Belgian Council of State dismisses asylum appeal regarding jurisdictional and substantive reasoning under Article 74/13 of the Aliens Act.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the cassation appeal filed against a decision by the Council for Asylum Controversies. The applicants argued that the lower court failed to conduct a substantive proportionality test and violated their right to defense. The court held that the lower court correctly addressed the proportionality argument by confirming the administrative file supported the decision and no contradictory evidence existed.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 74/13 of the Aliens Act; Article 41, 47, 48 of the EU Charter of Fundamental Rights: The court must verify if the administrative decision is manifestly unreasonable, not substitute its own judgment for the administration's assessment of facts and proportionality.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 240.236 van 20 december 2017
in de zaak A. 216.082/XIV-36.479
In zake : 1. XXX
2. XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Brecht De Schutter kantoor houdend te 2800 Mechelen Olivetenvest 21
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 8 juni 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 144.680 van 30 april 2015 van de Raad voor Vreemde-
lingenbetwistingen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 237.502 van 28 februari 2017 is het debat heropend en is het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek.
XIV-36.479-1/9
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een aanvullend verslag opgesteld, op grond van artikel 17 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november 2017.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Luc Denys, die loco advocaat Brecht De Schutter verschijnt voor de verzoekers, en advocaat Carmenta Decordier, dieverschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. De feiten zijn weergegeven in het arrest nr. 237.502 van 28 februari 2017. Er wordt naar verwezen.
XIV-36.479-2/9
IV. Onderzoek van de middelen
Enig middel
A. Vooraf
4. Bij het voornoemde tussenarrest van 28 februari 2017 verwerpt de Raad van State het derde onderdeel van het enige middel en heropent hij het debat.
Thans volgt het onderzoek van het eerste en het tweede onderdeel van het enige middel.
B. Uiteenzetting van het middel
5. De verzoekers werpen in een enig middel de schending op van artikel 74/13 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van “het jurisdictioneel motiveringsbeginsel” en van het recht van verdediging, “met name de hoorplicht”, in samenhang met de artikelen 41, 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van Europese Unie.
In eeneerste middelonderdeel voeren de verzoekers aan dat de motivering in het bestreden arrest als zou het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet toekomen zich uit te spreken over de wettigheid van de beslissingen van de Veiligheid van de Staat en de verwijzing naar artikel 40
van de wet van 18 juli 1991 ‘tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse’ (hierna: de wet van 18 juli 1991) niet pertinent zijn. De verzoekers hebben voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers niet de werking van de Veiligheid van de Staat in vraag gesteld maar wel opgeworpen dat de verwerende partij, ondanks het advies van de Veiligheid van de Staat, onvoldoende elementen had om
XIV-36.479-3/9
te kunnen oordelen dat eerste verzoeker een gevaar vormde voor de openbare orde of de nationale veiligheid.De inhoud van dat advies was zeer beknopt en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is in het bestreden arrest niet ingegaan op de door de verzoekers concreet geuite bezwaren over de nauwkeurigheid, de waarheidsgetrouwheid en de draagkracht ervan doch enkel op de aangeklaagde onevenredigheid van de aanvankelijk bestreden beslissing. De verzoekers achten derhalve de jurisdictionele motiveringsplicht geschonden.
In een tweede middelonderdeel voeren de verzoekers aan dat de beoordeling van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet in het bestreden arrest wordt gekoppeld aan het redelijkheidsbeginsel, terwijl uit de tekst van die bepaling geen enkele link met het redelijkheidsbeginsel kan worden afgeleid. Bovendien wordt volgens de verzoekers in het bestreden arrest niet geantwoord op hun kritiek dat uit de aanvankelijk bestreden beslissingen niet kan worden afgeleid op welke manier rekening werd gehouden met het hoger belang van hun kinderen die in België zijn geboren en er steeds hebben gewoond. Zij achten derhalve artikel 74/13
van de vreemdelingenwet in samenhang met de jurisdictionele motiveringsplicht geschonden.
6. In de memorie van wederantwoord herhalen de verzoekers het eerste en het tweede middelonderdeel.
Wat het tweede middelonderdeel betreft, voegen de verzoekers toe dat de verwerende partij hen vooraf niet heeft gehoord over de vraag of het in het belang van de kinderen zou zijn om in België te blijven doch dat zij verrast werden door de aanvankelijk bestreden beslissingen.
C. Beoordeling
7. De door de jurisdictionele motiveringsplicht aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de
XIV-36.479-4/9
voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
Op de door de verzoekers aangevoerde schending van de in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht van de bestuurshandelingen’ antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest dat “uit de eenvoudige lezing van de [aanvankelijk] bestreden beslissingen blijkt dat deze zowel de juridische grondslag als de nodige feitelijke vaststellingen bevatten”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat in de aanvankelijk bestreden beslissing betreffende eerste verzoeker met verwijzing naar de artikelen 13, § 3, 2°, 61/11 en 61/12, van de vreemdelingenwet wordt besloten dat eerste verzoeker niet meer voldoet aan de voorwaarden van het tijdelijk verblijf en dat het te dezen de voorwaarde betreft dat eerste verzoeker zich tijdens zijn verblijf in België onberispelijk dient te gedragen en geen gevaar mag vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid van het land, doch dat de Veiligheid van de Staat op 23 oktober 2013 meedeelt over informatie te beschikken waaruit blijkt dat eerste verzoeker deelneemt aan wetenschappelijke en technologische kennisoverdrachtprogramma’s georganiseerd door China en dat deze programma’s een aanslag plegen op de bescherming van het economisch en wetenschappelijk potentieel van België. Wat de aanvankelijk bestreden beslissing in hoofde van tweede verzoekster betreft, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat met verwijzing naar artikel 13, § 4, 1°, van de vreemdelingenwet een einde wordt gesteld aan het verblijf omdat haar verblijf is beperkt tot de duur van het verblijf van haar echtgenoot, dat de humanitaire elementen in overweging worden genomen en dat wordt gemotiveerd dat de minderjarige kinderen de situatie van hun ouders volgen.De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt vervolgens in het bestreden arrest dat het hem “geenszins toe[komt] om zich uit te spreken over de wettigheid van de beslissing van de Veiligheid van de Staat dat
XIV-36.479-5/9
[eerste] verzoeker negatief gekend is, dat zij informatie hebben verkregen die erop wijst dat [eerste] verzoeker deelneemt aan wetenschappelijke en technologische kennisoverdrachtprogramma’s georganiseerd door China en deze programma’s worden geacht een inbreuk te zijn voor de bescherming van het economisch en wetenschappelijk potentieel van België” en dat “artikel 40 van de wet van 18 juli 1991 […] uitdrukkelijk [bepaalt] dat de dienst Enquêtes voor de inlichtingendiensten bevoegd is om te oordelen aangaande klachten en aangiften van particulieren die rechtstreeks betrokken zijn geweest bij het optreden van een inlichtingendienst”.
Anders dan de verzoekers voorhouden, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet beperkttot de aangeklaagde onevenredigheid van de aanvankelijk bestreden beslissingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft met de voornoemde overwegingen aan dat de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissingen in het licht van de door de Veiligheid van de Staat verstrekte informatie afdoende is en waarom hij niet nader ingaat op de door de Veiligheid van de Staat aangegeven elementen. Op die wijze wordt in het bestreden arrest de aangevoerde schending van de in de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ vastgelegde formelemotiveringsplicht beantwoord. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldoet daarmee aan de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste, waarbij het, zoals hoger reeds aangehaald, niet relevant is of die motieven in rechte en in feite juist zijn.
Het eerste onderdeel van het enige middel is ongegrond en kan bijgevolg niet tot cassatie leiden.
8. De verzoekers lieten in het eerste onderdeel van het enige middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder meer gelden dat “de omvang van de motivering […] volgens de Raad van State afhankelijk [is] van het belang, de aard en het voorwerp van de beslissing” en dat “dit […] niet anders [kan]
worden gelezen dan als een evenredigheidstoets”. Zij voerden daarbij aan dat
XIV-36.479-6/9
“incasu […] slechts [kan] worden besloten dat deze evenredigheidstoets niet gemaakt werd: het bestuur heeft aan [de] – zoals aangetoond – beperkte draagkracht van de beweringen van de Staatsveiligheid een onevenredig strenge beslissing gekoppeld, m.n. de intrekking van het verblijf van verzoekers en hun kinderen, die hier […] sinds zeven jaar een gezins- en professioneel leven hebben opgebouwd”. Volgens de verzoekers “werd [daarbij] evenmin gemotiveerd op welke manier het bestuur rekening heeft gehouden met het hoger belang van het kind, noch met het gezins- en familieleven van verzoekers”.
De verzoekers hebben dus zelf de schending opgeworpen van het evenredigheidsbeginsel door de met toepassing van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet genomen beslissingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen antwoordt daarop in het bestreden arrest dat “inzoverre verzoeker de [aanvankelijk] bestreden beslissing onevenredig acht en een schending aanvoert van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet, […] het middelonderdeel [dient] te worden behandeld vanuit het oogpunt van de materiële motiveringsplicht”. Betreffende “de aangevoerde schending van het evenredigheidsbeginsel als concrete toepassing van het redelijkheidsbeginsel”
merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens op “dat deze beginselen de Raad niet toestaan het oordeel van het bestuur over te doen, maar enkel dat oordeel onwettig te bevinden wanneer het tegen alle redelijkheid ingaat doordat de door het bestuur geponeerde verhouding tussen de motieven en het dispositief volledig ontbreekt”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat de verzoekers “[zich] beperken […] tot het herhalen van de motivering over het gebrek aan humanitaire elementen en over de minderjarige kinderen die de situatie van hun ouders volgen, en [hierbij] besluiten […] dat deze motivering manifest gebrekkig of onevenredig is”. Vervolgens oordeelt hij in het bestreden arrest dat “deze motieven die blijken uit de tweede [aanvankelijk] bestreden beslissing die hierboven werd geciteerd, […] steun [vinden] in het administratief dossier” en dat de verwerende partij “in casu in redelijkheid [is] kunnen komen tot de door [haar] gedane vaststelling van feiten en in het dossier […] geen gegevens voorhanden [zijn] welke met die vaststelling onverenigbaar zijn. Volgens de Raad
XIV-36.479-7/9
voor Vreemdelingenbetwistingen tonen de verzoekers “niet aan dat verweerder een kennelijk onredelijke beslissing zou genomen hebben ten aanzien van [eerste]
verzoeker” en bijgevolg wordt “ook de tweede [aanvankelijk] bestreden beslissing genomen ten aanzien van [tweede] verzoekster, samen met de kinderen, die verwijst naar de eerste bestreden beslissing, niet onwettig” bevonden.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft met de voornoemde motivering concreet geantwoord op de kritiek van de verzoekers als zou de verwerende partij bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissingen geen evenredigheidstoets hebben gemaakt. Daarmee is voldaan aan de jurisdictionele motivering en is artikel 74/13 van de vreemdelingenwet niet geschonden, naar luid waarvan de verwerende partij “rekening [houdt] met het hoger belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land”.
Het tweede onderdeel van het enige middel is ongegrond en kan bijgevolg niet tot cassatie leiden.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
XIV-36.479-8/9
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-36.479-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.236