-2/9

Op 16 augustus 2012 stellende verweerders tegen die beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Met een arrest van 6 juni 2016 vernietigt de Raad voor Vreemdelingen-

betwistingen de voornoemde beslissing van 4 juli 2012. Dit is het bestreden arrest.

IV. Onderzoek van de middelen

Eerste middel

Standpunt van de partijen

4. De verzoekende partij werpt in een eerste middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet en van “het beginsel van de bewijskracht van stukken overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, minstens het principe van de miskenning van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken van het administratief dossier”.

De verzoekende partij voert in een eerste middelonderdeel aan dat zij volgens het bestreden arrest in de aanvankelijk bestreden beslissing niet zou hebben gemotiveerd waarom de door de huidige verweerders aangevoerde integratie niet werd aanvaard als een grond voor regularisatie. Die interpretatie stemt volgens de verzoekende partij echter niet overeen met de inhoud van de aanvankelijk bestreden beslissing, waarin wordt gemotiveerd dat de huidige verweerders zich beroepen op instructies die niet van toepassing zijn, dat de aangevoerde integratie een normaal en lovenswaardig gevolg is van het feit dat de huidige verweerders hun tijd nuttig hebben besteed in afwachting van de verschillende procedures die zij hebben aangespannen maar geen grond voor verblijfsregularisatie vormt, dat de aangevoerde integratie niet opweegt tegen de relaties en banden van de huidige verweerders met het land van herkomst, dat de scholing van de kinderen ook mogelijk is in het land van herkomst, dat de integratie van hun kinderen een gevolg is van de keuze van de huidige verweerders om verdere procedures op te starten in België nadat hen asiel was geweigerd, dat

XIV-37.111-3/9

het feit van geen strafrechtelijke inbreuken te hebben gepleegd van elke vreemdeling wordt verwacht, dat het verblijf van de huidige verweerders slechts tijdelijk werd toegestaan in het kader van hun asielaanvraag waarbij zij wisten dat zij bij een weigering het grondgebied van het Rijk zouden moeten verlaten en dat de asielprocedures niet onredelijk lang hebben geduurd. De verzoekende partij laat gelden dat de interpretatie van de aanvankelijk bestreden beslissing in het bestreden arrest fragmentarisch is vermits de Raad voor Vreemdelingen-

betwistingen uit die beslissing slechts één motief heeft geïsoleerd en dit motief ten onrechte heeft bestempeld als het enige motief betreffende de door de huidige verweerders aangevoerde integratie. Het motief van de aanvankelijk bestreden beslissing dat de integratie van de huidige verweerders “normaal” is kan niet los worden gezien van de andere, hoger aangehaalde motieven. De verzoekende partij besluit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud en bewijskracht van de aanvankelijk bestreden beslissing schendt door aan te nemen dat enkel het “normale” karakter van de integratie het hoofdmotief van deze beslissing is.

5. De verweerders stellen in de memorie van antwoord dat de verzoekende partij voorbijgaat aan de wettelijke bepalingen en de controle hierop door de administratieve rechter, in het bijzonder wat artikel 62 van de vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ betreft. Deze controle heeft niet enkel als voorwerp een kennelijke beoordelingsfout maar ook “de juistheid van de relevantie en de toelaatbaarheid in recht[e] van de motieven”. De verzoekende partij moest inderdaad de goede integratie beoordelen doch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is bevoegd om te oordelen over de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing op zich. Te dezen heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vastgesteld dat de integratie van de verweerders “lovenswaardig” wordt beschouwd door de verzoekende partij doch dat niet afdoende wordt gemotiveerd waarom deze integratie geen regularisatie rechtvaardigt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft een schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet vastgesteld na de kwestieuze omstandigheden volledig te hebben besproken. De motivering van de aanvankelijk bestreden

XIV-37.111-4/9

beslissing moet afdoend zijn en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermag na te gaan of die beslissing uitdrukkelijk is gemotiveerd en of duidelijke persoonlijke motieven worden aangegeven waarom te dezen niet tot regularisatie kan worden overgegaan.

6. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Zij voegt toe dat in het bestreden arrest één motief van de aanvankelijk bestreden beslissing wordt besproken terwijl de overige motieven van die beslissing buiten beschouwing worden gelaten. De verzoekende partij acht de overige beschouwingen van de verweerders hoofdzakelijk theoretisch van aard, zonder dat ze afbreuk kunnen doen aan de terechte kritiek van het middel.

Beoordeling

7. In de aanvankelijk bestreden beslissing wordt het bestaan van de door de verweerders aangehaalde integratie niet als dusdanig betwist, doch wordt overwogen dat dit feit “lovenswaardig [is] maar […] geen grond [vormt] voor verblijfsregularisatie”. De verzoekende partij vervolgt in die beslissing dat het “normaal [is] dat betrokkenen - in afwachting van de beslissing inzake zijn verschillende procedures - hun tijd in België zo goed mogelijk trachten te benutten” doch dat “dit […] echter niet [volstaat] om een verblijfsrecht te verkrijgen aangezien de integratie en opgebouwde banden in België geenszins opwegen tegen de relaties en banden van betrokkene in zijn land van herkomst”.

Na deze motivering betreffende de integratie van de verweerders, wordt ingegaan op hun argumenten dat het oudste kind naar school gaat in België, dat beide kinderen in België geboren zijn en het leven hier gewoon zijn, dat de verweerders problemen zouden hebben gekend in het land van herkomst, dat er humanitaire redenen voor verblijfsregularisatie zouden zijn, dat er medische elementen zouden zijn en dat de verweerders zich steeds goed zouden hebben gedragen.

In het bestreden arrest wordt de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing weergegeven. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

XIV-37.111-5/9

merkt op dat de huidige verzoekende partij daarin het door de verweerders aangehaald langdurig verblijf in België sedert 2006 en de integratie alhier niet betwist, doch hij stelt vast dat de niet betwiste argumenten van de verweerders niet op afdoende wijze worden beantwoord. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is van oordeel dat het motief dat de integratie lovenswaardig is maar geen grond voor verblijfsregularisatie vormt, geen afdoende motivering is in die zin dat deze motivering de huidige verweerders niet in staat stelt te begrijpen waarom de elementen van integratie niet werden aanvaard. Steeds volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, stelt het motief dat integratie “normaal” is de huidige verweerders niet in staat te begrijpen waarom hun niet betwiste integratie niet werd aanvaard.

8. De Raad van State vermag als administratieve cassatierechter niet de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwisting van het al dan niet afdoende karakter van de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing over te doen. Hij vermag desgevraagd wel vast te stellen dat de bewijskracht van een stuk isgeschonden wanneer de eerste rechter aan een stuk een uitlegging geeft die niet verenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan.

Te dezen acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de weigering om de door de verweerders aangevoerde elementen van integratie als een voldoende grond voor integratie te aanvaarden niet afdoende gemotiveerd omdat die integratie enkel als “normaal” zou worden beschouwd in de aanvankelijk bestreden beslissing. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat daarbij voorbij aan het vervolg van de motivering, met name dat “de integratie en opgebouwde banden in België geenszins opwegen tegen de relaties en banden van betrokkene in zijn land van herkomst”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat eveneens voorbij aan de motieven dat de verweerders niet aantonen waarom een scholing van de kinderen, die geen gespecialiseerd onderwijs behoeven, niet mogelijk zou zijn in het land van herkomst, dat het geboren zijn van de kinderen in België niet ipso facto een verblijfsrecht opent in België, dat de verweerders er na de betekening op 12 september 2008 van een bevel om het grondgebied te verlaten

XIV-37.111-6/9

zelf voor hebben gekozen om verdere procedures op te starten en zo hun kinderen te laten wennen aan dit land, dat de verweerders zelfs geen begin van bewijs van de voorgehouden problemen in het land van herkomst voorleggen, dat de verweerders niet aangeven welke “humanitaire redenen” er zouden zijn voor verblijfsregularisatie, dat de medische elementen niet in aanmerking kunnen worden genomen bij een aanvraag op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet maar enkel bij de behandeling van de (op 29 augustus 2009

ingediende) aanvraag op grond van artikel 9ter van die wet, dat een goed gedrag van iedere vreemdeling in België wordt verwacht en dat dit geen grond voor verblijfsregularisatie vormt, dat de verweerders wisten dat hun verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van hun asielprocedure en zij bij een negatieve beslissing het land zouden moeten verlaten en dat de duur van de verschillende asielprocedures niet onredelijk lang was.

Door in het bestreden arrest ervan uit te gaan dat de door de verweerders ingeroepen integratie niet als grond voor verblijfsregularisatie wordt aanvaard, enkel omdat deze integratie “normaal” zou zijn, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het motief in de aanvankelijk bestreden beslissing buiten beschouwing gelaten dat die integratie geenszins opweegt tegen de relaties en banden van de betrokkene met het land van herkomst. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft eveneens de hoger vermelde motieven buiten beschouwing gelaten betreffende een aantal andere elementen die verband kunnen houden met bepaalde elementen van integratie. Op die wijze is in het bestreden arrest een uitlegging gegeven aan de aanvankelijk bestreden beslissing die niet overeenstemt met de inhoud ervan.

9. Het eerste onderdeel van het eerste middel is in die mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest.

XIV-37.111-7/9

V. Kosten - rechtsplegingsvergoeding

10. De verzoekende partij vraagt in het verzoekschrift tot cassatie en de memorie van wederantwoord de verweerders te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro.

Ter terechtzitting vragen de verweerders dat hen bij een gebeurlijke cassatie van het bestreden arrest geen rechtsplegingsvergoeding zou worden aangerekend aangezien in die hypothese de Raad voor Vreemdelingen-

betwistingen een fout zou hebben begaan en niet zijzelf.

11. Naar luid van artikel 30/1, § 1, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de afdeling bestuursrechtspraak “een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij”. Deze rechtsplegingsvergoeding is voorzien zowel voor de beroepen tot nietigverklaring als voor de administratieve cassatieberoepen. Ze kan uitsluitend ten laste van een partij worden gelegd. Enkel de verzoekende partij en de verweerders zijn partij in het huidige cassatieberoep, niet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als steller van het bestreden arrest. Ingevolge de cassatie van het bestreden arrest, zijn de verweerders als de in het ongelijk gestelde partij te beschouwen.

Vermits de verweerders als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand genieten en de verzoekende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro.

Zoals hoger reeds is overwogen, hebben de administratieve cassatieberoepen net als eigenheid dat de steller van het bestreden arrest geen partij is in de cassatieprocedure en dus niet tot een rechtsplegingsvergoeding kan worden veroordeeld. Dit gegeven vormt op zich dan ook geen kennelijk onredelijke situatie

XIV-37.111-8/9

in de zin van het voornoemde artikel 30/1, § 2, tweede lid, die een verdere vermindering van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding zou verantwoorden.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 169.093 van 6 juni 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

4. Verweerders worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-37.111-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.239