Court dismisses suspension request due to failure to prove urgency and late filing after two months.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of a Flemish government decision regarding driving license regulations. The applicant, a driving school owner, argued for urgency but filed the request only on the last day of the appeal period, nearly two months after the contested rules took effect. The court ruled that the applicant failed to demonstrate the necessity of immediate action, as the delay rendered the potential harm to their business moot.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 1, second paragraph, and 17, § 2, first paragraph, of the Coordinated Laws on the Council of State; A suspension request requires proof of urgency and must be filed promptly to prevent irreparable harm, which is lost if the applicant delays filing for an extended period.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 240.161 van 12 december 2017
in de zaak A. 222.044/IX-9054
In zake: Abdelmajid AHANSSAS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan De Lien kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters kantoor houdend te 8210 Zedelgem Spoorwegstraat 11
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 24 april 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2017 „tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B en het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën Cl, Cl+E, C, C+E, Dl, Dl+E, D, D+E‟.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
IX-9054-1/14
Auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 september 2017.
Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Raf Jespers, die loco advocaat Jan De Lien verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Yannick Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is zaakvoerder van de erkende rijschool bvba Rij-
school Cum Laude bis.
3.2. Op 15 juli 2016 keurt de Vlaamse Regering het ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering „tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, het koninklijk besluit van 10 juli 2006
betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B en het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E‟ een eerste keer principieel goed.
IX-9054-2/14
Met dit ontwerp van besluit beoogt de Vlaamse Regering om, na overdracht van bevoegdheden in het kader van de zesde staatshervorming, een eerste stap te zetten in de richting van een vernieuwde rijopleiding door middel van het aanbrengen van wijzigingen in verschillende koninklijke besluiten.
Het ontwerp strekt onder meer tot wijziging van de regeling betreffende de bijstand van een tolk tijdens alle rijexamens. In de nota aan de Vlaamse Regering bij de beslissing van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016
worden deze wijzigingen als volgt toegelicht:
“3. Daarnaast wijzigt het ontwerp van besluit ook de regeling betreffende de bijstand van een tolk tijdens alle rijexamens.
De voorbije vijf jaren kregen kandidaten tijdens het rijexamen bijstand van een tolk voor niet minder dan 28 verschillende talen. Voor theorie-examens worden tolkensessies klassikaal gehouden, voor praktijkexamens is dit op in-
dividuele basis. Dit houdt een aanzienlijke extra werk- en organisatielast en bijgevolg ook kosten in voor de erkende rijexamencentra.
Om redenen van kostenbeheersing en efficiëntieverbetering voor de exa-
mencentra beperkt het ontwerp van besluit de mogelijkheid van bijstand van een tolk tijdens het rijexamen.
In vergelijking met de buurlanden wordt naast de andere landstalen (Frans en Duits) ook het Engels toegelaten. In Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk beperkt men de keuze tot de landstaal.”
In de artikelsgewijze toelichting worden de bepalingen die be-
trekking hebben op de bijstand van een tolk verder als volgt toegelicht:
“1.2.1. Hoofdstuk 1. Wijzigingen in het koninklijk besluit van 23 maart 1998
betreffende het rijbewijs De artikels 1 en 2 bepalen dat kandidaten die het Nederlands niet machtig zijn, zich op eigen kosten kunnen laten bijstaan door een tolk voor de talen Frans, Duits of Engels die onder de beëdigde vertalers wordt gekozen.
De tolk wordt door het examencentrum gekozen indien bijstand wordt verleend tijdens het theorie-examen en door de kandidaat indien de tolk optreedt tijdens het praktijkexamen.
Zowel het theorie-examen als het praktijkexamen kan door de kandidaat maar worden afgelegd met bijstand van een tolk voor de talen Frans, Duits of Engels. Naast de beide landstalen is de keuze voor het Engels als meest voor-
komende internationale taal een logische keuze.
Het beroep op een beëdigd tolk door kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, blijft onverminderd gelden.
IX-9054-3/14
De tolk moet voldoen aan een aantal voorwaarden om aanvaard te kunnen worden als tolk tijdens het rijexamen. De tolk:
- moet zijn/haar beëdigingsdocument voor kunnen leggen;
- mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op enigerlei wijze professioneel rijonderricht geven;
- die optreedt tijdens het theorie-examen moet door het examencentrum worden gekozen onder de beëdigde vertalers met vergoeding door de kandidaat;
- die optreedt tijdens het praktijkexamen moet door de kandidaat worden gekozen onder de beëdigde vertalers en door hem worden vergoed.
[…]
1.2.3. Hoofdstuk 3. Wijzigingen in het koninklijk besluit van 4 mei 2007
betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E
Artikel 9 bepaalt dat kandidaten die het Nederlands niet machtig zijn, zich op eigen kosten kunnen laten bijstaan door een tolk voor de talen Frans, Duits of Engels die onder de beëdigde vertalers wordt gekozen.
Op dit vlak zal dezelfde regeling gelden als hierboven in hoofdstuk 1 werd uiteengezet in verband met de wijzigingen aan het K.B. van 23 maart 1998.”
3.3. Op 30 september 2016 geeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State advies nr. 59.890/VR over het ontwerp van besluit. Wat de regeling met betrekking tot de bijstand van een tolk tijdens de rijexamens betreft, maakt de afdeling Wetgeving de volgende algemene opmerking:
“7. Uit de tekst van de artikelen 2, 3 en 10 van het ontwerp blijkt niet dui-
delijk door wie de kosten voor de beëdigde doventolk worden gedragen en of de vereiste dat „[d]e tolk geen betrekking mag uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven‟ zowel geldt voor de doventolk als voor de tolk voor de talen Frans, Duits of Engels. Hieromtrent om nadere toelichting gevraagd, antwoordde de gemachtigde:
„De kosten voor de beëdigde doventolk moeten, net als de kosten voor de andere tolken, door de kandidaat worden gedragen.
Om op dit vlak geen onduidelijkheid te creëren, kan de tekst van het ont-
werp worden aangepast.
Ook de onverenigbaarheid met bepaalde functies heeft betrekking op zowel de beëdigde doventolken als op de andere tolken.
Ook hier lijkt een aanpassing van de tekst aangewezen.
De volgende wijziging wordt voorgesteld:
Art. 32, § 3, K.B. 23 maart 1998:
„Een kandidaat die het Nederlands niet machtig is, mag het theoretisch examen afleggen, bijgestaan door een tolk voor de talen Frans, Duits of Engels die onder de beëdigde vertalers wordt gekozen door het examencentrum. Kan-
didaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich laten bijstaan door een beëdigd doventolk. De tolk wordt in alle
IX-9054-4/14
gevallen door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven.‟ Op dezelfde wijze kunnen de artikelen 39, § 8, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998, 27, § 1, eerste lid en 27, § 2 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 worden aangepast.‟ Hiermee kan worden ingestemd. Evenwel zal ook ten aanzien van de do-
ventolk moeten worden bepaald door wie (het examencentrum of de kandidaat)
de betrokkene wordt gekozen.
Vermits uit de nota aan de Vlaamse Regering blijkt dat voor het praktijk-
examen de tolk wordt gekozen door de kandidaat, moet bovendien in het ont-
worpen artikel 39, § 8, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 (artikel 3
van het ontwerp) en in het ontworpen artikel 27, § 2, van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 (artikel 10, 2°, van het ontwerp) gewag worden gemaakt van de „door hem onder de beëdigde vertalers‟ gekozen tolk.
In het ontworpen artikel 27, § 2, van het koninklijk besluit van 4 mei 2007
moet ten slotte worden gepreciseerd dat die regeling geldt voor de praktische examens.”
3.4. Ten gevolge van voormeld advies worden nog een aantal aan-
passingen doorgevoerd aan het ontwerp van besluit. Zo wordt onder meer in na-
volging van de opmerking van de Raad van State in de artikelen 3 en 10 van het ontwerp gewag gemaakt van het feit dat voor het praktijkexamen de tolk wordt gekozen door de kandidaat.
3.5. Het ontwerp van besluit wordt vervolgens definitief goedge-
keurd door de Vlaamse Regering op 28 oktober 2016, maar wordt niet bekend-
gemaakt in het Belgisch Staatsblad.
3.6. Aangezien een aantal punten in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 aanleiding geven tot een bevoegdheidsdiscussie met de federale overheid, wordt de aangelegenheid geagendeerd op het Overlegcomité en wordt het ontwerp vervolgens nog op een aantal punten gewijzigd.
3.7. Op 20 januari 2017 beslist de Vlaamse Regering om haar besluit van 28 oktober 2016 in te trekken en om het aldus gewijzigde besluit definitief goed te keuren.
IX-9054-5/14
Het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2017 „tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B en het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën Cl, Cl+E, C, C+E, Dl, Dl+E, D, D+E‟ wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 februari 2017.
Dat is het bestreden besluit.
De litigieuze bepalingen met betrekking tot de tolken voor alle rijexamens zijn vervat in de artikelen 2, 3 en 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2017, die luiden als volgt:
“Art. 2. In artikel 32, § 3, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 be-
treffende het rijbewijs, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 oktober 2008, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
„Een kandidaat die het Nederlands niet machtig is, mag het theoretisch examen afleggen, bijgestaan door een tolk voor de talen Frans, Duits of Engels die onder de beëdigde vertalers wordt gekozen door het examencentrum. De tolk wordt in alle gevallen door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijon-
derricht geven.
Kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich laten bijstaan door een door het examencentrum aan-
gewezen beëdigd doventolk. Onverminderd de eventuele toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 houdende de vaststelling van overkoepelende regels voor het centraal tolkenbureau voor de beleidsdo-
meinen Onderwijs en Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, wordt de tolk door de kandidaat vergoed. De tolk mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven‟.
Art. 3. In artikel 39 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015, wordt paragraaf 8 vervangen door wat volgt:
„§ 8. Een kandidaat die het Nederlands niet machtig is, mag het praktische examen afleggen, bijgestaan door een tolk voor de talen Frans, Duits of Engels die door hem onder de beëdigde vertalers wordt gekozen. De tolk wordt in alle gevallen door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven.
Kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich laten bijstaan door een door hem gekozen beëdigd doventolk. Onverminderd de eventuele toepassing van het besluit van de
IX-9054-6/14
Vlaamse Regering van 15 januari 2016 houdende de vaststelling van overkoe-
pelende regels voor het centraal tolkenbureau voor de beleidsdomeinen On-
derwijs en Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, wordt de tolk door de kandidaat vergoed. De tolk mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven.‟.
[…]
Art. 9. In artikel 27 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voer-
tuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E, gewijzigd bij het koninklijke besluit van 10 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
„Een kandidaat die het Nederlands niet machtig is, mag het theoretisch examen afleggen, bijgestaan door een tolk voor de talen Frans, Duits of Engels die onder de beëdigde vertalers wordt gekozen door het examencentrum. De tolk wordt in alle gevallen door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijon-
derricht geven.‟ 2° in paragraaf 1 wordt een tweede lid ingevoegd dat als volgt luidt:
„Kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich voor het theoretisch examen laten bijstaan door een door het examencentrum aangewezen beëdigd doventolk. Onverminderd de eventuele toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 houdende de vaststelling van overkoepelende regels voor het centraal tolkenbureau voor de beleidsdomeinen Onderwijs en Welzijn, Volksgezond-
heid en Gezin, wordt de tolk door de kandidaat vergoed. De tolk mag geen be-
trekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professio-
neel rijonderricht geven‟;
3° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
„§ 2. Een kandidaat die het Nederlands niet machtig is, mag het praktische examen afleggen, bijgestaan door een tolk voor de talen Frans, Duits of Engels die door hem onder de beëdigde vertalers wordt gekozen. De tolk wordt in alle gevallen door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven.
Kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich voor het praktisch examen laten bijstaan door een door hem aangewezen beëdigd doventolk. Onverminderd de eventuele toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 houdende de vaststelling van overkoepelende regels voor het centraal tolkenbureau voor de beleidsdomeinen Onderwijs en Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, wordt de tolk door de kandidaat vergoed. De tolk mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven.‟.”
IX-9054-7/14
IV. Ontvankelijkheid
4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de ver-
werende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
V. Schorsingsvoorwaarden
5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
VI. Spoedeisendheid
Uiteenzetting door verzoeker
6. Verzoeker motiveert de spoedeisendheid van zijn vordering in zijn verzoekschrift als volgt:
“De Raad van State kan volgens art. 17 § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing bevelen op voorwaarde dat er een ernstig middel wordt aangevoerd dat prima facie kan leiden tot de nietigverklaring en indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigver-
klaring.
Dat verzoeker verwijst naar bovenstaand middel en stelt dat er sprake is van spoedeisendheid.
Immers het staat buiten kijf dat verzoeker omzet zal verliezen door het verminderde aantal anderstalige kandidaten welke zich zullen wenden tot ander rijscholen in het Waalse of Brusselse gewest waar zij nog gebruik kunnen maken van de faciliteiten van een tolk.
Dat deze verminderde omzet zich zal vertalen in een vermindering van het aantal instructeurs en dus werkgelegenheid die verzoeker aanbiedt.
IX-9054-8/14
Gezien de [inwerkingtreding van] het bestreden besluit op 01.03.2017
ondervindt verzoeker nu reeds de gevolgen van het bestreden besluit.”
Beoordeling
7. Zoals sub 5 hiervóór in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”.
In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onher-
roepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).
8. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten]
die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter onder-
steuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in arti-
kel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟. Dit houdt in dat het aan een verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een (voortdurende) tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
9. Uit wat voorafgaat volgt dat een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing wenst te verkrij-
gen, ertoe gehouden is om in haar verzoekschrift een uiteenzetting op te nemen die betrekking heeft op de voorwaarde van de spoedeisendheid waarin zij aan de hand
IX-9054-9/14
van concrete, precieze en dienstige gegevens uitlegt in welke mate volgens haar onherroepelijke schade zou ontstaan wanneer het resultaat van een beroep tot nietigverklaring zou worden afgewacht.
10. Verzoeker motiveert de spoedeisendheid van zijn vordering vooreerst met verwijzing naar het enig middel waarin hij de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van artikel 20 van het decreet van 10 juli 2008 „houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid‟.
Hiermee verwijst verzoeker naar een gebeurlijke onwettigheid waarmee het bestreden besluit is behept. Een aangevoerde onwettigheid op zich kan evenwel niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering spoedeisend is.
De schorsingsvoorwaarde van het spoedeisend karakter van de vordering is im-
mers een op zich staande voorwaarde, die moet worden onderzocht los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden.
Met zijn verwijzing naar een onwettigheid op zich toont verzoeker derhalve nog niet aan dat hij de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe van zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
11. Verzoeker wijst er ook op dat hij, gezien de inwerkingtreding van het bestreden besluit op 1 maart 2017, nu reeds de gevolgen van het bestreden besluit ondervindt.
Het louter uitvoerbaar karakter van een reglementair besluit op zich volstaat evenwel niet om de spoedeisendheid van een vordering te staven.
12.1. Verzoeker voert voorts aan dat hij omzet zal verliezen door het verminderde aantal anderstalige kandidaten welke zich zullen wenden tot andere rijscholen in het Waalse Gewest of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waar zij
IX-9054-10/14
nog gebruik kunnen maken van de faciliteiten van een tolk. Deze verminderde omzet zal zich volgens hem ook vertalen in een vermindering van het aantal in-
structeurs en dus van de werkgelegenheid die verzoeker aanbiedt.
12.2. Dienaangaande valt vooreerst op te merken dat de aangevoerde schadelijke gevolgen geen betrekking lijken te hebben op verzoeker zelf, een na-
tuurlijke persoon, doch uitsluitend op de bvba Rijschool Cum Laude bis. Ook al is verzoeker zaakvoerder van deze bvba, toch gaat het om afzonderlijke personen.
12.3. Voorts moet worden vastgesteld dat de vermeende schadelijke gevolgen waarvan verzoeker gewag maakt loutere veronderstellingen zijn, die zich slechts eventueel en in de toekomst zullen voordoen. Een toekomstige en daar-
enboven slechts hypothetische spoedeisendheid, zoals die te dezen wordt aange-
voerd, kan de schorsing van het bestreden besluit geenszins verantwoorden. Bo-
vendien kan een schorsingsvordering steeds worden ingesteld wanneer de ver-
meende schadelijke gevolgen zich daadwerkelijk zouden manifesteren.
12.4. Verzoeker brengt bovendien niet de minste gegevens bij over de vermeende schadelijke gevolgen inzake een verlies aan omzet en een vermindering van het aantal instructeurs.
Het financieel nadeel dat verzoeker inroept volstaat op zich niet om een spoedeisende behandeling van de zaak te verantwoorden. Dit is uitzon-
derlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financiële nadeel een zodanige impact heeft dat een uitspraak ten gronde niet kan worden afgewacht. Hierbij wordt bedacht dat verzoeker verwijst naar een financieel nadeel in hoofde van de rechtspersoon waarvan hij zaakvoerder is. Als bijzondere reden kan dan worden aangevoerd, de vaststelling dat de ten-
uitvoerlegging van het bestreden besluit het financieel evenwicht van de rechts-
persoon ernstig in gevaar brengt bij zoverre dat de nietigverklaring van het be-
streden besluit en het daaropvolgende rechtsherstel geen onmiddellijk nut meer
IX-9054-11/14
kunnen hebben. Hierbij zij nogmaals opgemerkt dat van een verzoekende partij een concreet op haar situatie toegeschreven uiteenzetting wordt verwacht.
Welnu, verzoeker beweert zelfs niet – laat staan dat hij dit aan-
toont – dat een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring de aangevoerde schadelijke gevolgen niet genoegzaam zou kunnen opvangen. De enkele omstan-
digheid dat een aantal anderstalige kandidaten zich mogelijk tot andere rijscholen in het Waalse Gewest of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zouden kunnen wenden, met potentieel omzetverlies bij de bvba waarvan verzoeker zaakvoerder is tot gevolg, betekent op zich helemaal niet dat verzoeker zonder een bevolen schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zou terechtkomen in een toestand “met onherroepelijke schadelijke gevolgen”.
Ook met betrekking tot de aangevoerde vermindering van het aantal instructeurs laat verzoeker na om toe te lichten hoeveel instructeurs in dienst zijn bij de bvba van verzoeker, met hoeveel zij volgens hem zullen verminderen ingevolge het bestreden besluit en welke weerslag hun vertrek zou hebben op de voortzetting van de activiteiten van de bvba.
In de mate dat verzoeker voorts nog in het algemeen verwijst naar de werkgelegenheid die hij aanbiedt, moet worden opgemerkt dat gevolgen voor derden de spoedeisendheid van een vordering niet kunnen aantonen.
13. Daarnaast dient te worden vastgesteld dat verzoeker de aange-
voerde spoedeisendheid grondt op zijn hoedanigheid van zaakvoerder van een erkende rijschool, terwijl het bestreden besluit geen betrekking heeft op de werking van de erkende rijscholen, noch op de bijstand van een tolk tijdens door de erkende rijscholen aangeboden rijlessen. De bestreden regeling betreft daarentegen de bijstand van een tolk tijdens alle rijexamens. Ook in het licht van deze bijzondere omstandigheid mag van verzoeker worden verwacht dat hij concreet aantoont waarom hij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke
IX-9054-12/14
gevolgen. Eens te meer dient echter vastgesteld te worden dat verzoeker geen enkel stuk toevoegt aan zijn verzoekschrift om de beweerde spoedeisendheid te staven.
14.1. Ten slotte kan nog worden gewezen op hetgeen volgt. In het kader van de gewone schorsingsvordering geldt er in beginsel geen dwingende voorwaarde om diligent en voortvarend op te treden, zoals bij een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De regelgeving laat toe dat de schorsing “op elk moment” wordt gevorderd (artikel 17, § 1, tweede lid, RvSt-Wet).
Dit betekent echter niet dat het talmen van een verzoekende partij om in rechte te treden, als proceshouding steeds zonder invloed blijft op de beoordeling van de spoedeisendheid.
Een schorsing heeft immers enkel voor de toekomst uitwerking.
Met het instellen van een vordering tot schorsing streeft een verzoekende partij voorts na zich te behoeden voor schadelijke gevolgen van een bepaalde omvang, waarvoor een later arrest ten gronde niet nuttig meer tussen-
komt. Vereist is dan ook, dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing het onherroepelijke schadelijke gevolg, nog zinvol kan worden geweerd.
Mede om die reden moet een verzoekende partij die de Raad van State ertoe wil brengen om haar zaak bij voorrang op andere zaken te onderzoeken en om een schorsing te bevelen, bij het benaarstigen ervan zelf ook de nodige zorgvuldigheid en ijver aan de dag leggen om dit schadelijke gevolg nog te kunnen weren. Dit betekent onder meer dat zij in functie van de omstandigheden, de zaak toch zo spoedig mogelijk bij de Raad van State aanhangig maakt.
14.2. In casu blijkt dat verzoeker de onderhavige vordering tot schorsing pas heeft ingesteld op de laatst nuttige dag van de beroepstermijn van zestig dagen op 24 april 2017, hoewel het bestreden reglementair besluit reeds werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 februari 2017 en de liti-
IX-9054-13/14
gieuze bepalingen met betrekking tot de tolken voor alle rijexamens, namelijk de artikelen 2, 3 en 9, in werking zijn getreden op 1 maart 2017, zodat verzoeker de beweerde nadelige gevolgen van het besluit reeds gedurende bijna twee maanden heeft ondergaan alvorens een vordering tot schorsing in te stellen bij de Raad van State. Ook de proceshouding van verzoeker lijkt dus een negatie in te houden van de beweerde spoedeisendheid van de vordering.
15. Wat voorafgaat, leidt tot het besluit dat verzoeker niet aantoont dat zijn zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nie-
tigverklaring.
16. Aldus is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumu-
latief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 december 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Bruno Seutin
IX-9054-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.161