Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.237 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.237 Généré par l'IA

Belgian State dismissed police applicant's appeal regarding medical ineligibility for spondylolisthesis.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.237
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected Jeroen Claes's appeal against his declaration of medical unfitness for a police operational role due to spondylolisthesis. The State argued that the applicant failed to prove the decision-maker exceeded her authority or that the decision was arbitrary, noting his long-standing ambition did not justify the outcome. The court held that the State acted diligently by basing its decision on concrete medical facts and that the applicant could not rely on assurances of individual assessment as a guarantee of admission.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice; The administrative authority must act diligently and base decisions on concrete facts, and a claimant's long-standing ambition or past assurances of individual assessment does not render a decision based on medical evidence arbitrary or disproportionate.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative appeal medical ineligibility diligence principle police recruitment proportionality test medical evidence arbitrary decision lésion de la colonne vertébrale

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 240.237 van 20 december 2017

in de zaak A. 215.855/XIV-36.429

In zake : Jeroen CLAES

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Geukens kantoor houdend te 2490 Balen Lindestraat 2

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR

gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 13 mei 2015, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit op 17/03/2015 genomen door de Federale Politie, Directie van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, CG/WB/

Arbeidsgeneeskunde - Rekrutering, waarbij verzoeker medisch ongeschikt werd verklaard voor een functie bij de Politie”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld.

XIV-36.429-1/16

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november 2017.

Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Christophe Geukens, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker neemt in 2013 deel aan de toelatingsproeven voor een operationele functie bij de politie. Op 12 november 2013 biedt verzoeker zich aan voor het medisch onderzoek in het kader van zijn kandidatuur.

3.2. Bij brief van 18 december 2013 stelt Dr. B., arbeidsgeneesheer bij de dienst Rekrutering van DGS/DSW - Arbeidsgeneeskunde van de Federale Politie (hierna: de dienst Rekrutering), dat hij op basis van de beschikbare gegevens in het medisch dossier geen uitspraak kan doen over verzoekers medische (on)geschiktheid omwille van de vaststelling “spondylolisthesis” en verzoekt hij om volgende bijkomende informatie: “[e]en medisch verslag (met

XIV-36.429-2/16

CD-rom) van een recente controle op orthopedie (inclusief radiografie van de rug face, profil en 3/4)”.

3.3. Bij brief van 14 mei 2014 deelt de dienst Rekrutering mee dat verzoeker medisch ongeschikt wordt verklaard voor een functie bij de politie en dit omwille van de volgende vaststelling: aanwezigheid van bilaterale spondylolyse met spondylolisthese L5-S1.

Deze beslissing, waartegen verzoeker een vernietigingsberoep heeft ingesteld bij de Raad van State, wordt door de verwerende partij op 13 oktober 2014 ingetrokken. Bij arrest nr. 229.504 van 9 december 2014 verklaart de Raad van State voormeld vernietigingsberoep bijgevolg zonder voorwerp.

3.4. Bij brief van 17 maart 2015 deelt de arbeidsgeneesheer van de dienst Rekrutering aan verzoeker mee dat hij medisch ongeschikt wordt verklaard voor een operationele functie bij de politie.

Deze beslissing wordt als volgt formeel gemotiveerd:

“U hebt zich op 12 november 2013 aangeboden voor het medisch onderzoek in het kader van uw kandidatuur voor een operationele functie bij de politie. U werd op 14 mei 2014 medisch ongeschikt verklaard omwille van de aanwezigheid van een bilaterale spondylolyse met spondylolisthese L5-S1. Hierop hebt u een verzoekschrift tot annulatie van die beslissing ingediend bij de Raad van State. Als gevolg hiervan werd de beslissing tot medische ongeschiktheid door ons ingetrokken teneinde uw dossier aan een nieuwe evaluatie te onderwerpen.

De radiografieën van 24 september 2013 tonen duidelijk de aanwezigheid van de anterolisthese graad 1-2 niveau L5-S1 op basis van een bilaterale lyse. Dit is ongewijzigd ten opzichte van de radiografieën van 15 april 2008 maar een verhoging van de gradatie ten opzichte van de radiografieën van 10 augustus 1999

die graad 1 vermelden. De radiografieën werden ook geanalyseerd door [dr. J. V. B.], radioloog verbonden aan onze dienst. Hij bevestigt de aanwezigheid van een bilaterale spondylolyse met spondylolisthese L5-S1. Dat betekent dat de wervelboog van de 5de lendenwervel aan weerszijden gebroken is en dat de wervelkolom ten opzichte van het staartbeen naar voor verschoven is. Graad 1-2

wijst op een verschuiving van ongeveer 25%. In de wervelboog bevinden zich het ruggenmerg met zijn zenuwen. Deze kunnen bij een verschuiving van de wervels ten opzichte van elkaar, o.a. bij rotatiebewegingen met hyperflexie, gekneld raken en verlammingsverschijnselen veroorzaken.

Bijkomend aan de anterolisthesis is er ook reeds een vernauwing van de tussenwervelruimten L4-L5 en L5-S1 hetgeen niet direct te verwachten valt bij een

XIV-36.429-3/16

iemand van pas 26 jaar. Dat wijst op een verhoogde druk op de tussenwervelschijven waardoor deze afgeplat worden en beginnen uit te stulpen. Bij verdere uitstulping kunnen deze eveneens druk uitoefenen op de zenuwwortels die uit het ruggenmerg komen.

Het verslag van de consultatie van 26 juni 2014 bij [prof. Dr. L.] is enkel gebaseerd op een 3/4 opname van de wervelzuil. Bij dergelijke opname is een spondylolyse te zien maar niet een anterolisthesis. Hiervoor is een profielopname vereist. Vermits het probleem schuilt in de aanwezigheid van een anterolisthese en hiervoor niet de juiste radiografieën genomen zijn, is zijn verslag niet ten volle relevant en derhalve niet overtuigend voor de beoordeling van uw geschiktheid.

Gelet op het feit dat de opleiding voor een operationele functie bij de politie met bijhorende terugkerende trainingen in geweldbeheersing sterk rugbelastend zijn en een rug in goede staat vereisen. Overwegende dat de meest belastende bewegingen voor de rug met de grootste risico's de rotaties (draaiingen) gepaard gaande met een hyperflexie (overstrekking) van de rug zijn (Dit is te vergelijken met een uitwringbeweging). Deze bewegingen komen voor tijdens de training geweldbeheersing zonder wapens en maar komen weinig voor in het dagelijkse leven en bij gewone sportbeoefening. Overwegende dat de bij u aanwezige graad van anterolisthese toegenomen is van graad 1 naar graad 1-2. Gelet op het feit dat er niet alleen een anterolisthese aanwezig is, maar tevens een vernauwing optreedt van de tussenwervelruimte en dit niettegenstaande u zeer jonge leeftijd.

Gelet op de bijlage 4bis UBPol, inzonderheid hetgeen bepaald bij Het beender-

en spierstelsel, wordt u omwille van de voormelde nader toegelichte redenen MEDISCH ONGESCHIKT verklaard voor een operationele functie bij de politie.”

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. Verzoeker beroept zich in een eerste middel op de schending van artikel IV.9 UBPol, evenals van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991

betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, het motiveringsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel.

Verzoeker meent dat de motieven van de bestreden beslissing niet steunen op bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid

XIV-36.429-4/16

werden vastgesteld, aangezien geen rekening werd gehouden met de vaststellingen van Dr. F. en Prof. Dr. L..

In de attesten van verzoekers orthopedist, Dr. F., is sprake van spondylolyse met spondylolisthese, maar dat dit hoegenaamd geen obstakel vormt voor hem om wat dan ook te doen. Verzoeker betoogt dat het totaal foutief is te beweren dat Prof. Dr. L. niet op de hoogte zou zijn van een anterolisthese omdat hij hiervoor niet over de juiste radiografieën zou hebben beschikt. Prof. Dr. L. kent verzoeker al sinds 1998 via de verslagen van zijn collega Prof. F. en in al die verslagen vanaf 1998 wordt melding gemaakt van de anterolisthese. Prof. Dr. L.

heeft ook de radiografieën van 24 september 2013 bekeken en geanalyseerd. In zijn verslag van 26 juni 2014 verwijst hij naar de recente onderzoeken bij Dr. F. in Geel en heeft hij de redenen van afkeuring maar beknopt weergegeven omdat hij zich heeft gefocust op de gevolgen (het gebrek daarvan) van de aandoening van verzoeker. In zijn nieuw verslag van 6 mei 2015 maakt Prof. Dr. L. nogmaals duidelijk dat hij inderdaad op de hoogte is van de anterolisthese, hij verwijst daarvoor naar de radiografieën van september 2013 en stelt dat Dr. V., radioloog, een graad 1 anterolisthese vermeldt. In zijn verslag van 6 mei 2015 stelt Prof. Dr. L. zelfs de aanwezigheid van een effectieve anterolisthese in vraag en concludeert dat er sprake is van een barst of spondylolyse, zonder manifeste verschuiving. Hij verwijst hiervoor naar de op 30 april 2015 gemaakte radiografieën. Voorts betoogt verzoeker dat Prof. Dr. L. en Dr. F., die verzoeker al jaren volgen, tegenspreken dat er sprake zou zijn van progressie of evolutie, zodat graad 1-2 minstens onzeker is zoals vermeld in de bestreden beslissing. Dr. F. stelt in zijn verslag van 12 mei 2015 dat verzoeker lijdt aan “een stabiele spondylolystische Spondylolisthese L5-S1 graad 1, die de voorbije 7 jaar niet veranderd is”. Conform de verslagen zou er volgens verzoeker bovendien geen sprake zijn van een gebroken lendenwervel, noch van een vernauwing van de tussenwervelruimten of verhoogde druk. Prof. Dr. L. eindigt zijn verslag van 6 mei 2015 als volgt: “Samengevat zie ik dan ook geen enkele reden om iemand beperkingen op te leggen, persoonlijk, familiaal of professioneel, louter en alleen op basis van een toevallige radiologische vondst”. Dr. F. beaamt dit in zijn verslag

XIV-36.429-5/16

van 12 mei 2015 en stelt dat er zijn inziens dan ook geen bezwaar is tegen onbeperkte fysieke activiteiten. Ten slotte wijst verzoeker erop dat uit een raadpleging van de recruteringswebsite van de Politie bilaterale spondylolyse met antero- of retrolisthese kan leiden tot medische ongeschiktheid, maar niet noodzakelijk moet leiden tot medische ongeschiktheid.

Verzoeker besluit uit wat voorafgaat dat de motieven van de bestreden beslissing niet steunen op bestaande feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, en de motivering niet afdoende kan zijn. Een normaal, voorzichtige en redelijke overheidsinstantie zou wel rekening hebben gehouden met de verslagen en visies van Dr. F. en Prof. Dr. L. en zou verzoeker in alle redelijkheid medisch geschikt hebben verklaard. Het is voor dergelijke situaties dat de selectieprocedure bij de politie de mogelijkheid openlaat om, ondanks het bestaan van het letsel, toch over te gaan tot medische geschiktheid. De bestreden beslissing gaat volgens verzoeker in tegen alle redelijkheid waardoor de verwerende partij de haar toegemeten discretionaire bevoegdheid niet binnen de grenzen van de rechtmatigheid en redelijkheid heeft uitgeoefend en een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan.

In zijn memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat op verzoek van de verwerende partij nieuwe röntgenopnamen werden gemaakt en opgestuurd en de verwerende partij hem er nooit heeft op gewezen dat er profielopnamen zouden ontbreken. Hij stelt dat Prof. Dr. L. exact dezelfde foto’s heeft gezien als degene die verzoeker aan de verwerende partij heeft overgemaakt.

Voorts betoogt verzoeker dat de verwerende partij geheel onjuist stelt dat de stukken nrs. 15 tot 17 uit zijn stukkenbundel niet mogen worden betrokken bij de beoordeling van de motivering van de bestreden beslissing, aangezien deze stukken enkel voortbouwen op de andere stukken. Verder stelt verzoeker dat de poging van de verwerende partij om de trainingen in geweldbeheersing zwaarder aan te schrijven dan eender welke andere fysieke activiteit totaal foutief en onfair zijn. Als twee specialisten beweren dat er geen fysieke beperkingen zijn, is het wel duidelijk dat ook deze trainingen geen probleem zullen vormen. Verzoeker

XIV-36.429-6/16

benadrukt ten slotte dat aanwezigheid van spondylolyse een reden kan zijn tot afkeuring, maar alles afhangt van de gradatie, en de verwerende partij, gelet op de attesten van voornoemde dokters, overeenkomstig artikel IV.9 UBPol hem behoorde geschikt te verklaren.

In zijn laatste memorie weerlegt verzoeker dat hij sinds de vraag van de verwerende partij hiertoe op 18 december 2013 te lang zou hebben gewacht om nieuwe radiografieën te laten nemen. Verzoeker heeft enkel om voorliggend beroep beter te stofferen nieuwe radiografieën laten nemen ten gevolge waarvan in 2015 nieuwe verslagen werden opgesteld door Dr. F. en Prof. Dr. L. (stukken nrs.

15 tot 17). Ze werden opgesteld om de Raad van State -en niet de verwerende partij aangezien ze zijn opgesteld na de bestreden beslissing- aan te tonen dat er zich lichamelijk geen enkel probleem stelt. Wel had de verwerende partij kennis van nieuwe verslagen van Dr. F. en Prof. Dr. L., van 14 januari 2014 en 26 juni 2014, naar aanleiding van het vernietigingsberoep tegen de beslissing van 14 mei 2014, waarmee de verwerende partij wel rekening kon houden. De stukken nrs. 15 tot 17

bouwen enkel voort op de eerdere verslagen van voornamelijk 2014, die door de verwerende partij ten onrechte als niet relevant worden beschouwd.

Voorts weerlegt verzoeker dat de verwerende partij met kennis van zaken een oordeel zou hebben kunnen vellen aangaande zijn medische geschiktheid. Prof. Dr. L. is een expert in rugletsels, en oordeelt dat er geen enkele reden is om verzoeker een beperking op te leggen van welke aard ook, terwijl de arbeidsgeneesheer van de verwerende partij een gewone huisdokter is. Verzoeker besluit dat hij dus best verslagen moet bijbrengen die door een orthopedist opgemaakt worden werkzaam bij de Federale Politie, wat voor een burger onmogelijk is.

XIV-36.429-7/16

Beoordeling

Wat de schending van de formelemotiveringsplicht betreft

5. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.

Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.

6. Verzoeker kon als bestemmeling van de bestreden beslissing onmiddellijk kennis nemen van de motieven die de beslissing verantwoorden door de vermelding ervan in de bestreden beslissing zelf. Deze motivering verschaft aan verzoeker voldoende duidelijkheid over de determinerende motieven waarom de verwerende partij oordeelde dat verzoeker medisch ongeschikt is voor een operationele functie bij de politie. Dit volstaat in het licht van de formelemotiveringsplicht.

7. In de mate verzoeker de schending van de formelemotiveringsplicht aanvoert, is het middel niet gegrond.

XIV-36.429-8/16

Wat de schending van de overige beginselen en bepalingen betreft

8. Verzoeker voert de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel, alsook de schending van artikel IV.9 UBPol omdat die bepaling de verwerende partij de mogelijkheid geeft om verzoeker, ondanks het bestaan van het letsel, geschikt te verklaren.

De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.

Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelingsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. Ook hier komt het de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van de bevoegde administratieve overheid.

Uit artikel IV.9, eerste lid UBPol (samengelezen met bijlage 4bis UBPol) volgt dat de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, bij het nemen van

XIV-36.429-9/16

de beslissing, “iedere aandoening van het bewegingsapparaat” individueel moet beoordelen, “rekening houdend met de resultaten van het klinisch onderzoek, eventueel aangevuld met de resultaten van technische onderzoeken of expertises”.

Uit deze bepalingen volgt dat “bilaterale spondylolyse met antero- of retrolisthese”

kan leiden tot ongeschiktheid, wat aan de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer bij de beoordeling van het individuele geval een discretionaire beoordelingsvrijheid laat.

9. Verzoeker betoogt vooreerst dat geen rekening werd gehouden met de bijgebrachte attesten van Dr. F., waarin weliswaar sprake is van spondylolyse met spondylolysthese, maar ook dat dit hoegenaamd geen obstakel vormt om wat dan ook te doen.

Het dragend motief voor de bestreden beslissing is de aanwezigheid bij verzoeker, op basis van radiografische opnamen van 24 september 2013, van een “anterolisthese graad 1-2 niveau L5-S1 op basis van een bilaterale lyse”, “wat een verhoging van de gradatie [is] ten opzichte van de radiografieën van 10 augustus 1999 die graad 1 vermelden”, en bijkomend “een vernauwing van de tussenwervelruimten L4-L5 en L5-S1, hetgeen niet direct te verwachten valt bij een iemand van pas 26 jaar”.

Deze vaststellingen vinden steun in het dossier.

Vervolgens wordt in de bestreden beslissing gesteld dat de trainingen geweldbeheersing tijdens de opleiding voor een operationele functie bij de politie sterk rugbelastend zijn, met verwijzing naar de meest belastende bewegingen voor de rug met de grootste risico’s, zijnde de rotaties (draaiingen)

gepaard gaande met een hyperflexie (overstrekking) van de rug, en dat deze bewegingen maar weinig voorkomen in het dagelijkse leven en bij gewone sportbeoefening.

XIV-36.429-10/16

Verzoeker slaagt er niet in de deugdelijkheid van dit motief, dat een verband legt tussen het bij verzoeker vastgestelde rugletsel en de vereiste fysieke activiteiten tijdens de opleiding, te weerleggen.

Uit de verslagen van Dr. F. van 24 september 2013 en 14 januari 2014 blijkt dat deze geen bezwaar heeft tegen “onbeperkte fysieke activiteiten” en uit het verslag van Prof. Dr. L. van 26 juni 2014 blijkt dat deze “geen enkele reden ziet om aan [verzoeker] een beperking van zijn activiteiten op te leggen”. Hiermee toont verzoeker niet aan dat “[d]e poging van verwerende partij om de trainingen in geweldbeheersing zwaarder aan te schrijven dan eender welke andere fysieke activiteit [...] totaal foutief en onfair [is]” en “dat ook deze training [voor verzoeker] geen probleem zal vormen”.

Verzoeker geeft weliswaar blijk, op basis van verslagen van door hem geraadpleegde deskundigen, van een eigen feitelijke beoordeling van zijn medische (on)geschiktheid, maar hij maakt niet aannemelijk dat de verwerende partij in dit verband tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan.

10. In zoverre in het middel voorts wordt gesteld dat het totaal foutief is te beweren “dat [Prof. Dr. L.] niet op de hoogte zou zijn van de aanwezigheid van een anterolisthese omdat [hij] hiervoor niet over de juiste radiografieën zou hebben beschikt”, mist het middel feitelijke grondslag. In de bestreden beslissing wordt enkel gesteld dat het verslag van Prof. Dr. L. niet ten volle relevant is omdat het enkel is gebaseerd op een ¾ opname van de wervelzuil, terwijl voor een anterolisthese een profielopname is vereist.

11. Op basis van een verslag van Prof. Dr. L. van 6 mei 2015 en een verslag van Dr. F. van 12 mei 2015, beide opgesteld na de bestreden beslissing, betwist verzoeker dat er zelfs sprake zou zijn van een effectieve anterolisthese (enkel van een barst of spondylolise), minstens dat er sprake zou zijn van een progressie zodat graad 1-2 onzeker is.

XIV-36.429-11/16

Met deze verslagen die zich in de tijd situeren na de bestreden beslissing mag geen rekening worden gehouden om de deugdelijkheid van de motieven van die beslissing te beoordelen. De verwerende partij kon er op het ogenblik van haar beslissing geen acht op slaan en ze kunnen dan ook de wettigheid van de bestreden beslissing niet aantasten.

12. Ook in de mate verzoeker in het eerste middel de schending van de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel aanvoert, is het niet gegrond.

13. In de mate verzoeker betoogt dat de verwerende partij hem overeenkomstig artikel IV.9, eerste lid UBPol “behoorde” geschikt te verklaren, toont hij niet uit dat uit die bepaling een rechtsplicht tot medisch geschikt te verklaren voortvloeit.

14. Het eerste middel is niet gegrond.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

15. In een tweede middel roept verzoeker de schending in van het evenredigheidsbeginsel. Volgens verzoeker staat de bestreden beslissing niet in evenredigheid met de nadelen die verzoeker uit de beslissing ondervindt. Uit de medische verslagen die door verzoeker worden bijgebracht, blijkt hem zeer duidelijk dat er geen enkele beperking op deelname aan fysieke activiteiten vereist is, noch dat er een formele medische reden zou kunnen worden weerhouden om verzoeker medisch ongeschikt te verklaren voor een job bij de politie. Verzoeker heeft deze job sinds zijn kindertijd geambieerd en heeft hiertoe alles in het werk gesteld. Hij mocht er, op basis van de diverse medische verslagen, op vertrouwen toegelaten te worden tot de opleiding bij de politie. Door de bestreden beslissing is

XIV-36.429-12/16

echter alle hoop op een dergelijke job vervlogen en lijdt verzoeker hierdoor ernstige materiële en morele schade.

Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat een vergelijking met de rekrutering bij “defensie” niet op zijn plaats is omdat aldaar de aanwezigheid van spondylolyse, ongeacht de graad ervan, altijd leidt tot medische ongeschiktheid, terwijl bij de politie dit noodzakelijk zo hoeft te zijn.

Beoordeling

16. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van de medische (on)geschiktheid van verzoeker, maar wel om na te gaan of de verwerende partij, bij de keuze van de te nemen beslissing, al dan niet het evenredigheidsbeginsel schendt.

Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt.

Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.

De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens hem doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheids-

beginsel miskent.

XIV-36.429-13/16

17. Bij de beoordeling van het eerste middel is vastgesteld dat de verwerende partij zich steunt op de aanwezigheid van een anterolisthese niveau L5-S1, waarvan de gradatie is verhoogd van 1 naar 1-2 ten opzichte van 1999, en bijkomend, de vernauwing van de tussenwervelruimten L4-L5 en L5-S1, wat niet te verwachten valt bij iemand van 26 jaar. Tevens is vastgesteld dat verzoeker niet aantoont dat de verwerende partij bij de beoordeling van verzoekers medische ongeschiktheid haar beoordelingsbevoegdheid is te buiten gegaan.

De omstandigheid dat verzoeker sinds zijn kindertijd een job bij de politie geambieerd heeft en hij thans materiële en morele schade lijdt, maakt de bestreden beslissing nog geenszins onevenredig. Dat aan verzoeker bij zijn aanvraag werd verzekerd dat elk geval individueel wordt beoordeeld, en zijn medische aandoening niet bij voorbaat tot een afwijzing zou leiden, betekent niet dat verzoeker er rechtmatig op mocht vertrouwen, op basis van de medische verslagen, toegelaten te worden tot de opleiding.

18. Het tweede middel is niet gegrond.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

19. In een derde middel voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker betoogt dat de verwerende partij alle medische verslagen van verzoeker uit het oog moet verloren zijn bij het nemen van de bestreden beslissing, want had zij deze wel in aanmerking genomen, dan had zij verzoeker nooit medisch ongeschikt bevonden. Verzoeker herhaalt dat de verwerende partij haar beslissing niet afdoende heeft gemotiveerd, en niet als een normaal voorzichtige en redelijke instantie heeft gehandeld.

XIV-36.429-14/16

Beoordeling

20. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.

Uit de beoordeling van het eerste en tweede middel blijkt dat de verwerende partij zorgvuldig heeft gehandeld bij het nemen van de bestreden beslissing, zowel voor wat betreft het verzamelen van de feiten, als wat betreft de beoordeling van deze feiten en de daaraan gekoppelde beslissing.

De algemene kritiek die verzoeker thans nog in het derde middel hieromtrent aanvoert, is niet van aard hieraan afbreuk te doen.

21. Het derde middel is niet gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.

XIV-36.429-15/16

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-36.429-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.237